Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.5.3
2.5.3 Bescherming van de vervreemder
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS473173:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Meijers 1936, p. 254-255; Suijling II-2 1936/491; en Houwing 1940, p. 93.
Zie bijv. art. 25f lid 1 Aw op grond waarvan een beding dat voor een onredelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn aanspraken op de exploitatie van toekomstige werken van de maker inhoudt, vernietigbaar is.
Zie voor een overzicht F.E.J. Beekhoven van den Boezem & G.J.L. Bergervoet, Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 22.2.7.
Kamerstukken II 1986/87, nr. 3, p. 60.
Kamerstukken II 1986/87, nr. 3, p. 61 en 91. Dat laat overigens onverlet dat de consument zich wel bij enkele akte – en zonder “bezinningsmoment” – kan verplichten tot het vestigen van een vuistpand.
CBb 3 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:62 (X/AFM).
Zie nader Biemans 2013/3 en 4.
42. Een praktisch onbeperkte mogelijkheid tot verpanding van toekomstige goederen roept ook de vraag op naar de bescherming van de vervreemder tegen zichzelf. De vervreemder kan zich zonder veel moeite met (nagenoeg zijn gehele) toekomstig vermogen of inkomen binden ter verkrijging van een krediet, terwijl hij zich mogelijk onvoldoende bewust is van de ingrijpende gevolgen hiervan. Het gevaar bestaat dat in ruil voor onmiddellijk voordeel hij zich laat verleiden om zijn toekomstige rechten te vervreemden zonder dat daar een voldoende compensatie tegenover staat.1 Ook bestaat het gevaar van onverantwoorde kredietverlening door overkreditering en zou de vervreemder overmatig afhankelijk kunnen worden van een bepaalde kredietverlener indien hij al zijn toekomstig vermogen aan deze partij in onderpand heeft verstrekt. Op het gebied van het intellectuele eigendomsrecht kan het belang om de auctor intellectualis te beschermen een bijzondere rol spelen.2
Een wettelijke beperking van de levering bij voorbaat van toekomstige rechten kan een middel zijn om een vervreemder tegen zichzelf te beschermen. Op dit moment zijn er echter geen beperkingen op de levering bij voorbaat als zodanig die uit dit beschermingsdoel voortvloeien. Niettemin kunnen enkele regels die mede het beschikken over toekomstige goederen praktisch beperken in verband worden gebracht met dit sociale oogmerk. In de eerste plaats wordt bescherming geboden tegen de ondermijning van de noodzakelijke bestaansmiddelen door de overdraagbaarheid van bepaalde vorderingen te beperken. Zo volgt uit art. 7:633 BW dat loonvorderingen onoverdraagbaar zijn voor zover zij onder de zogeheten beslagvrije voet zouden vallen (art. 475c e.v. Rv).3 De achtergrond van deze beperking is mede erin gelegen om de (minimale) bestaansgrondslag van de werknemer niet aan te tasten. De beperking voorkomt bovendien dat de werknemer voor de noodzakelijke kosten van het bestaan een beroep zal moeten doen op de Algemene bijstandswet. Op vergelijkbare gronden beperkt de Pensioenwet de overdraagbaarheid van enige pensioenaanspraak.4 Ook vorderingen uit hoofde van sociale uitkeringen zijn op grote schaal onoverdraagbaar gemaakt.5
Consumenten (natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf) worden daarnaast beschermd tegen ongewenste vormen van kredietverschaffing op basis van zekerheid op hun toekomstige vermogen op grond van de Wet op het consumentenkrediet. Op grond van art. 40 lid 1 Wck is tot zekerheid van een consumentenkrediet slechts toegestaan de vestiging van een vuistloos pandrecht op zaken die door de kredietnemer worden aangeschaft met het geleende geld. Ook het vestigen van een pandrecht op een vordering is op overeenkomstige wijze beperkt. Zekerheid is dus alleen toegestaan bij objectfinanciering. De wetgever wilde, tegen de achtergrond van het gevaar van overkreditering, verhinderen dat een consument wordt verplicht tot zekerheidsverschaffing ten aanzien van zijn huidige en toekomstige bezittingen.6 Het vestigen van een vuistpand is niet beperkt, nu de consument deze zekerheid niet met een enkele pennenstreek vestigt. De eis dat de zaak in de macht van de pandgever gebracht dient te worden, biedt volgens de wetgever de consument een voldoende duidelijk moment dat tot bezinning noopt.7
De hiervoor genoemde civielrechtelijke beperkingen zijn slechts één manier waarop ongewenste financiering op basis van toekomstige vermogensbestanddelen kan worden tegengegaan. Tegenwoordig zijn van een groter praktisch belang de beperkingen die voortvloeien uit het financiële toezichtsrecht, zoals een vergunningplicht voor kredietverlening (art. 2:60 lid 1Wft) en gedragsnormen voor de aanbieder van krediet, daaronder begrepen een verbod op de overkreditering van consumenten (art. 4:34 lid 2 Wft). Aan het verbod tot kredietverstrekking zonder vergunning wordt zelfs een zodanig ruime uitleg gegeven dat ook een constructie waarbij toekomstige vorderingen (bijvoorbeeld uit loon, pensioen, verzekering of huur) worden verkocht en gecedeerd, kan worden aangemerkt als ‘krediet’.8
Geniet de vervreemder naar huidig recht voldoende bescherming tegen zichzelf bij de beschikking over zijn toekomstige goederen? Zou bijvoorbeeld ook een (kleine) ondernemer beschermd moeten worden tegen het al te gemakkelijk in onderpand geven van zijn gehele vermogen? Dit is vooral – en wederom – een rechtspolitieke en rechtseconomische kwestie die het bestek van dit boek te buiten gaat. Wat betreft kredietverlening aan consumenten speelt bovendien de vraag of een verdergaande bescherming toelaatbaar is vanuit een Europeesrechtelijk perspectief. Zo gaat de Richtlijn consumentenkredietovereenkomsten (Richtlijn 2008/48/EG) voor een aanzienlijk deel uit van volledige harmonisatie van het recht van de lidstaten.9 Voor zover behoefte bestaat aan meer bescherming, zal de vraag moeten worden beantwoord of deze hogere mate van bescherming moet worden gerealiseerd door een beperking van de mogelijkheden om bij voorbaat te leveren of langs andere civielrechtelijke wegen. De huidige stand van het recht laat bovendien zien dat eventuele misstanden ook door financieel toezichtsrecht kunnen worden bestreden.