HR, 04-10-2019, nr. 18/01938
18/01938
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-10-2019
- Zaaknummer
18/01938
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1516, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑10‑2019; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2018:3013
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑10‑2019
- Vindplaatsen
Belastingblad 2019/381 met annotatie van R.A. Eskes
FED 2019/145 met annotatie van E. THOMAS
NLF 2019/2469 met annotatie van Iris de Roos
NTFR 2019/2481 met annotatie van Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
FutD 2019-2567
Viditax (FutD) 2019100418
Uitspraak 04‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding; immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van redelijke termijn bij het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep, meer dan 1,5 jaar na indiening van het beroep. Alleen immateriële schadevergoeding voor de aan de beroepsfase toerekenbare overschrijding van de redelijke termijn. Bij die toerekening in acht te nemen rekenregels.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/01938
Datum 4 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2018, nrs. 15/01321 tot en met 15/01327, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/3204, AWB 12/3205 en AWB 12/3207 tot en met AWB 12/3211) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
Middel I richt zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat zich voor de bepaling van de redelijke termijn van berechting een verknochtheid van zaken voordoet als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het overzichtsarrest van 19 februari 2016).Het middel slaagt in zoverre op grond van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 2.3 van zijn arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623 (hierna: het arrest van 19 april 2019).
2.2.1
Het Hof heeft verworpen het betoog dat belanghebbende een vergoeding van rente toekomt over het bedrag aan griffierecht dat de Inspecteur aan belanghebbende dient te vergoeden. Hiertegen richt zich middel III.
2.2.2
In het door het Hof verworpen betoog van belanghebbende ligt besloten een verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW wegens vertraging in de vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, had het Hof daarom in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan (zie rechtsoverweging 2.4.2 van het arrest van 19 april 2019). Middel III slaagt.
2.3
De middelen voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4.1
.1 Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 en 2.2.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Daarbij verdient het volgende opmerking.
2.4.2
De Rechtbank heeft uitspraak gedaan meer dan twee jaar nadat bezwaar was gemaakt en meer dan anderhalf jaar nadat het beroep was ingesteld. Bij die uitspraak is het beroep niet‑ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep. Ook in een dergelijk geval moet de rechtbank beslissen op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712; hierna het arrest van 2 december 2016), en zal als regel een vergoeding van immateriële schade moeten worden toegekend indien het tijdsverloop tussen het maken van bezwaar en de uitspraak van de rechtbank onredelijk lang is geweest.
2.4.3
Bij de beoordeling van dit tijdsverloop moet de omstandigheid dat het beroep te laat is ingesteld, worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1, onder b, van het overzichtsarrest van 19 februari 2016. De termijn van twee jaar die als uitgangspunt dient voor de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep, moet daarom in deze gevallen worden verlengd met het tijdsverloop tussen het einde van de beroepstermijn en het tijdstip waarop het beroep is ingesteld. Indien met inachtneming van die verlenging komt vast te staan dat de redelijke termijn voor de fase van bezwaar en beroep is overschreden, kan de rechter in belastingzaken alleen een schadevergoeding toekennen voor het aan de beroepsfase toerekenbare deel van die termijnoverschrijding (zie het arrest van 2 december 2016, rechtsoverweging 2.3.3). Bij deze toerekening heeft, net als bij ontvankelijke beroepen, als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (vgl. rechtsoverweging 3.11.1 van het overzichtsarrest van 19 februari 2016). Verder heeft te gelden dat die verlenging moet worden toegerekend aan de beroepsfase. De voor de beroepsfase te hanteren termijn – te rekenen vanaf de datum van de uitspraak op bezwaar – wordt dus verlengd met het tijdsverloop tussen het einde van de beroepstermijn en het tijdstip waarop het beroep is ingesteld.
2.4.4
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op de uit het procesdossier blijkende in cassatie niet bestreden feiten dient het bedrag van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als volgt te worden vastgesteld.Tussen het moment waarop bezwaar is gemaakt en de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan, zijn afgerond 49 maanden verstreken. De termijn van twee jaar die als uitgangspunt dient voor de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep, moet worden verlengd met een week, te weten het tijdsverloop tussen het einde van de beroepstermijn en het tijdstip waarop het beroep is ingesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep is overschreden met afgerond 25 maanden, zodat de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in deze fase € 2.500 bedraagt. Van de 25 maanden waarmee de redelijke termijn is overschreden, moeten drie maanden worden toegerekend aan de bezwaarfase (het tijdsverloop waarmee de voor de bezwaarfase als redelijk aan te merken termijn is overschreden) en het restant, derhalve 22 maanden, aan de beroepsfase. De toe te kennen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedraagt daarom 22/25 van € 2.500 oftewel € 2.200.De fase van hoger beroep heeft in totaal 30 maanden geduurd. De voor die fase geldende redelijke termijn is met zes maanden overschreden, zodat de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep € 500 bedraagt.
2.4.5
Tevens dient de beslissing van het Hof te worden aangevuld in de hiervoor in 2.2.2 bedoelde zin.
3. Proceskosten
De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 18/01938 en 18/02375 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade en de wettelijke rente daarover,
- stelt het bedrag van de door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te vergoeden immateriële schade vast op € 2.700,
- beslist dat, indien het bedrag van de door de Rechtbank vastgestelde immateriële schade van € 500 niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de Rechtbank haar uitspraak heeft gedaan,
- beslist dat, indien het bedrag van de door het Hof aanvullend vastgestelde immateriële schade van € 1.500 niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan,
- beslist dat, indien het bedrag van de door de Hoge Raad aanvullend vastgestelde immateriële schade van € 700 niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop dit arrest is uitgesproken,
- beslist dat, indien het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 253 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.024, derhalve € 512, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019.
Beroepschrift 04‑10‑2019
Edelhoogachtbaar college, geachte voorzitter,
Hierbij herstel ik de verzuimen in voormelde kwestie.
Inleiding/vooraf/in cassatie van belang zijnde feiten.
Belanghebbende heeft voor 7 verschillende voertuigen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar inzake de voldoening van belasting op aangifte bij de rechtbank Gelderland, nadat in bezwaar wegens in strijd met het Unierecht geheven belasting, teruggaaf van de onverschuldigde belasting, vermeerderd met rente naar nationale regeling was toegekend.
De rechtbank heeft voor elk voertuig afzonderlijk griffierecht geheven.
De rechtbank heeft voor 7 voertuigen totaal een immateriële schadevergoeding toegekend van € 500,00.
De rechtbank heeft geen terugbetaling griffierecht toegekend, en geen proceskostenvergoeding.
Voor de overige feiten verwijs ik u naar de vaststaande feiten onder 2. van het arrest van het gerechtshof.
Ten gronde.
Middel I.
Als eerste middel van cassatie, welk middel uiteenvalt in twee deelgrieven, stelt belanghebbende voor schending van recht en/of verzuim van vormen doordat het Hof heeft overwogen dat de termijn van overschrijding van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep moet worden verlengd — kort gezegd — omdat de gemachtigde van belanghebbende — honderden andere zaken bij het gerechtshof heeft aangebracht, waardoor een langere behandeling is gerechtvaardigd.
In geval van een beroep tot schadevergoeding wegens schending door een (onderdeel van) een lidstaat van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat is ingesteld omdat de lidstaat de vereisten inzake de inachtneming van de redelijke procestermijn niet in acht heeft genomen, staat het aan de nationale rechter, om de in de rechtsorden van de lidstaten toepasselijke algemene beginselen voor op vergelijkbare schendingen gebaseerde beroepen in acht te nemen.
Met name moet de nationale rechter in die context nagaan of kan worden vastgesteld of zich niet alleen materiële schade heeft voorgedaan, maar ook immateriële schade die een partij mogelijk als gevolg van de termijnoverschrijding heeft geleden en die in voorkomend geval passend moet worden hersteld.
Ook heeft het gerechtshof het recht geschonden door als nationale rechter zich over dergelijke schadevorderingen uit te spreken, zulks in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd, onder toepassing van de door het Hof geformuleerde criteria voor de beoordeling of de lidstaat het beginsel van de redelijke termijn in acht heeft genomen.
Toelichting.
Vast staat dat van belanghebbende — structureel en op doordachte wijze — in strijd met bepalingen van het Unierecht — belasting is geheven, welke belasting, in casu € 5.970,00 voor 7 voertuigen wegens de zgn. 12%-regeling (artikel 10, lid 2 wet BPM 1992) aan belanghebbende is teruggegeven.
Aldus is het geschil onderworpen aan bepalingen van het Unierecht.
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.
Zoals eerder al door mij — zeer gemotiveerd betoogt — wordt in Nederland uiteraard — genoegzaam bekend — structureel en in ernstige mate — niet voldaan aan de uit het Unierecht voortkomende rechten.
In casu ook niet door gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ze hebben een of ander slap verzinsel opgedist om belanghebbende eenvoudigweg te belazeren, verweven het oordeel met feitelijke opvattingen en de Hoge Raad kan het weer afdoen met een 81 RO, zwaaien met de handjes, weg rechten, niks daadwerkelijke toegang tot het recht, niks mogelijkheid tot verdediging of adviseren, stelen en beduvelen is het motto.
Het is natuurlijk een zielig flauwekul argument dat de overschrijding van de termijn van berechting verlengd mag worden omdat de gemachtigde van belanghebbende honderden zaken heeft aangebracht bij het gerechtshof!!!!!!! Wat een akelig zielige redenering.
Goed bezien zegt het gerechtshof, zoals vaak, donderstraal op, niet appelleren, we hebben genoeg te doen, niet zeuren als het jaren gaat duren, ligt allemaal aan [B], teringleier dat hij maar blijft opkomen tegen onjuiste rechterlijke oordelen, schendingen van de heffende autoriteit en structurele en overmatige onrechtmatige wetgeving waardoor in strijd met het recht van de Unie belasting wordt gestolen.
Hoe ver is dit kutland afgegleden van basic normen en waarden??? Hoe onbeschoft en ongegeneerd worden de Unierechtelijke verplichtingen door de raadsheren van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan de kant geschoven?!
Het is veeleer weer een afstraffing van ‘waag het niet nog eens te komen zeuren over onverschuldigde belasting met hulp van een gemachtigde’. Doe het zelf, dan zeiken wij u keihard af, in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank, u zal het wel uit uw hoofd laten in hoger beroep te gaan, of neem een gemachtigde en weet dat u er dan heel veel verlies leidt, omdat wij u als moraalridders en fatsoensrakkers figuurlijk afmaken waar we kunnen…
Het slaat echt werkelijk op niks natuurlijk. De overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan het feit dat de lidstaat geen zorg draagt voor voldoende bewaking van fundamentele uit het Unierecht voortkomende rechten, door blijkbaar te weinig raadsheren aan te stellen die de zaken tijdig kunnen behandelen en dan geven we [B], klootzak pur sang die maar aan de gang blijft en maar blijft appelleren, verdorie, wat een narigheid, kerel, we nemen nog een sapje en slaan nog een balletje bij de golf…
Zielenpieten zijn het, maar dat kan ook, Uw Raad zal ze niet herroepen, ergo, neemt gewoon € 250,00 griffierecht af van belanghebbende, doet het weer in de pot en dan komt er weer eens of andere minkukel bij de overheid die zich weet laat Fêteren door deze of gene bij aanbestedingen, sluiten van contracten of anderszins…. Lekker samen naar de skybox, lekker eten, interessant doen, het bijdehandje uithangen, lekker in de Ferrari of de Lambo of de Bentley (Maserati) naar de hoeren na afloop, de burger wordt toch gepakt en betaald indirect de geneugten.
Als e.e.a. later aan het licht komt, blijft het doorgaans bij een vermaning, dus straffeloos…
Ik heb er geen enkele fiducie in dat Uw Raad het recht juist zal gaan toepassen of anderszins, maar meen er toch over te moeten klagen, nu het natuurlijk bezijden elk voorstellingsvermogen van een buitenstaander is, dat je zo respectloos beduveld wordt door een onderdeel van de rechterlijke macht in Nederland!
Ten overvloede breng ik nog in herinnering dat nu toepassing wordt gegeven aan bepalingen van Unierecht in casu belanghebbende rechten kan ontlenen aan bepalingen van het Unierecht, meer bepaald artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
De grondrechten hebben weliswaar geen absolute gelding, maar dergelijke moralistische flauwekul als door het gerechtshof wordt gespuid, biedt uiteraard geen rechtvaardiging voor een inbreuk op de Grondrechten van de Europese Unie.
Schending door een (rechterlijke) instantie van een lidstaat, moet van haar verplichting krachtens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie om de aan haar voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn te berechten, moet haar bestraffing vinden in het kader van een beroep tot schadevergoeding dat bij een nationaal rechtsprekende instantie aanhangig wordt gemaakt, aangezien een dergelijk beroep een effectief rechtsmiddel vormt.
In geval van een beroep tot schadevergoeding wegens schending door een (onderdeel van) een lidstaat van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat is ingesteld omdat de lidstaat de vereisten inzake de inachtneming van de redelijke procestermijn niet in acht heeft genomen, staat het aan de nationale rechter, die onafhankelijk wordt geacht, maar dat doorgaans niet doet blijken, maar dat terzijde, om de in de rechtsorden van de lidstaten toepasselijke algemene beginselen voor op vergelijkbare schendingen gebaseerde beroepen in acht te nemen.
Met name moet de nationale rechter in die context nagaan of kan worden vastgesteld of zich niet alleen materiële schade heeft voorgedaan, maar ook immateriële schade die een partij mogelijk als gevolg van de termijnoverschrijding heeft geleden en die in voorkomend geval passend moet worden hersteld.
Het staat dus aan de nationale rechter om zich over dergelijke schadevorderingen uit te spreken, zulks in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd, onder toepassing van de door het Hof geformuleerde criteria voor de beoordeling of de lidstaat het beginsel van de redelijke termijn in acht heeft genomen.
Aldus gaat het fout in casu doordat het gerechtshof in dezelfde formatie als waarin zij kennisgenomen heeft van het geschil (den Ouden, van Huijgevoort, van Kempen) in dezelfde formatie kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd, maar zich in dezelfde formatie heeft uitgelaten over de vergoeding van schade.
Dat is in strijd met vaste uitlegging van het Hof van Justitie met betrekking tot bepalingen van artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Reeds om die reden moet de zaak gecasseerd worden, maar ik heb uiteraard geen enkel vertrouwen in Uw Raad die doorgaans in strijd met bepalingen van de Unie dergelijke vereisten negeert en gewoon afdoet met een 81 RO, opdonderen met die justitiabele, getuige de door Uw Raad ontwikkelde, vaste rechtspraak met betrekking tot het herstel van de materiele of immateriële schade die een justitiabele heeft geleden als gevolg van de termijnoverschrijding.
Dat is dus weer eens een overduidelijk bewijs hoe gebrekkig de onafhankelijkheid van de nationale rechter is door in flagrante strijd met bepalingen van de hoogste rechter, de nationale bepalingen een eigen leven te laten leiden dat niet strookt met bepalingen en daarop gebaseerde uitlegging van de hoogste rechter, de Unierechter.
Het gerechtshof heeft met moralistische Pipo de Clown rechtspraak belanghebbende weer eens een poot uitgedraaid en wars van Unierechtelijke bepalingen en daarop gebaseerde uitlegging van de hoogste rechter, de Unierechter, de justitiabele belazerd, een kenmerk, mogelijk doel van de nationale rechtspraak in Nederland.
Uw Raad is voldoende aangetoond natuurlijk een zooitje moraalridders dat pertinent weigert het recht juist toe te passen ten faveure van de lidstaat en zijn bevoegde instanties.
Uw Raad moet doen wat het behoort te doen, de zaak casseren wegens schending van artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, niet alleen voor de achterbakse reden geen passende vergoeding te bepalen, maar ook vanwege het feit dat de nationale rechter om zich over dergelijke schadevorderingen uit te spreken, dat niet in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd, heeft gedaan.
Middel II.
Als tweede middel van cassatie, stelt belanghebbende voor schending van recht en/of verzuim van vormen doordat het Hof heeft overwogen dat de geen recht op de vergoeding van immateriële schade voor elk voertuig afzonderlijk bestaat, nu sprake is van zaken die door de Rechtbank gezamenlijk zijn behandeld en in beroep zagen op hetzelfde onderwerp, zodat — onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2016:252 — voor de zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,00 per half jaar wordt gehanteerd.
Toelichting.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste nationale rechtscolleges heeft voor de uitleg van op hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende zaken, zoals door Uw Raad uiteengezet in o.m. voormeld arrest ECLI:NL:HR:2016:252, zoals door het gerechtshof geduid naar ik tracht op te maken uit het arrest, dat ongeacht het aantal ingediende zaken, waarvoor de redelijke termijn van berechting is overschreden, de uitkomst en daarmee samenhangende (veronderstelde) spanning en frustratie niet kan variëren, nu de uitkomst van alle ingediende zaken niet kan leiden tot een andere uitkomst, zoals door de Raad van State/CvB vastgestelde zaak met betrekking tot een fors aantal bezwaren tegen een uitkering.
De hoogste nationale rechter overwoog dat ongeacht het aantal ingediende bezwaren de (veronderstelde) spanning en frustratie niet kon leiden tot een andere uitkomst van alle zaken, namelijk wel of geen uitkering.
Aldus is niet bepalend de onderliggende rechtsvraag of (identieke) juridische uitkomst van de procedures, maar het feit of de (veronderstelde) spanning en frustratie kan variëren naargelang de verscheidenheid van de onderliggende procedures/onderwerpen, die in hoofdzaak, in casu niet zien op hetzelfde onderwerp, nu het individuele voertuigen betrof.
Aldus heeft het gerechtshof het recht miskend door voor recht te verklaren dat voor de uitleg van het begrip ‘in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende zaken’ voor de vaststelling van de omvang van de omvang van de passende immateriële schadevergoeding niet van belang is de voor alle zaken gelijke rechtsvraag of gerechtelijke uitkomst, maar het feit of de spanning van betrokkene kan toenemen, nu hij voor meerdere verschillende onderwerpen, in casu verschillende voertuigen procedure voert.
Het gerechtshof had voor ieder voertuig afzonderlijk een immateriele schadevergoeding moeten toekennen, nu de veronderstelde spanning en frustratie, waarbij de mate van spanning en frustratie niet van belang is in een forfaitair systeem van vergoeding van een passende schade, voor elk voertuig afzonderlijk heeft te gelden.
Te meer heeft te gelden, voor zover het ertoe doet, dat de Rechtbank voor elke zaak afzonderlijk griffierecht had geheven van belanghebbende en belanghebbende reeds om die reden mocht veronderstellen dat de Rechtbank onderzocht had dat de zaken geen verband hielden met elkaar.
Uw Raad moet de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden casseren en opnieuw rechtdoende voor elk voertuig afzonderlijk een immateriële schadevergoeding toekennen.
Middel III.
Als derde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van recht en/of verzuim van vormen doordat het Hof heeft overwogen dat belanghebbende — die betoogt dat uit rechtspraak van de hoogste rechter — de Unierechter — volgt dat met de hoofdsom samenhangende onverschuldigde bedragen van in strijd met het Unierecht geheven belasting terugbetaald moeten worden vermeerderd met een adequate rente, welke recht rechtstreeks voortkomt uit het Unierecht — geen recht heeft op rente omdat de nationale regeling ex. artikel 8:74 Awb niet voorziet in een (aanvullende) vergoeding van rente, maar alleen in terugbetaling van het onverschuldigd geheven griffierecht.
Het gerechtshof heeft overwogen — anders dan belanghebbende — vetgedrukt — heeft betoogd — dat uit het Unierecht volgt dat indien sprake is van strijd met het Unierecht, de griffierechten een ‘bijkomend vraagstuk’ vormen, dat naar nationaal recht moet worden beoordeeld.
Toelichting.
Vooropgesteld zij dat een wanneer een justitiabele recht heeft op terugbetaling van in strijd met bepalingen van de Unie geheven heffingen hij niet alleen recht heeft op terugbetaling van de ten onrechte geinde belasting, maar ook van de aan die Staat betaalde of door hem ingehouden bedragen die rechtstreeks met die belasting verband houden.
In Nederland heft de Staat van belanghebbende griffierecht wanneer hij — zoals in casu — de rechter moet verzoeken de heffende autoriteit — die dat uit eigen beweging — als onderdeel van het georganiseerde spel niet zal doen als hij niet opkomt in rechte tegen de verboden heffing — te gebieden de verboden belasting terug te betalen.
In Nederland moet het griffierecht vooraf betaald worden, op straffe van verval van recht, ook van de rechten die rechtstreeks voortkomen uit het Unierecht, zoals in casu.
Aldus staat vast dat het griffierecht rechtstreeks verband houdt — niet onderzocht en niet betwist door het gerechtshof — met aan de Staat betaalde onverschuldigde bedragen.
Daaruit volgt dat — nu het een uit het Unierecht zelf voortkomend recht betreft — de vergoeding van rente niet beheerst kan worden door bepalingen van nationaal recht.
Dat zou anders kunnen zijn bij het ontbreken van een Unierechtelijke regeling, maar dat is in casu niet het geval. Het betreft een expliciete verplichting die uit het Unierecht zelf voortkomt en om die reden van rechtswege — zonder toetsing aan het doeltreffendheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel — terugbetaald moet worden.
Het is een wettelijke plicht de rechten — in volle omvang — te waarborgen. Dat is slechts anders met betrekking tot de rentevoet en de wijze waarop de rente wordt berekend (enkelvoudige dan wel samengestelde rente).
Bij het ontbreken van een Unieregeling is het een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder deze rente moet worden betaald, met name de rentevoet en de wijze waarop de rente wordt berekend (enkelvoudige dan wel samengestelde rente). Deze voorwaarden moeten het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen, dat wil zeggen dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen op basis van het nationale recht gelden en evenmin van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin reeds aangehaalde arresten San Giorgio, punt 12, en Weber's Wine World e.a., punt 103, en arrest van 6 oktober 2005, MyTravel, C-291/03, Jurispr. blz. I-8477, punt 17).
In Nederland is de wettelijke verplichting, die rechtstreeks voortkomt uit het Unierecht zelf, dus niet geregeld, nu volgens het Hof artikel 8:74 Awb niet voorziet in een terugbetaling van het vooraf — op straffe van verval van recht — betaalde griffierecht, vermeerderd met een adequate rente.
Aldus moet vastgesteld worden dat Nederland — weer eens — niet voldaan heeft aan de uit het Unierecht zelf voortkomende verplichtingen. Dat is natuurlijk niet vreemd in een land als Nederland waar de rechtspraak niet onafhankelijk is en de wetgever de modus op oplichten heeft.
Vast staat dat door het niet omzetten van de Unierechtelijke verplichting in een nationale regeling lidstaat Nederland een onrechtmatige daad pleegt jegens belanghebbende, die voortduurt.
Het is niet aan mij een voorzet te geven hoe de Unierechtelijke verplichting omgezet zou moeten worden in de nationale regeling, alleen staat vast dat die wel juist en correct omgezet moet worden.
Ik wijs Uw Raad er — naar ik veronderstel ten overvloede — nu Uw Raad weinig anders probeert dan uit het Unierecht voortkomende rechten te vernachelen en te omzeilen ten faveure van nationale bepalingen of voorschriften, dat Uw Raad bij twijfel gehouden is op de voet van artikel 267 VWEU, vragen voor te leggen aan de hoogste rechter, de Unierechter.
Middel IV.
Als vierde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht van de Unie, meer bepaald artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, al dan niet in combinatie met het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel, doordat de lidstaat de rechter met het Besluit proceskosten Bestuursrecht de bevoegdheid heeft gegeven aan de rechter naar eigen inzicht en believen de schade die ontstaan is wegens een aaneenrijging van in strijd met het Unierecht zijnde regeling kan beoordelen en vaststellen.
Meer bepaald, zoals in casu heeft het gerechtshof heeft geoordeeld, de factor licht toe te passen waarin belanghebbende achtereenvolgende de volgende oordelen — terecht — heeft betwist;
- —
De rechtbank heeft — in strijd met artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie — maar ook met de door de Hoge Raad omgezette verplichting — geoordeeld dat sprake was van een gering financieel belang, waardoor belanghebbende geen recht heeft op een (passende) vergoeding van immateriele schadevergoeding, en
- —
De rechtbank heeft in strijd met het recht geoordeeld dat de termijn van berechting verlengd moet worden omdat overleg heeft plaats gevonden tussen de Inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende inzake het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, en
- —
De rechtbank heeft — onterecht en in strijd met het recht geen geheven griffierecht terugbetaald, en
- —
De rechtbank heeft — onterecht en in strijd met het recht geen schade vergoed voor door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarop belanghebbende overeenkomstig artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie recht heeft teneinde Unierechtelijke rechten, daadwerkelijke te kunnen uitoefenen.
- —
Vast staat dat van belanghebbende in flagrante strijd met het recht van de Unie belasting is geheven, en
- —
Vast staat dat aan belanghebbende — in flagrante strijd met het recht van de Unie zelf — geen passende rentevergoeding is toegekend voor de onbeschikbaarheid van de geldsommen.
Het gerechtshof heeft — nu alle grieven gegrond gaan en herroepen worden, behoudens die van samenhangende zaken in hoofdzaak — en geoordeeld dat de schade wegens door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die naar nationale opvattingen geacht moet worden de werkelijke kosten te benaderen, te halveren omdat sprake zou zijn van een lichte zaak.
Daardoor krijgt belanghebbende slechts 50% van de vermeend afdoende forfaitaire vergoeding van de proceskosten, dit geheel ter vrije beoordeling van de bevoegde rechter.
Slechts het enkele feit dat hier tal van inbreuken zijn gepleegd door de niet het Unierecht waarborgende nationale rechter, in casu de Rechtbank Gelderland, is sprake van een dermate complexiteit, welke complexiteit inherent is aan het recht van de Unie, dat geen sprake kan zijn van een lichte zaak, eerder van een zware zaak.
Door een dergelijke vrijheid toe te staan aan de rechten wordt de Unierechtelijke verplichting, daadwerkelijk toegang te verlenen tot het recht van de Unie, natuurlijk volledig te grabbel gegooid!!
Belanghebbende heeft formeel in Nederland wel recht op een doelmatige voorziening in rechte, maar de praktijk blijft daar door nationale regelingen heel, heel erg ver van!!
Nu vast staat dat het oordeel van het gerechtshof er toe leidt dat niet gewaarborgd wordt, achteraf vastgesteld, dat belanghebbende zijn kosten van door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand krijgt vergoed in een nationaal forfaitair systeem, doordat — achteraf na gedane zaken — dus ook in strijd met het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel, de bevoegde rechter alle mogelijke middelen van de wetgever krijgt aangereikt de vergoeding (naar believen) te matigen, zoals in casu te halveren omdat ‘naar het oordeel van het gerechtshof’ sprake is van een lichte zaak.
Uw Raad moet doen wat het behoort te doen, de zaak casseren en opnieuw rechtdoende het Unierecht waarborgen.
Met behoud van rechten en weren.