Parketnummer: 20-001369-22. Dit arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2023:3608.
HR, 30-09-2025, nr. 23/04086
ECLI:NL:HR:2025:1374
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2025
- Zaaknummer
23/04086
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1374, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:3608
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:837
ECLI:NL:PHR:2025:837, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1374
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑02‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0308
Uitspraak 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen in voorraad hebben van valse bankbiljetten van 500 euro, art. 209 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht medeplegen “in voorraad hebben”. Voor (als pleger) “in voorraad hebben” van valse bankbiljetten a.b.i. art. 209 Sr is vereist dat verdachte de valse bankbiljetten opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van valse bankbiljetten, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot precieze eigenschappen en kenmerken van die bankbiljetten (waaronder begrepen hoeveelheid) of tot exacte locatie daarvan. Voor bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in geval dat het niet anders kan dan dat verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Als medeplegen in voorraad hebben van valse bankbiljetten a.b.i. art. 209 Sr is tlgd., moet komen vast te staan dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door verdachte met een of meer anderen die was gericht op het in voorraad hebben van die bankbiljetten. Ook dan is vereist dat verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van die bankbiljetten, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van die bankbiljetten (waaronder begrepen hoeveelheid) of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat verdachte tezamen met mededader(s) feitelijke macht over valse bankbiljetten heeft kunnen uitoefenen in hiervoor weergegeven zin (vgl. HR:2024:112). Hof heeft tegen achtergrond van zijn vaststellingen in bewijsvoering overwogen dat (i.h.b. gezien onderlinge taakverdeling tussen verdachte en mededaders, wetenschap en bekendheid bij een ieder over term “postzegels” en (regisserende) rol van verdachte op belangrijke momenten waaronder direct contact met mededader over gang van zaken alsmede met andere persoon over verkoop van deze “postzegels”) sprake is geweest van voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar mededaders, waarbij intellectuele en materiële bijdrage van verdachte van voldoende gewicht was. ‘s Hofs in deze overwegingen besloten liggende oordeel dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door verdachte met een of meer anderen die was gericht op het in voorraad hebben van valse bankbiljetten, is in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04086
Datum 30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 oktober 2023, nummer 20-001369-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.P. Slewe bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het medeplegen van het in voorraad hebben van valse bankbiljetten niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 14 mei 2017 tot en met 1 februari 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid hen, toen zij deze ontvingen bekend was met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“2. Proces-verbaal van verdenking, d.d. 13 maart 2018 (...) met bijlagen voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
De verdenking blijkt uit het volgende:
Uit opgenomen en afgeluisterde gesprekken in het onderzoek Agrinion/Ayios Dimitrios zijn gesprekken afgeluisterd waardoor de indruk wordt gewekt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over vals geld spreken en deze ook in bezit hebben.
Postzegels
Hieronder zijn een aantal gesprekken (het hof: bijlagen 1 tot en met 10) weergegeven waarin over "postzegels" wordt gesproken. [medeverdachte 1] : " [medeverdachte 1] " genoemd, [medeverdachte 2] " [medeverdachte 2] ", [medeverdachte 3] " [medeverdachte 3] " en [verdachte] (het hof begrijpt hier steeds: de [verdachte] ) " [verdachte] ".
Levering vals geld aan [medeverdachte 4]
Er zijn plannen om 15 postzegels te verkopen aan een persoon die [medeverdachte 4] heet. Uit onderzoek blijkt dat deze persoon [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [plaats] , is. Deze [medeverdachte 4] heeft telefonisch contact met [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] met betrekking tot de aankoop van deze valse bankbiljetten (het hof: bijlagen 11 tot en met 23).
(...)
Bijlage 12: een tapgesprek d.d. 14 december 2017, 13:46:02 uur, sessienummer 1502, dossierpagina‘s 390 en 391, voor zover inhoudende:
Beller: [telefoonnummer 1] , naam: [medeverdachte 1]
Gebelde: [telefoonnummer 2] , naam: [medeverdachte 2]
neemt op en zegt dat ze met de belasting aan het bellen is.
[medeverdachte 1] zegt dat hij de advocaat heeft gebeld, om een afspraak te maken.
[medeverdachte 1] zegt dat de advocaat heeft geprobeerd om een afspraak voor vandaag te maken maar dat dat niet is gelukt, omdat het vol zat.
[medeverdachte 1] zegt dat de advocaat gaat proberen om nog deze week een afspraak te maken.
[medeverdachte 1] zegt dat hij tegen de advocaat heeft gezegd dat hij moet zeggen dat hij de vriendin van [medeverdachte 1] belt of stuurt.
Tijdens het gesprek is op de achtergrond te horen dat er een telefoon in de wacht staat bij de belastingdienst.
heeft last van haar maag.
Op de achtergrond is te horen dat er een telefoon overgaat.
[medeverdachte 1] vraagt wie er belt en of het die Marokkaan is.
denkt van wel.
[verdachte] komt aan de lijn
[medeverdachte 1] : schatje wie er net heeft gebeld naar jou
[verdachte] : ja die [medeverdachte 4]
[medeverdachte 1] : wat moet hij hebben dan
[verdachte] : ja die postzegels... maar dan moet er eerst een goeie afspraak over gemaakt worden en dat moet [medeverdachte 3] doen, ik nie
[medeverdachte 1] : postzegels? ik heb tegen [medeverdachte 2] gezegd wat ze moet zeggen eey
[verdachte] : o ja dat weet ik nie
[medeverdachte 1] : ik heb gezegd zoveel en niet meer, snapte wat ik bedoel..
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : en klaar afgelopen snapte ja toch
[verdachte] : ik heb het ook gezegd ik ga dat niet regelen dat moet tie maar lekker zelf doen tis voor mij wel goed
[medeverdachte 1] : om hoeveel geld ging het 3200 toch?
[verdachte] : ja maar hij eid al 100 euro betaald
[medeverdachte 1] : ik heb tegen [medeverdachte 2] gezegd luister goed as ze hem 15 van die postzegels geeft
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : 15 van die postzegels kost normaal een rug om te kopen, dan kan hij 7500 euro wit geld maken.
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : snapte te
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : das dubbele
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : en dan ist klaar... afgelopen oprotten niet meer aan het erf komen
[verdachte] : ja.
[medeverdachte 1] : dan hebben we een rug betaald eey dat kost een rug eey normaal... snapte..
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : snel van dat erf afkomen met je kankerfamilie.
[medeverdachte 1] : en als tie zegt [medeverdachte 2] ... ik koop van [medeverdachte 2] 50 euro weetje wat hij bij mij betaald heb allemaal
[verdachte] : nee want [medeverdachte 3] hebt het al gezegd
[medeverdachte 1] : 125
[verdachte] : da kan nie zei [medeverdachte 3] tegen zijn
[medeverdachte 1] : hoe kan dat nou ik ga toch .. zelf niet met verlies verkopen
[verdachte] : nee
[medeverdachte 1] : ze kosten mij drie geeltjes snapte en ik verkocht ze voor een meier of 125... ik heb zijn voor 125 verkocht ik heb er voor hem 3, 4 keer verkocht snapte.
[medeverdachte 1] : ...ntv...met die postzegels en klaar niet meer aan de erf nie meer komen.. klaar.. hij kan van mij.. van die 15 postzegels kan hij zeven en half rooitje wit geld maken. Snapte wat ik bedoel
[verdachte] : ik zal [medeverdachte 3] trouwens eens bellen ook, ....hier heb je [medeverdachte 2] terug
[medeverdachte 1] : zegt het maar tegen [medeverdachte 3] eey
[verdachte] : ja ik ga dat gelijk doen
komt weer aan de lijn.
heeft ondertussen op andere telefoongesprek met Belastingdienst.
Op de achtergrond is stem van een vrouw van de Belastingdienst te horen, gesprek gaat over stopzetten van de toeslag en opnieuw aanvragen.
Gesprek gaat verder tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]
Gesprek gaat over ouder worden. [medeverdachte 2] zegt dat [betrokkene 1] had gezegd dat ze er oud uitziet.
[medeverdachte 1] zegt dat hij [betrokkene 1] al van het begin niet mocht. [betrokkene 1] is een stiekem mannetje..
[medeverdachte 1] vindt [medeverdachte 2] het knapste wijf van [plaats] en omstreken.
Gesprek gaat verder over [betrokkene 1] . Die moet zich niet met hun bemoeien.
Gesprek gaat verder over casino van [plaats]
[medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 2] dat ze daar niet moet wegblijven, maar ook niet 2 of 3 keer per week naar toe moet gaan.
1 keer per week of 2 keer in de veertien dagen even je laten zien is ook goed.
Gesprek gaat verder het afluisteren. Dat de afluisteraars alleen maar het ophalen van de rolluiken horen.
[medeverdachte 1] zegt dat bij die [betrokkene 2] dat vrouwke tweede kerstdag bezoek komt. [medeverdachte 1] zegt dat die [betrokkene 2] posttraumatisch stresssyndroom heeft.
en [medeverdachte 1] weten niet wat dat is.
[medeverdachte 1] vraagt of [verdachte] [medeverdachte 3] nog te pakken heeft gehad.
[verdachte] zegt dat dat niet is gelukt.
zegt dat ze die vent heeft geappt voor die horloge, maar die reageert niet.
[medeverdachte 1] vraagt of het die Marokkaan is
zegt dat ze het straks nog een keer gaat proberen.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] nemen afscheid.
[medeverdachte 1] zegt dat hij later nog een keer zal bellen.
Bijlage 13: een tapgesprek d.d. 14 december 2017, 19:46:16 uur, sessienummer 9572, dossierpagina 392, voor zover inhoudende:
Beller: [telefoonnummer 3]
Gebelde: [telefoonnummer 4]
[medeverdachte 3] zegt waarom hij moest bellen
Nnman zegt dat hij nog aan het wachten is op iemand en vraagt aan [medeverdachte 3] of hij zijn kant op kan komen.
[medeverdachte 3] vraagt waar hij moet zijn.
[medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 3] de [a-straat] moet rijden en tegenover café internationaal moet parkeren.
[medeverdachte 4] zegt dat hij dan naar [medeverdachte 3] toe komt.
[medeverdachte 3] zegt dat hij naar [medeverdachte 4] gaat
Bijlage 14: een tapgesprek d.d. 14 december 2017, 20:01:06 uur, sessienummer 9583, dossierpagina 393, voor zover inhoudende:
Beller: [telefoonnummer 3] , naam: [medeverdachte 3]
Gebelde: [telefoonnummer 4] , naam: [codenaam medeverdachte 4]
[medeverdachte 3] vraagt of [medeverdachte 4] naar buiten komt.
[medeverdachte 4] zegt dat hij nu naar buiten loopt.
[medeverdachte 3] zegt dat hij nu bij [A] rijdt
[medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 3] de [a-straat] in moet rijden en dan de auto op de eerste parkeerplaats aan zn rechterkant moet parkeren
Verbinding wordt verbroken.
(...)
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2017, dossierpagina’s 162 tot en met 167, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
[telefoonnummer 4] gebruiker [medeverdachte 4]
Uit onderzoek ZBRAB17002 Agrinion blijkt dat zowel [medeverdachte 2] en [verdachte] als [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) [medeverdachte 3] vanaf 29 november 2017 telefonisch contact hebben met een [medeverdachte 4] op het [telefoonnummer 4] .
[medeverdachte 4]
Uit onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem genaamd BVH zou [medeverdachte 4] kunnen zijn [medeverdachte 4] , geboren [geboortedatum] 1992 te [plaats] .
Inbeslagname 15 biljetten 500 euro
Ik zag in het bedrijfsprocessensysteem dat op 16 december 2017 omstreeks 02.28 uur een mutatie is opgemaakt waarin staat dat [medeverdachte 4] , geboren [geboortedatum] 1992 te [plaats] en wonende [b-straat 1] te [plaats] , is aangehouden wegens overtreding van zijn schorsende voorwaarden. Ik zag dat bij zijn insluitingsfouillering onder meer 15 briefjes van 500 euro zijn aangetroffen.
Vals geld
Uit opgenomen telefoongesprekken blijkt dat deze 500 eurobiljetten vermoedelijk vals zijn en eerst in het bezit waren van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Dit blijkt uit onderstaande opgenomen telefoongesprekken uit het onderzoek ZBRAB 17002 Agrinion;
15 stuks leveren
Op 13 december 2017 omstreeks 17.07.07 uur wordt het [telefoonnummer 3] , in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) [medeverdachte 3] , gebeld door een [medeverdachte 4] met het [telefoonnummer 4] .
In het gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
[medeverdachte 4] (N): wat ik jou laatst vroeg?
[medeverdachte 3] (D): ja, 15 stuks.
[medeverdachte 4] . Euh.. gaat... hoeveel heeft ie er liggen?
[medeverdachte 3] : 15.
[medeverdachte 4] : Is dat alles wat ie heeft liggen?
[medeverdachte 3] : jajaja.
[medeverdachte 4] : Oke, euh... ook van die kleine?
[medeverdachte 3] : Wa... nee nee, alleen die grote.
[medeverdachte 4] . oke, oke, wanneer ken ik jou zien?
[medeverdachte 3] : Ja, weet ik niet maat jij moet dat zeggen... euh morgen?
[medeverdachte 4] . Euh... 100% zeker?
[medeverdachte 3] : Welja, morgen of vrijdag maakt mij niet uit.
[medeverdachte 4] : ja het liefst... liever vandaag als morgen snapje wat ik bedoel?
[medeverdachte 3] : Oh. jajaja. doe maar morgen.
[medeverdachte 4] : Oke, dan euh.. rond hoe laat ongeveer?
[medeverdachte 3] : euh, bel maar rond de middag. Als ik dan niet huis ben dan regelen zij dat wel.
[medeverdachte 4] : oke is goed dan euh.. moet ik gewoon naar dit nummer bellen dan?
[medeverdachte 3] : welk?
[medeverdachte 4] . Naar deze nummer gewoon bellen?
[medeverdachte 3] : Jo, jot jot, dat is van [verdachte] dit nummer.
[medeverdachte 4] . oke, dat is goed dan.
[medeverdachte 3] : is goed.
Op 14 december 2017 omstreeks 13.46.02 uur wordt gebeld door het [telefoonnummer 1] , het telefoonnummer van [B] bv, naar het [telefoonnummer 2] , dit telefoonnummer is in gebruik bij [medeverdachte 2] .
In het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] , de gebruiker van het [telefoonnummer 1] , en [medeverdachte 2] wordt het telefoongesprek overgenomen door [verdachte] . Tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] wordt er onder andere gesproken over 15 postzegels.
(Hoge Raad: er volgt een weergave van het gesprek zoals weergegeven in Bijlage 12 bij bewijsmiddel 2.)
Op basis van bovenstaand gesprek wordt met 15 postzegels hoogst waarschijnlijk bedoelt; 15 biljetten van 500 euro. Degene die deze krijgt kan hiermee 15 x 500 euro = 7500 euro uitgeven.
Op 14 december 2017 omstreeks 19.11.49 uur belt het [telefoonnummer 4] naar het [telefoonnummer 3]
[medeverdachte 4] vraagt aan [verdachte] of zij naar [plaats] kan komen.
[verdachte] zegt dat ze geen auto heeft.
[medeverdachte 4] vraagt of [medeverdachte 2] dan kan komen
[verdachte] zegt dat dat ook niet gaat
[verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] naar hun kan komen.
[medeverdachte 4] zegt dat hij nog op iemand aan het wachten is en dat dat nog wel een half uur, drie kwartier kan duren.
[medeverdachte 4] zegt dat hij wel zal wachten tot die gene er is en dat hij dan hun kant op komt.
[medeverdachte 4] vraagt of het toch wel 15 hele zijn.
[verdachte] zegt dat dat klopt
[medeverdachte 4] zegt dat het dan goed is
Overdracht
Hoogstwaarschijnlijk worden op 14 december 2017 de 15 biljetten van 500 euro overgedragen aan [medeverdachte 4] door [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) [medeverdachte 3] . Dit blijkt uit onderstaande gesprekken:
(Hoge Raad: er volgt een weergave van het gesprek zoals weergegeven in Bijlage 14 bij bewijsmiddel 2.)
Op 18 december 2017 omstreeks 12.41.02 uur belt het [telefoonnummer 5] naar het [telefoonnummer 3]
[verdachte] : zegt dat die [medeverdachte 4] vast zit.
[medeverdachte 3] : vraagt waarvoor.
[verdachte] ; Ja, dat weet gij wel toch?
[medeverdachte 3] : Ja voor die dingen? Wat is daarmee dan? Niet mijn probleem toch of wel?
[verdachte] : Nee.
[medeverdachte 3] : Nou dan.
[verdachte] : Ja.
[medeverdachte 3] : Dat zon mongool (ntv...) Waar ben jij?
Detentiegegevens [medeverdachte 4]
Uit onderzoek naar de detentiegegevens van [medeverdachte 4] blijkt dat deze gedetineerd zit in PI Vught. Dit is ook de PI waar [medeverdachte 1] gedetineerd zit.
Onderzoek inbeslaggenomen 15 biljetten 500 euro
De 15 briefjes van 500 euro uit de insluitingsfouillering van [medeverdachte 4] zijn inbeslaggenomen en overgedragen aan de afdeling Forensische recherche voor onderzoek op echtheid en eventuele dactyloscopische sporen.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:
“Uit de hierboven bedoelde bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Op 14 december 2017 omstreeks 13:46 uur spreekt [medeverdachte 1] telefonisch met de verdachte over de verkoop van “postzegels” (het hof begrijpt: valse bankbiljetten) aan [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ). Tijdens dit gesprek heeft [medeverdachte 1] het over een totaalbedrag van € 3.200,00, waarop de verdachte tegen [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 4] al € 100,00 betaald heeft. [medeverdachte 1] zegt vervolgens tegen de verdachte dat hij tegen [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: de [medeverdachte 5] ) heeft gezegd dat het akkoord is als ze hem (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) 15 postzegels geeft. [medeverdachte 1] zegt daarnaast tegen de verdachte dat de "postzegels" normaal een rug kosten en dat hij er dan € 7.500,00 mee wit kan maken. Vervolgens wordt de verdachte op voornoemde datum omstreeks 19:11 uur gebeld door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vraagt aan de verdachte of zij naar [plaats] kan komen en of het 15 "hele" zijn. Dit laatste wordt door de verdachte bevestigd.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat, in het bijzonder gezien de onderlinge taakverdeling tussen de verdachte en de anderen, de wetenschap en bekendheid bij een ieder over de term "postzegels" en verdachtes (regisserende) rol op belangrijke momenten waaronder het directe contact met [medeverdachte 1] over de gang van zaken alsmede met [medeverdachte 4] over de verkoop van deze zogenoemde “postzegels”, er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten, waarbij de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was.”
2.3
Artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Hij die opzettelijk als echte en onvervalste muntspeciën of munt- of bankbiljetten uitgeeft muntspeciën of munt- of bankbiljetten die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4.1
Voor het – als pleger – ‘in voorraad hebben’ van valse bankbiljetten in de zin van artikel 209 Sr is vereist dat de verdachte de valse bankbiljetten opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de valse bankbiljetten, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van die bankbiljetten (waaronder begrepen de hoeveelheid) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
2.4.2
Als het medeplegen van het in voorraad hebben van (onder meer) valse bankbiljetten in de zin van artikel 209 Sr is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het in voorraad hebben van die bankbiljetten. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van die bankbiljetten, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van die bankbiljetten (waaronder begrepen de hoeveelheid) of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over de valse bankbiljetten heeft kunnen uitoefenen in de onder 2.4.1 weergegeven zin. (Vgl., over het medeplegen van het voorhanden hebben in de zin van artikel 420bis Sr, HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112.)
2.5.1
Het hof heeft in zijn bewijsvoering de volgende vaststellingen gedaan. Op 13 december 2017 voerde de [medeverdachte 3] met de telefoon van de verdachte een gesprek met [medeverdachte 4] . In dat telefoongesprek informeerde [medeverdachte 4] “hoeveel heeft ie er liggen”, waarop [medeverdachte 3] “15” antwoordde. Verder maakten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] een afspraak om elkaar de volgende dag te zien. Daarover merkte [medeverdachte 3] op: “bel maar rond de middag. Als ik dan niet thuis ben dan regelen zij dat wel.” Daarnaast merkte [medeverdachte 3] desgevraagd op dat [medeverdachte 4] kon bellen naar “dit nummer” van de verdachte. De verdachte sprak op 14 december 2017 telefonisch met de [medeverdachte 1] over de verkoop van valse bankbiljetten (“postzegels”) aan [medeverdachte 4] . Daarbij spraken de verdachte en [medeverdachte 1] over de verkoopprijs voor vijftien valse bankbiljetten en over een aanbetaling die door [medeverdachte 4] was gedaan. Op dezelfde dag is de verdachte gebeld door [medeverdachte 4] en heeft [medeverdachte 4] gevraagd of het vijftien “hele” zijn – op welke vraag door de verdachte bevestigend is geantwoord – en of de verdachte naar [plaats] zou kunnen komen. De verdachte antwoordde dat ze geen auto had en op de vraag van [medeverdachte 4] of de [medeverdachte 5] dan kon komen, antwoordde de verdachte dat dat ook niet ging. Vervolgens vroeg de [medeverdachte 4] of hij “naar hun kan komen”, waarop [medeverdachte 4] bevestigend antwoordde. Ongeveer vijftig minuten later werd [medeverdachte 4] gebeld door [medeverdachte 3] , die de telefoon van de verdachte gebruikte. [medeverdachte 4] gaf in dat gesprek aanwijzingen aan [medeverdachte 3] over de plaats waar [medeverdachte 3] moest parkeren. Op 16 december 2017 is door de politie een mutatie opgemaakt die inhoudt dat [medeverdachte 4] is aangehouden en dat bij zijn insluitingsfouillering onder meer vijftien briefjes van 500 euro zijn aangetroffen.
2.5.2
Het hof heeft tegen de achtergrond van deze vaststellingen overwogen dat – in het bijzonder gezien de onderlinge taakverdeling tussen de verdachte en de mededaders, de wetenschap en bekendheid bij een ieder over de term “postzegels” en de (regisserende) rol van de verdachte op belangrijke momenten waaronder het directe contact met [medeverdachte 1] over de gang van zaken alsmede met [medeverdachte 4] over de verkoop van deze “postzegels” – sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar mededaders, waarbij de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was. Het in deze overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het in voorraad hebben van valse bankbiljetten, is in het licht van wat onder 2.4.2 is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.
Conclusie 02‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen opzettelijk in voorraad hebben van valse bankbiljetten met oogmerk deze als echt en onvervalst uit te geven (art. 209 Sr). Eerste middel klaagt tevergeefs over oordeel hof dat intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte aan tenlastegelegde feit van voldoende gewicht is geweest. Slagend tweede middel over overschrijding redelijke termijn in cassatie leidt niet tot cassatie gezien voorwaardelijke karakter van opgelegde taakstraf. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04086
Zitting 2 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 17 oktober 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1.wegens “medeplegen van opzettelijk bankbiljetten waarvan de valsheid hen, toen zij ze ontvingen, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.
1.2
Namens de verdachte heeft F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt over het bewezenverklaarde medeplegen van het in voorraad hebben van vervalste bankbiljetten van 500 euro als bedoeld in art. 209 Sr.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 14 mei 2017 tot en met 1 februari 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid hen, toen zij deze ontvingen bekend was met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft.”
2.3
Het hof heeft de volgende tapgesprekken tot het bewijs gebezigd:
“2. Proces-verbaal van verdenking, d.d. 13 maart 2018, dossierpagina’s 369 tot en met 372, met bijlagen voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
De verdenking blijkt uit het volgende:
Uit opgenomen en afgeluisterde gesprekken in het onderzoek Agrinion/Ayios Dimitrios zijn gesprekken afgeluisterd waardoor de indruk wordt gewekt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over vals geld spreken en deze ook in bezit hebben.
Postzegels
Hieronder zijn een aantal gesprekken (het hof: bijlagen 1 tot en met 10) weergegeven waarin over "postzegels" wordt gesproken. [medeverdachte 1] : " [medeverdachte 1] " genoemd, [medeverdachte 2] " [medeverdachte 2] ", [medeverdachte 3] " [medeverdachte 3] " en [verdachte] (het hof begrijpt hier steeds: de verdachte [verdachte] ) " [verdachte] ".
Levering vals geld aan [medeverdachte 4]
Er zijn plannen om 15 postzegels te verkopen aan een persoon die [medeverdachte 4] heet. Uit onderzoek blijkt dat deze persoon [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , is. Deze [medeverdachte 4] heeft telefonisch contact met [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] met betrekking tot de aankoop van deze valse bankbiljetten (het hof: bijlagen 11 tot en met 23).
[…]
Bijlage 11: een tapgesprek d.d. 13 december 2017, 17:07:07 uur sessienummer 9115, dossierpagina 389, voor zover inhoudende:
Beller: [telefoonnummer 1] , naam: [medeverdachte 3]
Gebelde: [telefoonnummer 2] , naam: [naam 1]
Na begroeting.
[medeverdachte 4] (N): wat ik jou laatst vroeg?
[medeverdachte 3] (D): ja, 15 stuks..
[medeverdachte 4] : Euh.. gaat... hoeveel heeft ie er liggen?
[medeverdachte 3] : 15.
[medeverdachte 4] : Is dat alles wat ie heeft liggen?
[medeverdachte 3] ja ja ja.
[medeverdachte 4] : Oke, euh... ook van die kleine?
[medeverdachte 3] : Wa... nee nee, alleen die grote.
[medeverdachte 4] : oke, oke, wanneer ken ik jou zien?
[medeverdachte 3] : Ja, weet ik niet maat jij moet dat zeggen... euh morgen?
[medeverdachte 4] : Euh... 100% zeker.?
[medeverdachte 3] : Wel ja, morgen, of vrijdag maakt mij niet uit.
[medeverdachte 4] : ja het liefst... liever vandaag als morgen snap je wat ik bedoel?
[medeverdachte 3] : Oh. jajaja. doe maar morgen.
[medeverdachte 4] : Oke, dan euh., rond hoe laat ongeveer?
[medeverdachte 3] : euh, bel maar rond de middag. Als ik dan niet huis ben dan regelen zij dat wel.
[medeverdachte 4] : oke.is goed dan euh.. moet ik gewoon naar dit nummer bellen dan?
[medeverdachte 3] : welk?
[medeverdachte 4] : Naar deze nummer gewoon bellen?
[medeverdachte 3] : Jo, jot jot, dat is van [verdachte] dit nummer.
[medeverdachte 4] : oke, dat is goed dan.
[medeverdachte 3] : is goed.
[medeverdachte 4] : Is goed jongen.
Bijlage 12: een tapgesprek d.d. 14 december 2017, 13:46:02 uur, sessienummer 1502, dossierpagina’s 390 en 391, voor zover inhoudende:
Beller: [telefoonnummer 3] , naam: [medeverdachte 1]
Gebelde: [telefoonnummer 4] , naam: [medeverdachte 2]
neemt op en zegt dat ze met de belasting aan het bellen is.
[medeverdachte 1] zegt dat hij de advocaat heeft gebeld, om een afspraak te maken.
[medeverdachte 1] zegt dat de advocaat heeft geprobeerd om een afspraak voor vandaag te maken maar dat dat niet is gelukt, omdat het vol zat.
[medeverdachte 1] zegt dat de advocaat gaat proberen om nog deze week een afspraak te maken.
[medeverdachte 1] zegt dat hij tegen de advocaat heeft gezegd dat hij moet zeggen dat hij de vriendin van [medeverdachte 1] belt of stuurt.
Tijdens het gesprek is op de achtergrond te horen dat er een telefoon in de wacht staat bij de belastingdienst.
heeft last van haar maag.
Op de achtergrond is te horen dat er een telefoon overgaat.
[medeverdachte 1] vraagt wie er belt en of het die Marokkaan is.
denkt van wel.
[verdachte] komt aan de lijn
Woordelijk vanaf 02:59
[medeverdachte 1] : schatje wie er net heeft gebeld naar jou
[verdachte] : ja die [medeverdachte 4]
[medeverdachte 1] : wat moet hij hebben dan
[verdachte] : ja die postzegels... maar dan moet er eerst een goeie afspraak over gemaakt worden
en dat moet [medeverdachte 3] doen, ik nie
[medeverdachte 1] : postzegels? ik heb tegen [medeverdachte 2] gezegd wat ze moet zeggen eey
[verdachte] : o ja dat weet ik nie
[medeverdachte 1] : ik heb gezegd zoveel en niet meer, snapte wat ik bedoel.
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : en klaar afgelopen snapte ja toch
[verdachte] : ik heb het ook gezegd ik ga dat niet regelen dat moet tie maar lekker zelf doen tis voor mij wel goed
[medeverdachte 1] : om hoeveel geld ging het 3200 toch?
[verdachte] : ja maar hij eid al 100 euro betaald
[medeverdachte 1] : ik heb tegen [medeverdachte 2] gezegd luister goed as ze hem 15 van die postzegels geeft
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : 15 van die postzegels kost normaal een rug om te kopen, dan kan hij 7500 euro wit geld maken.
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : snapte te
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : das dubbele
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : en dan ist klaar..afgelopen oprotten niet meer aan het erf komen
[verdachte] : ja.
[medeverdachte 1] : dan hebben we een rug betaald eey dat kost een rug eey normaal... snapte..
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : snel van dat erf afkomen met je kankerfamilie.
[medeverdachte 1] : en als tie zegt Neke... ik koop van Neke 50 euro weetje wat hij bij mij betaald heb allemaal
[verdachte] : nee want [medeverdachte 3] hebt het al gezegd
[medeverdachte 1] : 125
[verdachte] : da kan nie zei [medeverdachte 3] tegen zijn
[medeverdachte 1] : hoe kan dat nou ik ga toch .. zelf niet met verlies verkopen
[verdachte] : nee
[medeverdachte 1] : ze kosten mij drie geeltjes snapte en ik verkocht ze voor een meier of 125... ik heb zijn voor 125 verkocht ik heb er voor hem 3, 4 keer verkocht snapte.
[medeverdachte 1] ..ntv.. met die postzegels en klaar niet meer aan de erf nie meer komen., klaar..hij kan van mij..van die 15 postzegels kan hij zeven en half roojtje wit geld maken. Snapte wat ik bedoel
[verdachte] : ik zal [medeverdachte 3] trouwens eens bellen ook, ....hier heb je [medeverdachte 2] terug
[medeverdachte 1] : zegt het maar tegen [medeverdachte 3] eey
[verdachte] : ja ik ga dat gelijk doen
[medeverdachte 2] komt weer aan de lijn.
[medeverdachte 2] heeft ondertussen op andere telefoongesprek met Belastingdienst.
Op de achtergrond is stem van een vrouw van de Belastingdienst te horen, gesprek gaat over stopzetten van de toeslag en opnieuw aanvragen.
Gesprek gaat verder tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]
Gesprek gaat over ouder worden. [medeverdachte 2] zegt dat [naam 2] had gezegd dat ze er oud uitziet.
[medeverdachte 1] zegt dat hij [naam 2] al van het begin niet mocht. [naam 2] is een stiekem mannetje..
[medeverdachte 1] vindt [medeverdachte 2] hét knapste wijf van [plaats] en omstreken.
Gesprek gaat verder over [naam 2] . Die moet zich niet met hun bemoeien.
Gesprek gaat verder over casino van [plaats]
[medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 2] dat ze daar niet moet wegblijven, maar ook niét 2 of 3 keer per week naar toe moet gaan. 1 keer per week of 2 keer in de veertien dagen even je laten zien is ook goed.
Gesprek gaat verder het afluisteren. Dat de afluisteraars alleen maar het ophalen van de rolluiken horen.
[medeverdachte 1] zegt dat bij die […] dat vrouwke tweede kerstdag bezoek komt.
[medeverdachte 1] zegt dat die […] posttraumatisch stresssyndroom heeft.
[medeverdachte 2] én [medeverdachte 1] weten niet wat dat is.
[medeverdachte 1] vraagt of [verdachte] [medeverdachte 3] nog te pakken heeft gehad.
[verdachte] zegt dat dat niet is gelukt.
[medeverdachte 2] zegt dat ze die vent heeft geappt voor die horloge, maar die reageert niet.
[medeverdachte 1] vraagt of het die Marokkaan is
[medeverdachte 2] zegt dat ze het straks nog een keer gaat proberen.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] nemen afscheid.
[medeverdachte 1] zegt dat hij later nog een keer zal bellen.
Bijlage 13: een tapgesprek d.d. 14 december 2017, 19:46:16 uur, sessienummer 9572,
dossierpagina 392, voor zover inhoudende:
Beller: [telefoonnummer 1]
Gebelde: [telefoonnummer 2]
[medeverdachte 3] zegt waarom hij moest bellen
[…] zegt dat hij nog aan het wachten is op iemand en vraagt aan [medeverdachte 3] of hij zijn kant op kan komen.
[medeverdachte 3] vraagt waar hij moet zijn.
[medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 3] de [a-straat] moet rijden en tegenover café internationaal moet parkeren.
[medeverdachte 4] zegt dat hij dan naar [medeverdachte 3] toe komt.
[medeverdachte 3] zegt dat hij naar [medeverdachte 4] gaat
Bijlage 14: een tapgesprek d.d. 14 december 2017, 20:01:06 uur, sessienummer 9583, dossierpagina 393, voor zover inhoudende:
Beller: [telefoonnummer 1] , naam: [medeverdachte 3]
Gebelde: [telefoonnummer 2] , naam: [naam 1]
[medeverdachte 3] vraagt of [medeverdachte 4] naar buiten komt.
[medeverdachte 4] zegt dat hij nu naar buiten loopt.
[medeverdachte 3] zegt dat hij nu bij [A] rijdt
[medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 3] de [a-straat] in moet rijden en dan de auto op de eerste parkeerplaats aan zn rechterkant moet parkeren
Verbinding wordt verbroken.
[…]
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2017, dossierpagina’s 162 tot en met 167, voor zóver inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Telefoonnummer [telefoonnummer 2] gebruiker [medeverdachte 4]
Uit onderzoek ZBRAB17002 Agrinion blijkt dat zowel [medeverdachte 2] en [verdachte] als [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) [medeverdachte 3] vanaf 29 november 2017 telefonisch contact hebben met een [medeverdachte 4] op het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
[medeverdachte 4]
Uit onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem genaamd BVH zou [medeverdachte 4] kunnen zijn [medeverdachte 4] , geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] .
Inbeslagname 15 biljetten 500 euro
Ik zag in het bedrijfsprocessensysteem dat op 16 december 2017 omstreeks 02.28 uur een mutatie is opgemaakt waarin staat dat [medeverdachte 4] , geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] en wonende [b-straat 1] te [plaats], is aangehouden wegens overtreding van zijn schorsende voorwaarden. Ik zag dat bij zijn insluitingsfouillering onder meer 15 briefjes van 500 euro zijn aangetroffen.
Vals geld
Uit opgenomen telefoongesprekken blijkt dat deze 500 eurobiljetten vermoedelijk vals zijn en eerst in het bezit waren van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Dit blijkt uit onderstaande opgenomen telefoongesprekken uit het onderzoek ZBRAB 17002 Agrinion;
15. stuks leveren
Op 13 december 2017 omstreeks 17.07.07 uur wordt het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) [medeverdachte 3] , gebeld door een [medeverdachte 4] met het telefoonnummer [telefoonnummer 6] .
In het gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
[medeverdachte 4] (N): wat ik jou laatst vroeg?
[medeverdachte 3] (D): ja, 15 stuks.
[medeverdachte 4] . Euh.. gaat... hoeveel heeft ie er liggen?
[medeverdachte 3] : 15.
[medeverdachte 4] : Is dat alles wat ie heeft liggen?
[medeverdachte 3] : jajaja.
[medeverdachte 4] : Oke, euh... ook van die kleine?
[medeverdachte 3] : Wa... nee nee, alleen die grote.
[medeverdachte 4] . oke, oke, wanneer ken ik jou zien?
[medeverdachte 3] : Ja, weet ik niet maat jij moet dat zeggen... euh morgen?
[medeverdachte 4] . Euh... 100% zeker?
[medeverdachte 3] : Welja, morgen of vrijdag maakt mij niet uit.
[medeverdachte 4] : ja het liefst... liever vandaag als morgen snapje wat ik bedoel?
[medeverdachte 3] : Oh. jajaja. doe maar morgen.
[medeverdachte 4] : Oke, dan euh.. rond hoe laat ongeveer?
[medeverdachte 3] : euh, bel maar rond de middag. Als ik dan niet huis ben dan regelen zij dat wel.
[medeverdachte 4] : oke is goed dan euh.. moet ik gewoon naar dit nummer bellen dan?
[medeverdachte 3] : welk?
[medeverdachte 4] . Naar deze nummer gewoon bellen?
[medeverdachte 3] : Jo, jot jot, dat is van [verdachte] dit nummer.
[medeverdachte 4] . oke, dat is goed dan.
[medeverdachte 3] : is goed.
Op 14 december 2017 omstreeks 13.46.02 uur wordt gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , het telefoonnummer van [B] Nederland bv, naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4] , dit telefoonnummer is in gebruik bij [medeverdachte 2] .
In het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] , de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , en [medeverdachte 2] wordt het telefoongesprek overgenomen door [verdachte] . Tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] wordt er onder andere gesproken over 15 postzegels.
[medeverdachte 1] : schatje wie er net heeft gebeld naar jou
[verdachte] : ja die [medeverdachte 4]
[medeverdachte 1] : wat moet hij hebben dan
[verdachte] : ja die postzegels... maar dan moet er eerst een goeie afspraak over gemaakt worden en dat moet [medeverdachte 3] doen, ik nie
[medeverdachte 1] : postzegels? ik heb tegen [medeverdachte 2] gezegd wat ze moet zeggen eey
[medeverdachte 1] : ik heb gezegd zoveel en niet meer, snapte wat ik bedoel.
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : en klaar afgelopen snapte ja toch
[verdachte] : ik heb het ook gezegd ik ga dat niet regelen dat moet tie maar lekker zelf doen tis voor mij wel goed
[medeverdachte 1] : om hoeveel geld ging het 3200 toch?
[verdachte] : ja maar hij had al 100 euro betaald
[medeverdachte 1] : ik heb tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd luister goed as ze hem 15 van die postzegels geeft, [verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : 15 van die postzegels kost normaal een rug om te kopen, dan kan hij 7500 euro wit geld maken maken.
[verdachte] : ja
[medeverdachte 1] : snapte te
[verdachte] : ja.
[medeverdachte 1] : das dubbele
[verdachte] : ja
Op basis van bovenstaand gesprek wordt met 15 postzegels hoogst waarschijnlijk bedoelt; biljetten van 500 euro. Degene die deze krijgt kan hiermee 15 x 500 euro = 7500 euro uitgeven.
Op 14 december 2017 omstreeks 19.11.49 uur belt het telefoonnummer [telefoonnummer 2] naar het telefoonnummer [telefoonnummer 1]
[medeverdachte 4] vraagt aan [verdachte] of zij naar [plaats] kan komen.
[verdachte] zegt dat ze geen auto heeft.
[medeverdachte 4] vraagt of [medeverdachte 2] dan kan komen
[verdachte] zegt dat dat ook niet gaat
[verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] naar hun kan komen.
[medeverdachte 4] zegt dat hij nog op iemand aan het wachten is en dat dat nog wel een half uur, drie kwartier kan duren.
[medeverdachte 4] zegt dat hij wel zal wachten tot die gene er is en dat hij dan hun kant op komt.
[medeverdachte 4] vraagt of het toch wel 15 hele zijn.
[verdachte] zegt dat dat klopt.
[medeverdachte 4] zegt dat het dan goed is.
Overdracht.
Hoogstwaarschijnlijk worden op 14 december 2017 de 15 biljetten Van 500 euro overgedragen aan [medeverdachte 4] door [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) [medeverdachte 3] . Dit blijkt uit onderstaande gesprekken;
Op 14 december 2017 omstreeks 20.01.06 uur belt het telefoonnummer [telefoonnummer 1] naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
[medeverdachte 3] vraagt of [medeverdachte 4] naar buiten komt.
[medeverdachte 4] zegt dat hij nu naar buiten loopt.
[medeverdachte 3] zegt dat hij nu bij [A] rijdt
[medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 3] de [a-straat] in moet rijden en dan de auto op de eerste parkeerplaats aan zn rechterkant moet parkeren.
Op 18 december 2017 omstreeks 12.41.02 uur belt het telefoonnummer [telefoonnummer 5] naar het
telefoonnummer [telefoonnummer 1] .
[verdachte] : zegt dat die [medeverdachte 4] vast zit.
[medeverdachte 3] : vraagt waarvoor.
[verdachte] ; Ja, dat weet gij wel toch?
[medeverdachte 3] : Ja voor die dingen? Wat is daarmee dan? Niet mijn probleem toch of wel?
[verdachte] : Nee.
[medeverdachte 3] : Nou dan.
[verdachte] : Ja.
[medeverdachte 3] : Dat zon mongool (.ntv..) Waar ben jij?
Detentiegegevens [medeverdachte 4]
Uit onderzoek naar de detentiegegevens van [medeverdachte 4] blijkt dat deze gedetineerd zit in PI […] . Dit is ook de PI waar [medeverdachte 1] gedetineerd zit.
Onderzoek inbeslaggenomen 15 biljetten 500 euro
De 15 briefjes van 500 euro uit de insluitingsfouillering van [medeverdachte 4] zijn inbeslaggenomen en overgedragen aan de afdeling
2.4
Voorts heeft het hof – voor zover hier van belang – de volgende bewijsoverweging ten aanzien van het medeplegen in het arrest opgenomen:
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals verwoord in de pleitnota – in de kern aangevoerd dat er:
1. geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Voor zover je al van enige bijdrage van de verdachte kunt spreken, is dit volgens de raadsman niet een bijdrage van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen;
2. […].
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ad 1: Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de hierboven bedoelde bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Op 14 december 2017 omstreeks 13:46 uur spreekt medeverdachte [medeverdachte 1] telefonisch met de verdachte over de verkoop van “postzegels” (het hof begrijpt: valse bankbiljetten) aan [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] : [medeverdachte 4]). Tijdens dit gesprek heeft medeverdachte [medeverdachte 1] het over een totaalbedrag van € 3.200,00, waarop de verdachte tegen [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 4] al € 100,00 betaald heeft. Medeverdachte [medeverdachte 1] zegt vervolgens tegen de verdachte dat hij tegen [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 2]) heeft gezegd dat het akkoord is als ze hem (het hof begrijpt: [medeverdachte 4]) 15 postzegels geeft. Medeverdachte [medeverdachte 1] zegt daarnaast tegen de verdachte dat de "postzegels" normaal een rug kosten en dat hij er dan € 7.500,00 mee wit kan maken. Vervolgens wordt de verdachte op voornoemde datum omstreeks 19:11 uur gebeld door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vraagt aan de verdachte of zij naar [plaats] kan komen en of het 15 "hele" zijn. Dit laatste wordt door de verdachte bevestigd.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat, in het bijzonder gezien de onderlinge taakverdeling tussen de verdachte en de anderen, de wetenschap en bekendheid bij eenieder over de term "postzegels" en verdachtes (regisserende): rol op belangrijke momenten waaronder het directe contact met medeverdachte [medeverdachte 1] over de gang van zaken alsmede met [medeverdachte 4] over de verkoop van deze zogenoemde “postzegels”, er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten, waarbij de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was.
Ad 2: […]
Het verweer wordt in af zijn onderdelen verworpen.”
2.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachtes bijdrage aan het tenlastegelegde feit slechts heeft bestaan uit het doorgeven van inlichtingen aan medeverdachte [medeverdachte 4] door hem te vragen naar een bepaalde plaats te komen voor het overdragen van de valse geldbiljetten. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde feit van voldoende gewicht is geweest onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
2.6
Het gaat in de onderhavige zaak om het medeplegen van het in voorraad hebben van vervalste bankbiljetten – waarvan de valsheid de verdachten, toen zij deze ontvingen, bekend was – met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. Het lijkt mij dat ‘in voorraad hebben’ ook gezien de wetsgeschiedenis2.dezelfde betekenis heeft als ‘voorhanden hebben’. Wat mij betreft ligt het derhalve in de rede om bij de uitleg van de reikwijdte van het begrip ‘in voorraad hebben’ aansluiting te zoeken bij de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent het voorhanden hebben in de zin van art. 420bis Sr. Dit betekent dat voor het medeplegen van het in voorraad hebben, “moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp”, hetgeen vereist dat de verdachte zich bewust is van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp.3.Deze bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken, waaronder begrepen de omvang van het geldbedrag, of de exacte locatie daarvan. Ook moet vaststaan dat de verdachte tezamen met zijn mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen.4.
2.7
Ter concretisering van het voorgaande merk ik op dat het medeplegen van het in voorraad hebben een nogal passief5.gebeuren kan zijn. Ik meen, net zoals mijn voormalig ambtgenoot AG Hofstee heeft betoogd in het kader van het medeplegen van het aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet, dat volstaat dat aan het gezamenlijk in voorraad hebben een stilzwijgende afspraak ten grondslag ligt. Uit de bewijsmiddelen moeten feiten en omstandigheden blijken die grond bieden voor het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat zijn medeverdachte(n) op de hoogte was (of waren) van de aanwezigheid van de valse valuta. De rechter kan dan middels een bewijsredenering de samenwerkingsopzet vaststellen. Een dergelijke samenwerkingsopzet kan ook in de bewijsvoering besloten liggen.6.
2.8
Uit de tot het bewijs gebezigde tapgesprekken blijkt het volgende.
i) Op 13 december 2017 omstreeks 17.00 uur wordt de telefoon die in gebruik is bij de verdachte door [medeverdachte 4] (de uiteindelijke ontvanger van de valse bankbiljetten) gebeld. Medeverdachte [medeverdachte 3] neemt de telefoon op. In dit gesprek informeert [medeverdachte 4] naar de hoeveelheid valse biljetten die voorhanden zijn en wanneer hij [medeverdachte 3] kan zien. [medeverdachte 3] geeft aan dat hij de volgende dag kan bellen op hetzelfde nummer en dat ingeval hij niet thuis is “zij” het wel regelen. Vervolgens deelt hij aan [medeverdachte 4] mede dat het nummer dat [medeverdachte 4] heeft gebeld van de verdachte is.
ii) Op 14 december 2017 rond kwart voor twee belt de verdachte nadat zij het telefoongesprek heeft overgenomen van [medeverdachte 2] met medeverdachte [medeverdachte 1] . Verdachte geeft aan dat [medeverdachte 4] haar net heeft gebeld over “postzegels” (de valse biljetten) en dat daar een afspraak over moet worden gemaakt, maar dat [medeverdachte 3] dat moet doen en niet zij. [medeverdachte 1] vraagt om hoeveel geld het gaat (DP: ik begrijp dat hier wordt gedoeld op het bedrag dat [medeverdachte 4] zal moeten betalen voor het nepgeld) en suggereert dat het € 3200 is; verdachte antwoordt instemmend, maar merkt op dat hij (DP: ik begrijp [medeverdachte 4]) al € 100 euro heeft betaald. Ze geeft ook aan [medeverdachte 3] te zullen bellen; even later geeft zij aan [medeverdachte 1] aan dat dit niet is gelukt.
iii) Op 14 december 2017 rond tien over zeven ‘s avonds belt [medeverdachte 4] met de verdachte en vraagt haar of zij naar [plaats] kan komen. Verdachte antwoordt dat zij geen auto heeft en dat medeverdachte [medeverdachte 2] ook niet kan komen en verzoekt [medeverdachte 4] naar hen toe te komen. [medeverdachte 4] vraagt of het vijftien “hele” zijn (DP: ik begrijp vijftien briefjes van € 500) en verdachte bevestigt dit.
iv) Op 14 december 2017 rond kwart voor acht en om acht uur spreekt [medeverdachte 3] tweemaal met [medeverdachte 4] over hun ontmoeting. In het eerste gesprek vraagt hij bij welke straat hij precies moet zijn; in het tweede gesprek vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 4] of hij naar buiten komt.
v) Op 18 december 2017 belt verdachte met [medeverdachte 3] en vertelt zij hem dat [medeverdachte 4] vastzit. [medeverdachte 3] vraagt waarom en de verdachte antwoordt: “dat weet gij wel toch”.
2.9
De vraag in cassatie is of uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het in voorraad hebben van valse bankbiljetten van € 500. Ik meen van wel. Dat de verdachte zich bewust was van de waarschijnlijke aanwezigheid van het valse geld staat vast. Ze heeft immers meerdere malen met haar medeverdachten en de uiteindelijke afnemer gesproken over het valse geld en ook de hoeveelheid. Dat zij ook feitelijke beschikkingsmacht had over de biljetten kan eveneens uit de bewijsvoering worden afgeleid. Zo heeft de verdachte kort voor de levering van de biljetten aan [medeverdachte 4] door medeverdachte [medeverdachte 3] een gesprek gehad met [medeverdachte 4] en hem gevraagd of hij naar hen toe kan komen, kennelijk voor de levering. Dit brengt mee dat uit de bewijsvoering blijkt dat de biljetten klaarblijkelijk gereed lagen en dus in voorraad waren om aan [medeverdachte 4] te worden afgegeven en dat de verdachte hier dus feitelijke beschikkingsmacht over had. Dat de levering uiteindelijk nog geen uur later heeft plaatsgevonden door [medeverdachte 3] en niet door de verdachte, doet wat mij betreft niet af aan het voorgaande, nu de kern van de in art. 209 Sr vervatte strafbepaling het in voorraad hebben is. Het uitgeven of doen uitgeven is slechts een bestanddeel waar het oogmerk van de verdachte op moet zijn gericht. Het is in het kader van het medeplegen, anders dan de steller van het middel impliceert, dus niet vereist dat de verdachte ook een voldoende significante bijdrage aan het afleveren van de geldbedragen heeft geleverd. In het onderhavige geval hebben zowel de verdachte als haar mededaders blijkens de tapgesprekken het oogmerk gehad de biljetten aan [medeverdachte 4] te leveren en heeft het hof niet onbegrijpelijk vastgesteld dat sprake was van een onderlinge taakverdeling. Kennelijk heeft het hof hiermee tot uitdrukking willen brengen dat een gezamenlijk plan bestond om de biljetten aan [medeverdachte 4] te verkopen.
2.10
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Deze klacht is terecht voorgesteld. Namens de verdachte is op 18 oktober 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 januari 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, hetgeen betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met ruim zeven maanden. Nu de aan de verdachte opgelegde taakstraf geheel voorwaardelijk is opgelegd, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.7.
4. Slotsom
4.1
Het eerste middel faalt en het tweede middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie. Nu de verdachte in eerste aanleg door de rechtbank is vrijgesproken van het tenlastegelegde, het hof in hoger beroep tot een veroordeling is gekomen en in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en bewezenverklaring van dit feit door het hof, ligt afdoening van het middel met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering niet in de rede.8.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM zal worden overschreden als de Hoge Raad uitspraak doet meer dan twee jaren nadat op 18 oktober 2023 het cassatieberoep is ingesteld.9.Ook hier geldt dat in dat geval kan worden volstaan met de constatering van die overschrijding.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑09‑2025
In de memorie van toelichting wordt de term “voorhanden hebben” gebruikt. Zie Kamerstukken II, 2000/01, 27494, nr. 3, p. 4. Vgl. ook wat betreft het in voorraad hebben in de zin van art. 240b (oud) Sr Kamerstukken II, 1994/95, 23682, nr. 5, p. 17 waarin deze term aan de hand van de in de Van Dale gegeven definitie wordt omschreven als “een hoeveelheid van iets die voorhanden is, waarvan men gebruik kan maken, in het bijzonder een hoeveelheid goederen die in een winkel of een bedrijf voorhanden is”. Zie ook M. Scharenborg, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1886-2017), Deel II, p. 70.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.2.1.
HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, NJ 2024/123 m.nt. Jörg, r.o. 2.4.2. Met verwijzing naar HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938, NJ 2022/316 m.nt. K.K. Lindenberg.
Vgl. wat betreft het opzettelijk aanwezig hebben van Opiumwetmiddelen de conclusie van AG Knigge, PHR 4 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX4260 randnummer 4.6.
Vgl. de conclusie van voormalig AG Hofstee van 31 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:514, randnummer 14.
HR 17 juni, 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.3 en 3.6.2 onder c.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. Keijzer, r.o. 2.5.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.5.
Beroepschrift 12‑02‑2025
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
inzake
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats]
rekwirante van cassatie van een haar betreffend arrest van 17 oktober 2023 van het Gerechtshof Den Bosch in de zaak met parketnummer 20-001369-22
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt. Met name zijn geschonden de artt. 47 en 209 Sr en de artt. 350, 358, 359 en 415 Sv, aangezien het Hof het bewezenverklaarde ‘medeplegen’ van het opzettelijk in voorraad hebben van vervalste bankbiljetten van 500 euro als bedoeld in art. 209 Sr onbegrijpelijk, althans ontoereikend heeft gemotiveerd.
Toelichting
1.
Volgens het bestreden arrest acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat rekwirante het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat (arrest, p. 2):
‘zij in de periode van 14 mei 2017 tot en met 1 februari 2018 te [b-plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid hen, toen zij deze ontvingen bekend was met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft.’
2.
Blijkens zijn pleitnotities heeft de raadsman van rekwirante onder andere ten aanzien van het delictsbestanddeel ‘medeplegen’ een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen. Voor zover van belang luidt dit standpunt als volgt (pleitnotities, p. 2–5):
‘Vrijspraak: geen sprake van (mede)plegen
- 4.
Uit het dossier lijkt te volgen dat het initiatief om vals geld te verkopen bij [medeverdachte 1] ligt. Uit de gesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] blijkt dat hij haar instructies geeft over wat zij moet doen, bij wie zij het geld moet halen, waar zij het moet bewaren en aan wie zij het zou moeten aanbieden.
- 5.
Cliënte komt ten aanzien van deze verdenking voor het eerst in beeld op 14 december 2017 als zij [medeverdachte 1] spreekt over de postzegels.
- 6.
Uit dit gesprek en de later afgeluisterde gesprekken volgt dat cliënte wel op de hoogte was van het plan van [medeverdachte 1] om vals geld te verkopen en de mogelijke rol die andere medeverdachten daarin zouden spelen, maar niet dat zij daaraan een bijdrage heeft geleverd, laat staan een bijdrage van voldoende gewicht om de conclusie dat sprake is van medeplegen te rechtvaardigen.
- 7.
Allereerst is van belang dat zij de ten laste gelegde handelingen, te weten het in voorraad hebben, het ontvangen, vervoeren en zich verschaffen niet zelf heeft vervuld. Uit het dossier blijkt niet dat cliënte zelf de biljetten fysiek in bezit heeft gehad of dat zij zelfstandig een machtsrelatie had over de biljetten.
- 8.
[medeverdachte 1] noemt in de tapgesprekken een aantal personen waar het geld ondergebracht kan worden of waar het opgebaald moet worden. Cliënte wordt in dat kader niet genoemd.
- 9.
Voor wat betreft het medeplegen wil ik uw aandacht vragen voor enkele gesprekken uit het dossier:
‘Gesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 13 december 2017 (sessie 9115, pagina 389):
[medeverdachte 4]: Wat ik jou laatst vroeg?
[medeverdachte 3]: Ja, 15 stuks.
(…)
[medeverdachte 3]: Oh jajaja, doe maar morgen.
[medeverdachte 4]: Oké dan eub… rond hoe laat ongeveer?
[medeverdachte 3]: Euh, bel maar rond de middag. Als ik dan niet thuis ben dan regelen zij dat wel
[medeverdachte 4]: Oké is goed dan euh, moet ik gewoon naar dit nummer bellen dan?
[medeverdachte 3]: Welk?
[medeverdachte 4]: Naar deze nummer gewoon bellen?
[medeverdachte 3], Jo, jot, jot, dat is van [verdachte] dit nummer
Gesprek tussen [medeverdachte 1] en cliënte op 14 december 2017 (sessie 1502, pagina 390):
[medeverdachte 1]: Schatje wie heeft er gebeld naar jou?
[verdachte]: Ja die [medeverdachte 4]
[medeverdachte 1]: Wat moet hij hebben dan?
[verdachte]: Ja die postzegels… Maar dan moet er eerst een goeie afspraak over gemaakt worden en dat moet [medeverdachte 3] doen, ik nie
(…)
[verdachte]: Ik heb ook gezegd: ik ga dat niet regelen dat moet tie maar lekker zelf doen tis voor mij wel goed.’
Verder in het gesprek vraagt [medeverdachte 1] cliënte om nog iets aan [medeverdachte 3] door te geven, maar wat zij precies moet doorgeven en of zij dat op enig moment ook daadwerkelijk heeft doorgegeven volgt niet uit het dossier.
- 10.
Uit deze gesprekken volgt dat [medeverdachte 3] contact heeft met [medeverdachte 1] over de postzegels en dat [medeverdachte 3] aangeeft dat als hij er niet is ‘zij’ het wel regelen en dat [medeverdachte 4] naar het nummer van [verdachte] kan bellen. Een dag later zegt [verdachte] echter tegen [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] het moet regelen en zij niet. Zij heeft kennelijk zelfs expliciet gezegd dat zij het niet gaat regelen. [medeverdachte 3] heeft bij de rechter-commissaris ook verklaard dat cliënte hier niets mee te maken heeft.
- 11.
Op 14 december 2017 om 19:11 (sessie 9556, p. 576) belt [medeverdachte 4] weer naar [verdachte] en vraagt bij of zij of [medeverdachte 2] naar [a-plaats] kunnen komen. Cliënte geeft aan dat dat niet gaat en vraagt of [medeverdachte 4] naar [b-plaats] kan komen. [medeverdachte 4] zegt dat dat alleen later kan en vraagt of het 15 hele zijn. Cliënte geeft aan dat dat klopt.
- 12.
Vervolgens belt [medeverdachte 3] op 14 december 2017 om 19:46 (sessie 9572, p. 681), om 20:01 (sessie 9583, p. 682) en 20:04 (sessie 9584, p. 683) met [medeverdachte 4]. Uit de gesprekken volgt dat [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 4] is gereden en dat [medeverdachte 4] naar buiten komt.
- 13.
Een dag later, op 15 december 2017 (sessie 49622. p. 684), zegt [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] er 15 aan [medeverdachte 4] gegeven heeft, dat zij het eigenlijk zou regelen en dat hij maar aan de deur moest komen, maar dat bij ook geen auto had.
- 14.
Hoewel de gesprekken over postzegels al juli 2017 worden gevoerd, komt cliënte pas een dag voor de overdracht in beeld komt. Zij geeft in dat gesprek aan dat zij het niet gaat regelen en dat [medeverdachte 3] afspraken moet maken. Vervolgens heeft zij alleen gevraagd of [medeverdachte 4] naar [b-plaats] kan rijden. Uiteindelijk rijdt [medeverdachte 3] naar [a-plaats]. De betrokkenheid van cliënte strekt dus niet verder dan de mogelijkheid opperen dat [medeverdachte 4] naar [b-plaats] rijdt. Niemand beweert verder dat cliënte een grotere rol zou hebben. [medeverdachte 2] stelt dat zij het zou regelen en [medeverdachte 3] is daadwerkelijk gegaan. [medeverdachte 1] is de persoon die het op de achtergrond regelt en ten behoeve van wie de deal blijkbaar plaatsvindt.
- 15.
Het voorgaande is niet genoeg om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Voor zover je al van enige bijdrage kunt spreken is dit niet een bijdrage van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. De eventuele bijdrage van cliënte is hooguit het verstrekken van inlichtingen, een gedraging die eerder met medeplichtigheid, in verband pleegt te worden gebracht (HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187) en overduidelijk ondergeschikt is aan de bijdragen van een aantal medeverdachten. Bijzondere omstandigheden die maken dat in dit geval wel sprake is van medeplegen zijn er niet.
- 16.
Zelfs indien wel kan worden gesteld dat er sprake is van een wezenlijke bijdrage is geen sprake van het voor een bewezenverklaring vereiste dubbel opzet. Uit het gesprek tussen cliënte en [medeverdachte 1] volgt immers dat zij het niet gaat regelen, kennelijk heeft zij geen bijdrage willen leveren aan het ten laste gelegde.
- 17.
(…).
- 18.
Cliënte dient dan ook te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.
Vrijspraak: geen bewijs voor bekendheid met valsheid ten tijde van ontvangst
- 19.
Uit de jurisprudentie volgt dat voor een bewezenverklaring de medepleger op de hoogte moet zijn van de valsheid op het moment van ontvangst van de valse biljetten (HR 3 november 1987, NJ 1988/755). Uit het dossier wordt echter niet duidelijk wanneer de biljetten zijn ontvangen, maar wel dat dit waarschijnlijk ver voor december 2017 is, omdat er in juli van dat jaar in taps al over postzegels wordt gesproken.
- 20.
Zoals gezegd komt cliënte voor wat betreft deze verdenking pas in december 2017 in beeld en kan niet worden vastgesteld dat cliënte eerder dan 14 december 2017 bekend was met de valsheid. Het is waarschijnlijk, althans het kan niet worden uitgesloten, dat medeverdachten op dat moment de biljetten al hadden ontvangen. Ook om die reden dient cliënte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken’
3.
Het Hof heeft dit verweer van de raadsman verworpen en daartoe het volgende overwogen (arrest, p. 3–4):
- ‘II.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is — op de gronden zoals verwoord in de pleitnota — in de kern aangevoerd dat er:
- 1.
geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Voor zover je al van enige bijdrage van de verdachte kunt spreken, is dit volgens de raadsman niet een bijdrage van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen;
- 2.
uit de jurisprudentie volgt dat voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit de medepleger op de hoogte moet zijn van de valsheid op het moment van ontvangst van de valse biljetten (HR 3 november 1987, NJ 1988/755). Uit het dossier wordt volgens de raadsman echter niet duidelijk wanneer de biljetten zijn ontvangen, maar wel dat dit waarschijnlijk ver voor december 2017 is. De verdachte komt voor wat betreft deze verdenking pas in december 2017 in beeld, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de verdachte eerder dan 14 december 2017 bekend was met de valsheid.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ad. 1: Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De kwalificatie medepleger is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de hierboven bedoelde bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Op 14 december 2017 omstreeks 13:46 uur spreekt medeverdachte [medeverdachte 1] telefonisch met de verdachte over de verkoop van ‘postgegels’ (het hof begrijpt: valse bankbiljetten) aan [medeverdachte 4] (het hof begript: [medeverdachte 4]). Tijdens dit gesprek heeft medeverdachte [medeverdachte 1] het over een totaalbedrag van € 3.200,00, waarop de verdachte tegen [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 4] al € 100,00 betaald heeft. Medeverdachte [medeverdachte 1] zegt vervolgens tegen de verdachte dat hij tegen [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 2]) heeft gezegd dat het akkoord is als ze hem (het hof begrijpt: [medeverdachte 4]) 15 postzegels geeft. Medeverdachte [medeverdachte 1] zegt daarnaast tegen de verdachte dat de ‘postzegels’ normaal een rug kosten en dat hij er dan € 7.500,00 mee wit kan maken. Vervolgens wordt de verdachte op voornoemde datum omstreeks 19:11 uur gebeld door [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] vraagt aan de verdachte of zij naar [a-plaats] kan komen en of het 15 ‘hele’ zijn. Dit laatste wordt door de verdachte bevestigd.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat, in het bijzonder gezien de onderlinge taakverdeling tussen de verdachte en de anderen, de wetenschap en bekendheid bij eenieder over de term ‘postzegels’ en verdachtes (regisserende) rol op belangrijke momenten waaronder het directe contact met medeverdachte [medeverdachte 1] over de gang van zaken alsmede met [medeverdachte 4] over de verkoop van deze zogenoemde ‘postzegels’, er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten, waarbij de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was.
Ad 2: De wetenschap van de valsheid op moment van ontvangst van de valse biljetten bij de medepleger.
Het hof acht voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet noodzakelijk dat de verdachte de wetenschap van de valsheid had op het moment van ontvangst van de valse biljetten, de valse bankbiljetten fysiek in haar bezit heeft gehad of dat zij zelfstandig een machtsrelatie had over deze biljetten, aangezien — gelet op het figuur van het mededaderschap — de delictsbestanddelen over de mededaders verdeeld kunnen zijn, mits maar sprake is van bewuste samenwerking en gemeenschappelijke uitvoering.
Nu het hof onder Ad 1 heeft vastgesteld dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten, waarbij haar intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was, en de delictsbestanddelen derhalve over de mededaders verdeeld kunnen zijn, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk in voorraad hebben van biljetten waarvan ze wisten dat het valse biljetten waren en het oogmerk hadden om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.’
4.
Ten aanzien van rekwirante is bewezenverklaard het medeplegen van het opzettelijk in voorraad hebben van bankbiljetten van € 500, waarvan zij wisten dat het valse biljetten waren en het oogmerk hadden om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.
5.
De raadsman van rekwirante heeft ter zitting een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen dat in het onderhavige geval geen sprake zou zijn geweest van medeplegen en dat rekwirante derhalve had moeten worden vrijgesproken.
6.
Daartoe voert de raadsman in de eerste plaats aan dat rekwirante niet zelf de bankbiljetten fysiek in bezit heeft gehad of dat zij zelfstandig een machtsrelatie had over de bankbiljetten. Bovendien voert de raadsman aan dat rekwirante bij de verkoop van de bankbiljetten geen bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat sprake is van medeplegen. Daarbij verwijst de raadsman naar een aantal opgenomen telefoongesprekken die allemaal als bewijsmiddel 2 en 3 zijn opgenomen in de ‘Aanvulling bewijsmiddelen’ van 22 januari 2025.
7.
Het betreft de volgende telefoongesprekken:
- —
Een gesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 13 december 2017 om 17:07:07 uur alsmede een gesprek tussen [medeverdachte 1] en rekwirante op 14 december 2017 om 13:46:02 uur. Deze gesprekken zijn opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen, onder bewijsmiddel 2, bijlage 11 en 12 (p. 13–15) en bewijsmiddel 3 (p. 33–34).
Uit deze twee gesprekken volgt dat [medeverdachte 3] contact heeft met [medeverdachte 4] over postzegels (bankbiljetten) en dat [medeverdachte 3] aangeeft dat als hij er niet is ‘zij’ het wel regelen en dat [medeverdachte 4] naar het nummer van rekwirante kan bellen. Een dag later zegt rekwirante echter tegen [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] het moet regelen en zij niet.
- —
Een gesprek tussen [medeverdachte 4] en rekwirante op 14 december 2017 om 19:11:49 uur. Dit gesprek is opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen onder bewijsmiddel 3 (P. 34).
In dit gesprek vraagt [medeverdachte 4] of rekwirante of [medeverdachte 2] naar [a-plaats] kunnen komen. Rekwirante geeft aan dat dat niet gaat en vraagt of [medeverdachte 4] naar [b-plaats] kan komen. [medeverdachte 4] zegt dat dat alleen later kan en vraagt of het 15 hele zijn. Rekwirante geeft aan dat dat klopt.
- —
Twee gesprekken tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 14 december 2017 namelijk om 19:46:16 uur en om 20:01:06 uur. Deze gesprekken zijn opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen onder bewijsmiddel 2, bijlage 13 en 14 (p. 15–16) en bewijsmiddel 3 (p. 34).
Uit deze gesprekken volgt dat [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 4] is gereden en dat [medeverdachte 4] naar buiten komt.
- —
Een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 15 december 2017 om 08:30:24 uur. Dit gesprek is opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen onder bewijsmiddel 2, bijlage 15 (p. 16).
In dit gesprek zegt [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] er 15 aan [medeverdachte 4] heeft gegeven.
8.
Volgens de raadsman van rekwirante blijkt uit voornoemde telefoongesprekken dat rekwirante hoogstens inlichtingen heeft verstrekt. Een gedraging die volgens de raadsman eerder met ‘medeplichtigheid’ in verband pleegt te worden gebracht. Rekwirante geeft in het gesprek met [medeverdachte 1] op 15 december 2017 om 13:46:02 uur immers aan dat zij het niet gaat regelen en dat [medeverdachte 3] de afspraak moet maken. Daarna om 19:11:49 uur vraagt rekwirante aan [medeverdachte 4] slechts of [medeverdachte 4] naar [b-plaats] kan komen.
9.
De gesprekken waarnaar de raadsman verwijst zijn opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen, namelijk die op 14 december omstreeks 13:46:02 uur waarin rekwirante tegen [medeverdachte 1] onder meer het volgende zegt (bewijsmiddel 2, bijlage 12, p. 14 en bewijsmiddel 3, p. 33):
‘Ja die postzegels…maar dan moet er eerst een goeie afspraak over gemaakt worden en dat moet [medeverdachte 3] doen, ik nie
(…)
Ik heb het ook gezegd ik ga dat niet regelen dat moet tie maar lekker zelf doen tis voor mij wel goed’
10.
En in het daaropvolgend telefonische contact om 19:11:49 uur tussen rekwirante en [medeverdachte 4] waarin het gesprek als volgt begint (bewijsmiddel 3, p. 34):
‘[medeverdachte 4] vraagt aan [verdachte] of zij naar [a-plaats] kan komen
[verdachte] zegt dat ze geen auto heeft
[medeverdachte 4] vraagt of [medeverdachte 2] dan kan komen
[verdachte] zegt dat dat ook niet gaat
[verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] naar bun kan komen’
11.
Daarentegen oordeelt het Hof dat de intellectuele en materiële bijdrage van rekwirante van voldoende gewicht is geweest voor het medeplegen van het in voorraad hebben van biljetten waarvan zij en haar medeplegers wisten dat het valse biljetten waren en het oogmerk hadden om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. Daarbij wijst het Hof in het bijzonder op rekwirants (regisserende) rol op belangrijke momenten waaronder het directe contact met medeverdachte [medeverdachte 1] over de gang van zaken alsmede met [medeverdachte 4] over de verkoop van de zogenaamde ‘postzegels’ (valse bankbiljetten).
12.
Deze (regisserende) rol zou volgens het Hof blijken uit het feit dat rekwirante op 14 december 2017 omstreeks 13:46 uur telefonisch heeft gesproken met [medeverdachte 1] over de verkoop van postzegels aan [medeverdachte 4] en dat zij vervolgens om 19:11 uur wordt gebeld door [medeverdachte 4] waarin hij aan rekwirante vraagt of zij naar [a-plaats] kan komen en of het 15 ‘hele’ zijn. Dit laatste wordt door rekwirante bevestigd.
13.
In deze overwegingen laat het Hof evenwel buiten beschouwing dat uit voormelde telefoongesprekken — die tevens als bewijsmiddel zin opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen — eveneens blijkt dat rekwirante het niet gaat regelen maar dat [medeverdachte 3] de afspraak moet maken en bovendien rekwirante slechts aan [medeverdachte 4] heeft gevraagd of hij naar [b-plaats] kan komen. Uiteindelijk blijkt [medeverdachte 3] echter naar [a-plaats] te zijn gereden (zie: bewijsmiddel 2, bijlage 13 (p. 15–16) en bewijsmiddel 3 (p. 14)).
14.
Aldus is het oordeel van het Hof dat de — intellectuele en/of materiële — bijdrage van rekwirante aan het tenlastegelegde feit van voldoende gewicht is geweest onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Immers blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat rekwirantes bijdrage aan het tenlastegelegde feit slechts heeft bestaan uit het doorgeven van inlichtingen aan medeverdachte [medeverdachte 4] door hem te vragen naar [b-plaats] te komen.
Het rechtens te respecteren belang
15.
Rekwirante heeft een rechtens te respecteren belang bij het slagen van het cassatiemiddel. Een terugwijzing zou immers kunnen leiden tot een vrijspraak, althans strafvermindering.
Middel II
Toelichting
16.
Tegen het bestreden arrest is door rekwirant op 18 oktober 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 januari 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Aldus is de termijn van acht maanden overschreden voor het inzenden van de stukken door het Hof.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. F.P. Slewe, Advocaat te Schiphol, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Schiphol, 2 april 2025
mr. F.P. Slewe