Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.3.2.3
10.4.3.2.3 Uitsluiten van elk belastend gebruik voor de criminal charge?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493444:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk), § 40. Zie ook het volgende onderdeel.
EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness t. Ierland), § 53.
EHRM 21 december 2000 (Quinn t. Ierland), § 53.
Dan is wel een complicerende factor dat de globale toetsing waarmee het Hof zich bedient, niet mogelijk is wanneer de nationale procedure(s) nog niet is (zijn) afgerond.
Deze kanttekening belet niet dat de verdragsstaten een dergelijke regel formuleren. Die regel zou de aanwezigheid van dwang tot zelfbelasting in een strafcontext (procedureel) kunnen wegnemen, zodat niet langer behoefte is aan een zwijgrecht (als weigeringsgrond voor medewerking). Zie § 17.4.3.2.4 hierna.
Zie § 6.4.3 hiervoor.
In de zaak Shannon was bewijsuitsluiting van de van de klager gevorderde verklaringen ter discretie van de Engelse nationale rechter. Zodoende was volgens het EHRM niet zeker of het bewijs al dan niet zou worden gebruikt in de latere strafprocedure.1 Dat de toepassing van een bewijsuitsluitingsregel niet volledig ter discretie van de (straf)rechter mag zijn, kan ook worden afgeleid uit andere zaken. In Heaney en McGuinness overweegt het Hof dat de Ierse regering in de klachtprocedure niet had verwezen naar nationale jurisprudentie op grond waarvan de toelaatbaarheid van de van de klagers op grond van art. 52 van de 1939 Act afgedwongen verklaringen zou zijn uitgesloten. De regering kon evenmin de mogelijkheid uitsluiten dat verklaringen ex art. 52 daadwerkelijk tot het bewijs waren toegelaten.2 In nagenoeg gelijke bewoording het Hof in Quinn.3
Waarschijnlijk hoeft niet elk belastend bewijs van het strafproces te worden uitgesloten om het recht tegen gedwongen zelfbelasting te bewaken. Daarvoor zal mijns inziens te rade moeten worden gegaan bij – of beter: gespiegeld aan – de invulling door het Hof van de toetsingsfactor ‘gebruik’.4 Bij de bepaling en ordening daarvan in hoofdstuk 11 zal bijvoorbeeld nog blijken dat het Hof het gebruik van onder dwang verkregen informatie als steunbewijs op zichzelf toelaatbaar acht.
Zou de rechter geen rekening mogen houden met de omstandigheden c.q. de rol die de van de verdachte afgedwongen medewerking in de bewijsvoering tegen hem speelt, dan kan een ‘mandatory’ bewijsuitsluitingsregel bezwaarlijk als ‘balancing test’ functioneren, waarin de voors en tegens van het belastend (bewijs)gebruik kunnen worden afgewogen (in het licht van de integriteit van het strafproces). Een allesomvattende bewijsuitsluitingsregel lijkt te absoluut binnen een verder sterk genuanceerd toetsingskader voor schending.5 Dit laat onverlet dat het Hof een ruime notie van zelfbelasting voorstaat. De enkele, niet-hypothetische mogelijkheid dat de verdachte zichzelf belast, volstaat voor de toepasselijkheid van het recht tegen gedwongen zelfbelasting.6 Schending ervan behoeft nadere – striktere – toetsing, onder meer van het gebruik van de van de verdachte afgedwongen medewerking (verklaringen, materiaal).