NJB 2025/2404:Medeplegen van het in voorraad hebben van valse bankbiljetten art. 209 Sr. Het ‘in voorraad hebben’ vereist dat de verdachte de valse bankbiljetten opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de valse bankbiljetten, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van die bankbiljetten (waaronder begrepen de hoeveelheid) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voor medeplegen is hierbij bovendien vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen gericht op het in voorraad hebben van die bankbiljetten. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over de valse bankbiljetten heeft kunnen uitoefenen in de onder 2.4.1 weergegeven zin. In casu kon het hof oordelen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het in voorraad hebben van valse bankbiljetten art. 209 Sr.