Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.2.6
3.2.6 Faillissementswet (1893)
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192558:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Feltz II, p. 404.
De regering schreef dat zij twijfelde over het bestaan van dat volksoordeel gedurende de behandeling van het voorstel tot afschaffing van het fenomeen ‘rehabilitatie’. Vgl. Van der Feltz II, p. 315-316.
Van der Feltz II, p. 419-421.
Van der Feltz II, p. 424-431.
Van der Feltz II, p. 437, 442-443.
Van der Feltz II, p. 443.
Handelingen der Staten-Generaal 1893/94, Bijlage 100, nrs. 1-3.
De Pinto 1893.
De Pinto 1893, p. 65; Molengraaff 1894, p. 118.
Molengraaff 1914, p. 36.
45. In het systeem van de Faillissementswet treedt de juridische staat van insolventie tijdens een faillissement pas in wanneer er geen faillissementsakkoord tot stand komt tijdens de verificatievergadering.1 In zoverre is het systeem van de Amsterdamse Ordonnantie uit 1777 ook in onze huidige Faillissementswet gerecipieerd.
Het ontwerp voor de Faillissementswet bevatte geen bepalingen over het pre-insolventieakkoord. De Memorie van Toelichting besteedde er evenmin aandacht aan. De Raad van State reageert instemmend in zijn advies. Hij stelt zich “na rijpe overweging” op het standpunt dat een regeling voor een dwangakkoord buiten faillissement doorgaans een verificatieproces nodig zal zijn. De regering licht in het Nader Rapport toe dat de Toelichting geen melding maakt van het dwangakkoord buiten insolventie, omdat beschouwingen daarover slechts een herhaling van het in 1835 en 1836 gevoerde debat zouden zijn.2
Desalniettemin stak de discussie over het dwangakkoord buiten faillissement weer de kop op gedurende de behandeling in de Tweede Kamer. Kamerlid Levy diende een amendement in waarin hij voorstelde enkele bepalingen ‘van homologatie van akkoord buiten faillietverklaring’ in de Faillissementswet op te nemen. Levy wilde met zijn amendement de eerlijke schuldenaar een kans bieden om aan “het volksoordeel, hetwelk een zekere schande aan een faillissement” verbindt, te ontkomen middels een akkoord.3 Het amendement van Levy was op twee uitgangspunten gestoeld. De Faillissementswet zou ten eerste onderscheid moeten maken tussen de “eerlijken, ongelukkigen schuldenaar” en de “luchthartigen of roekeloozen speeler”. Bovendien beoogde Levy met zijn amendement te bewerkstelligen dat “weinigen in den toestand geraken die eene algemeene vermogensexecutie (het faillissement) noodig maakt”.4
Voordat de Tweede Kamer toekwam aan de inhoudelijke behandeling van het wetsvoorstel, werd er gediscussieerd over de vraag of het amendement wel als een wijziging van het regeringsontwerp kwalificeerde, of dat het feitelijk om een geheel nieuw (initiatief)wetsvoorstel ging. Uiteindelijk werd besloten te stemmen over art. 1 van het amendement.5 Dat artikel luidde:
“Ieder, die buiten staat is om zijne schulden ten volle te betalen, kan aanspraak maken op het recht van homologatie van het akkoord buiten faillietverklaring, met inachtneming der navolgende bepalingen.”
Diverse Kamerleden meenden dat het moment waarop dit amendement werd ingediend zeer ongelukkig was gekozen, omdat het antwoord op de vraag of een dwangakkoord buiten faillissement nodig is, afhankelijk was van de definitieve vorm van het nieuwe faillissementsrecht. Ook werden er vraagtekens gezet bij het door Levy gepropageerde onderscheid tussen de eerlijke en de oneerlijke schuldenaar. Hartogh, lid van de Commissie van Voorbereiding, wees op het feit dat een onderhands akkoord niet gebaat zou zijn bij een openbare procedure waarin de financiële problemen van de schuldenaar aan de grote klok gehangen worden. Ook wees hij op het feit dat de door Levy voorgestelde vereiste meerderheid op een lager niveau lag dan de voorgestelde vereiste meerderheid voor het aannemen van het akkoord ná faillietverklaring. Levy meldde te willen stemmen over “het beginsel: daar zal zijn een akkoord buiten faillissement”, de finesses van de regeling zouden dan kunnen worden uitgewerkt door de Afdelingen.6 Zover kwam het echter niet: art. 1 van het amendement werd met 41 tegen 27 stemmen verworpen, waardoor het lot van het amendement was bepaald.7
46. Ondanks de verwerping van het amendement probeerde Levy het in het najaar van 1893 nog eens. Een maand nadat de Wet op het faillissement en de surseance van betaling in het Staatsblad was verschenen, diende hij een initiatiefwetsvoorstel in met de titel ‘homologatie van akkoord buiten faillietverklaring’ Dit wetsvoorstel was inhoudelijk vrijwel gelijk aan het eerder dat jaar verworpen amendement.8 Het initiatiefvoorstel werd in de literatuur kritisch beschreven door De Pinto en Molengraaff. Hoewel De Pinto geen principiële bezwaren tegen het akkoord buiten faillissement uitte, bestempelde hij het voorstel van Levy als “prematuur”. Het leek hem verstandiger eerst de werking van de fonkelnieuwe Faillissementswet af te wachten.9 Hij stelde bovendien dat het initiatiefwetsvoorstel van “weinig legislatief beleid” getuigde, een stelling die de ontwerper van de Faillissementswet van 1893 graag steunde. 10 Molengraaff voert in zijn artikel diverse inhoudelijke argumenten tegen het akkoord buiten faillietverklaring aan. Ook maakt hij spreekwoordelijk gehakt van de rechtsvergelijkende argumenten die Levy in zijn Memorie van Toelichting aanvoert. Het wetsvoorstel haalde het Staatsblad niet mede als gevolg van een Kamerontbinding in maart 1894.11