Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.2.5:4.2.5 Adoptie; Hof 's-Gravenhage 18 mei 2005, NIPR 2005, 311
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.2.5
4.2.5 Adoptie; Hof 's-Gravenhage 18 mei 2005, NIPR 2005, 311
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS437966:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A.P.M.J. Vonken, 'Legislatieve ontwikkelingen rond interlandelijke adopties', IVIPR 2004, p. 135-136.
In Rb. 's-Gravenhage 8 maart 2006, NIPR 2006, 112, lijkt de rechtbank haar rechtsmacht zake van het adoptieverzoek te baseren op art. 3 sub c Rv (`De Rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.'), terwijl deze reeds volgt uit art. 3 sub a Rv (de verzoekers wonen met de minderjarige in Nederland).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Hof ' s-Gravenhage 18 mei 2005, NIPR 2005, 311 ging het om een verzoek van een Nederlandse man en een Engelse vrouw om naar Nederlands recht de adoptie uit te spreken van een uit de vrouw geboren kind. Het kind, dat de Engelse nationaliteit heeft, woont samen met de man en de vrouw in Groot-Brittannië. Met hun verzoek beogen partijen te bewerkstelligen dat het kind de verzoeker tot vader heeft, zodat het kind tevens de Nederlandse nationaliteit bezit. Bij de Rb. ' s-Gravenhage rijst de vraag of de rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgt uit art. 3 sub c Rv. Heeft dit verzoek voldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland? Is de Nederlandse rechter forum conveniens? Volgens de man moet deze vraag bevestigend worden beantwoord, omdat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, het gezin regelmatig in Nederland zijn familie bezoekt en de minderjarige in het verleden over een Nederlands paspoort heeft beschikt. De man geeft te kennen dat hij van plan is zich met zijn gezin, voorzover mogelijk, over twee jaar in Nederland te gaan vestigen. Voorts voert hij aan dat de oudste zoon van partijen wel over een Nederlands paspoort beschikt. De Rb. ' s-Gravenhage is hiervan niet onder de indruk en overweegt als volgt:
`De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt wegens onvoldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer. Daarbij is in aanmerking genomen dat verzoeker inmiddels twintig jaar woont en werkt in Groot-Brittannië, de minderjarige sedert zijn geboorte aldaar woonachtig is en door verzoeker, naast het feit dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, geen feiten/omstandigheden zijn aangevoerd waaruit valt af te leiden dat er wel voldoende aanknoping van het onderhavige verzoek is met de Nederlandse rechtssfeer. Dat verzoeker plannen heeft om zich wellicht over twee jaar in Nederland te vestigen maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren.'
Als er één onderwerp bestaat waarin de Nederlandse nationaliteit rechtsmachtscheppend is, is dat wel de adoptie. Zowel de betrokkenen als de Nederlandse overheid hebben er belang bij dat er duidelijkheid komt over de afstammingsrechtelijke relatie tussen de adoptanten en het geadopteerde kind. In adoptiezaken kan de band met Nederland worden gevonden in de Nederlandse nationaliteit van één van de adoptanten of het te adopteren kind. Dat is in overeenstemming met de rechtspraak onder 'oud' procesrecht, waarin de Nederlandse rechter ruimhartig omging met zijn rechtsmacht en zich vrijwel altijd bevoegd achtte zodra de zaak ook maar de geringste binding met Nederland had.1 In hoger beroep wordt de beschikking van de rechtbank dan ook terecht vernietigd. Het Hof ' s-Gravenhage overweegt als volgt:
`Verzoekers beogen met hun verzoek te bewerkstelligen dat [het kind, Fl] verzoeker tot vader heeft, zodat [het kind, Fl] tevens de Nederlandse nationaliteit bezit. Naar het oordeel van het hof is, mede gelet op de Nederlandse nationaliteit van de verzoeker en — voorzover te dezen van belang — artikel 3 aanhef en sub c Rv daarin voldoende substantiële aanknoping gelegen om rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan te nemen.'
Niettemin wijst het hof het adoptieverzoek af, omdat de man naar Engels recht reeds als de vader van het kind geldt en de gevolgen van dit vaderschap in Nederland voor erkenning in aanmerking komen.2