Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.2:17.2 Plan van behandeling
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.2
17.2 Plan van behandeling
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497098:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 17.3 tot en met § 17.5 staat de doorwerking van het EVRM-zwijgrecht in Nederlandse fiscale boetezaken centraal. In § 17.3 zal ik toelichten dat het boeterechtelijk zwijgrecht en de cautieplicht in art. 5:10 Awb betrekking hebben op zuivere boetevragen ex art. 47, lid 1, onder a AWR tijdens verhoor. In § 17.4 zal ik uiteenzetten dat de belastingkamer van de HR (als hoogste boeterechter in belastingzaken) inlichtingen ex art. 47 AWR, die zowel een heffings- als boetebelang hebben, uitsluit voor het bewijs van de boeteoplegging vanwege de overtreding van een fiscaal voorschrift. Aansluitend zal ik in § 17.5 nog ingaan op het (niet-)gebruik voor de fiscale boeteoplegging van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen verklaringen.
In § 17.6 staat het niet-meewerkrecht in fiscale boetezaken centraal. Daarin zal ik eerst uiteenzetten dat voorzienbaar is dat de belastingkamer van de HR (als hoogste boeterechter in belastingzaken) ook wilsafhankelijke bescheiden ex art. 47, lid 1, onder b AWR voor het bewijs van de fiscale boeteoplegging uitsluit. Vanwege de onduidelijkheden die het niet-meewerkrecht omringen, zal ik – min of meer los van de uitleg en toepassing die de HR daaraan geeft – in § 17.6 ook nog de mogelijke betekenis van deze waarborg voor de fiscale inzageplicht proberen vast te stellen. Aansluitend zal ik in § 17.7 nog kort ingaan op de betekenis van nemo tenetur voor de overige in afdeling 2, hoofdstuk VIII, van de AWR vastgelegde informatieverplichtingen, te weten de verplichting tot toegangverlening, de administratieplicht en de identificatieplicht.
In § 17.8 en § 17.9 zal ik nog twee aspecten van nemo tenetur in fiscale boetezaken belichten, die van belang zijn voor de vaststelling of het recht tegen gedwongen zelfbelasting in Nederlandse fiscale boetezaken voldoende tot gelding komt. Deze betreffen de (non-) betekenis van de processuele sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast in fiscale boetezaken en het gebruik van bewijsvermoedens in relatie tot de onschuldpresumptie respectievelijk het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Ik sluit dit hoofdstuk af met een samenvatting en conclusies in § 17.10.