Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.3.2.4
6.3.2.4 Verwijtbaarheid (vergelding) bij vergrijpboeten
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS465707:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht: Schoep, p. 96-97.
Buruma, p. 281. Hij verwijst hierbij naar E.J. Hofstee, Straf naar de mate van schuld?, in Naar eer en geweten (Remmelink-bundel).
Het minimale percentage van 10% sluit aan bij het (vaak maximale) standaardpercentage van de verzuimboete bij gebleken onjuistheden (paragraaf 24 van het BBBB).
Artikel 416 Sr (opzetheling) en artikel 417bis Sr (schuldheling).
Op opzettelijk witwassen staat maximaal 6 jaar gevangenisstraf en op schuldwitwassen maximaal 2 jaar. Bij levensdelicten, zoals bij doodslag (maximaal 15 jaar, artikel 287 Sr) en dood door schuld (maximaal 9 maanden, artikel 307 Sr), is het verschil overigens vele malen groter, naar ik vermoed om ruimte te houden voor strafverzwaring naar de mate van onrecht (ernst).
Naast de wederrechtelijkheid is de mate van verwijtbaarheid bepalend voor de bovengrens van wat maximaal vergolden mag worden. Over de vraag of in het Nederlandse strafrecht plaats is voor het adagium ‘straf naar mate van schuld’ is veel geschreven.1 Een van aspecten betrof de vraag hoe de verwijtbaarheid zich verhoudt tot de wederrechtelijkheid. Buruma zegt hierover het volgende:
“Omdat vergelding evenredigheid eist mag de verdachte geen straf worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd, tenzij de gevolgen van de daad of de wijze waarop zij is gepleegd daartoe aanleiding geven.”2
Naar mijn mening bepaalt de mate van verwijtbaarheid in eerste instantie de bovengrens. Daarna kan bijstelling naar boven plaatsvinden als de mate van wederrechtelijkheid (schade en impact) dit vergt.
Nu laat de vraag of het adagium ‘straf naar mate van schuld’ van toepassing is op fiscale vergrijpboeten zich vrij gemakkelijk beantwoorden. Van oudsher is het fiscale boetebeleid namelijk juist sterk gestoeld op deze gedachte (zie ook hoofdstuk 2, onderdeel 2.3.4). En ook nu nog differentieert het BBBB naar de mate van schuld door opzet in beginsel twee keer zo zwaar te bestraffen als grove schuld (50% versus 25%; paragraaf 25, lid 2 en 3 BBBB).
Daarnaast is voor de maximale vergelding het verband tussen het verwijt en de bijbehorende boetegrondslag relevant. Dit volgt onder meer uit het zesde lid van paragraaf 25 BBBB. Deze bepaling schrijft voor dat de vergrijpboete wordt berekend over dat gedeelte van de verschuldigde belasting dat als gevolg van opzet of grove schuld niet is of zou zijn geheven. Daarnaast is artikel 67h AWR – de evenredige verlaging van de boete als gevolg van verlaging van de belasting – ook van belang voor de bepaling van de bovengrens van de vergelding.
Resumerend zou het voorgaande voor het proces van individuele straftoemeting van vergrijpboeten kunnen betekenen dat de bovengrens voor de mate van vergelding– althans voor wat betreft de mate van verwijtbaarheid – in eerste instantie begint bij de vaststelling van grove schuld of opzet. Daarbij gelden als bovengrens de standaardpercentages van 50% (opzet) en 25% (grove schuld) van de boetegrondslag. Deze bovengrenzen kunnen in het individuele geval worden verhoogd als de schade of – in een uitzonderlijk geval – de maatschappelijke impact daartoe aanleiding geven.
Overigens zullen de standaardpercentages van 50% en 25% vaak naar boven of beneden moeten worden bijgesteld. Opzet en grove schuld zijn immers geen eendimensionale begrippen die een enkel ideaaltypisch geval beschrijven, maar het betreffen schuldcategorieën die een heel scala aan gevallen omvatten die onderling qua verwijtbaarheid kunnen verschillen. Wellicht dat het voor de beeldvorming over de straftoemeting dan ook beter is om uit te gaan van bandbreedtes in plaats van vaste percentages. Daarbij merk ik op dat grove schuld een ‘in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid’ is. Er kunnen zich dus gevallen van grove schuld voordoen die zeer dicht tegen de ondergrens van het (voorwaardelijk) opzet aanliggen. Het verschil tussen opzet en grove schuld (de intentie) moet echter wel voldoende onderscheidend blijven. Vandaar dat het raadzaam is om overlap te mijden bij het bepalen van de bandbreedtes van grove schuld- en opzetpercentages. Mijn gedachten gaan uit naar een bandbreedte tussen de 10%3 en 40% bij grove schuld en tussen de 40% en 70% in geval van opzet.
Het voorgaande laat nogal wat vragen onbeantwoord. Eén van die vragen heeft betrekking op de relatie tussen de verwijtbaarheid (als bovengrens) en de omvang van het belastingnadeel. Want is het bijvoorbeeld gerechtvaardigd dat uit oogpunt van verwijtbaarheid in het ene geval van opzet een boete van € 50.000 wordt opgelegd (boetegrondslag van € 100.000) en in een ander geval met een vergelijkbare mate van opzet, een boete van € 100.000 (boetegrondslag € 200.000)? In het laatste geval is de boete twee keer zo hoog als in het eerste geval, terwijl de mate van verwijtbaarheid vergelijkbaar is. Dus door de verwijtbaarheid uit te drukken in een vast percentage van de boetegrondslag, werkt de hoogte van de boetegrondslag direct door naar de bovengrens voor vergelding voor wat betreft de verwijtbaarheid. Nu zou betoogd kunnen worden dat belastingfraude die ziet op grote bedragen over het algemeen als ‘ernstiger’ ervaren wordt dan wanneer het om minder grote bedragen gaat. Maar het is de vraag in hoeverre de te vergelden ernst van een grote belastingfraude daadwerkelijk enig verband heeft met de mate van verwijtbaarheid. Zoals gezegd is de ernst van het feit bij fiscale vergrijpen veelal een afgeleide van een (mogelijk) verlies van belastinginkomsten. Dit schade-element kan de bovengrens voor vergelding – die in eerste instantie is gebaseerd op de mate van verwijtbaarheid – eveneens doen optrekken. Daardoor kan er bij strafverzwaring op grond van de grootte van de fraude als het ware een soort dubbeltelling ontstaan, bijvoorbeeld wanneer de strafverzwaringsgrond ‘verhoudingsgewijs omvangrijke’ belastingfraude wordt toegepast (zie paragraaf 8, lid 8 BBBB).
Een andere vraag betreft de verhouding tussen de ‘vergeldingsmaatstaf’ van opzet en grove schuld. Want als uitgegaan wordt van een bepaalde mate van verwijtbaarheid, is er dan een verklaring te vinden voor het feit dat opzet in beginsel twee keer zo zwaar wordt beboet als grove schuld? Dit zou er op kunnen wijzen dat opzet twee keer zo verwijtbaar is als grove schuld. De AWR-wetgever geeft hierover geen uitsluitsel; voor opzet en grove schuld geldt hetzelfde wettelijke maximum. De strafwetgever maakt daarentegen wel een onderscheid naar strafmaxima tussen doleuze en culpoze delicten. Zo staat op opzetheling maximaal 4 jaar gevangenisstraf en op schuldheling 1 jaar, een factor vier dus.4 En voor het onderscheid tussen opzettelijk witwassen en schuldwitwassen geldt een factor drie.5 Maar dit onderscheid in strafmaxima geldt alleen voor gevangenisstraf en niet voor de maximale geldboete; zowel op beide helingsvarianten als beide witwasdelicten staat een maximale geldboete van de vijfde categorie. Kortom, het Wetboek van Strafrecht biedt geen zicht op de wijze waarop de mate van verwijtbaarheid van opzettelijk handelen versus grofschuldig (culpoos) handelen wordt bepaald (of ‘berekend’).