Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.6.2
5.6.2 Auteursrecht en naburige rechten
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478052:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:236 lid 2 BW jo. 2 lid 2 Aw. Zie ook HR 20 september 2002, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (Muller q.q./ING).
Vgl. ook Spoor, Verkade & Visser 2005, p. 422.
Beslissend is of de verkrijger redelijkerwijs uit de akte heeft mogen begrijpen dat zij bestemd was tot overdracht of verpanding. Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo-Mitsubishi) en art. 3:33 jo. 3:35 BW. Vgl. ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/257.
Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo- Mitsubishi).
HR 20 september 2002, JOR 2002/210, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.). Vgl. HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.). Zie ook Lenselink 2005, p. 132 en 528-530. Anders nog: TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402, waar van een meer beperkte invulling wordt uitgegaan.
Vgl. HR 16 mei 2003, NJ 2004/183, m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/ Rabobank).
Spoor, Verkade & Visser 2005, p. 431.
Zie Spoor, Verkade & Visser 2005, p. 431-434.
Zie ook Van Engelen 2008, p. 153.
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II).
Art. (3:236 lid 2 jo.) 3:97 lid 1 BW jo. 9 WNR.
Rb. Den Haag 28 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BY9515.
Hof Den Haag 10 april 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1078.
HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.), r.o. 4.4.2.
HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.), r.o. 4.5.1-4.5.2.
In vergelijkbare zin Hugenholtz, in zijn noot onder HR 28 maart 2014, NJ 2015/365 (Norma/NLKabel c.s.), nr. 13-14.
Zo ook Lenselink 2005, p. 530, ten aanzien van auteursrecht.
Zie nr. 140.
Hugenholtz, in zijn noot onder HR 28 maart 2014, NJ 2015/365 (Norma/NLKabel c.s.), nr. 13, spreekt over collectief rechtenbeheer als een onmisbare rechtsfiguur in het moderne recht van de intellectuele eigendom. Zie ook nr. 149. Daar komt nog bij dat de auteur of naburig rechthebbende in zijn verhouding tot de collectieve beheersorganisatie wordt beschermd op grond van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
241. Uit art. 2 lid 1 Aw volgt dat het auteursrecht vatbaar is voor gehele of gedeeltelijke overdracht. De levering van het auteursrecht geschiedt door een daartoe bestemde akte (art. 2 lid 3 Aw). De verpanding van het auteursrecht geschiedt op overeenkomstige wijze door een pandakte.1 Aan deze akte worden geen bijzondere eisen gesteld. De eisen die aan de akte worden gesteld sluiten aan bij hetgeen geldt voor de akte bestemd tot levering of verpanding van vorderingen op naam, zo kan worden afgeleid uit de verwijzing in het arrest HR 20 september 2002, NJ 2002/610 (Muller q.q./ING) naar HR 29 juni 2001, NJ 2001/662 (Meijs q.q./Bank of Tokyo- Mitsubishi). Dit betekent dat een door de vervreemder ondertekende onderhandse akte strekkende tot levering of vestiging van een pandrecht voldoende is.2 Het volstaat daarbij dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel in onderling verband en samenhang met andere akten of andere feiten, kan worden vastgesteld dat de akte is bestemd tot overdracht of vestiging.3 De akte hoeft onder meer niet de titel voor de overdracht of verpanding te bevatten en evenmin een verklaring van de pandhouder dat hij de levering of vestiging aanvaardt.4 Wat betreft de eis van voldoende bepaaldheid gelden evenmin afwijkingen van de hoofdregel. Aldus is voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk auteursrecht het gaat.5
Ook voor de bepaling van de inhoud van de akte zie ik geen reden tot een afwijkende invulling voor auteursrechten. De vaststelling van de inhoud van de akte komt dus aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).6 In dit verband dient echter wel gewezen te worden op de nuancering van art. 2 lid 2, tweede zin, Aw waarin wordt bepaald dat de overdracht alleen die bevoegdheden omvat waarvan dit in de akte is vermeld of uit de aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit. De regel strekt tot bescherming van de auteur tegen een al te gemakkelijk en ondoordacht prijsgeven van zijn rechten.7 De regel heeft tot gevolg dat de akte wat betreft het object van de levering of verpanding in beginsel terughoudend en ten gunste van de auteur moet worden uitgelegd.8
De hierboven vermelde eisen aan de akte vormen geen enkele beperking ten aanzien van toekomstige auteursrechten. Een toekomstig auteursrecht kan daarom bij voorbaat worden geleverd op grond van art. 3:97 BW jo. 2 lid 3 Aw.9 Hetzelfde geldt voor de vestiging bij voorbaat van een pandrecht.10 Het arrest HR 13 februari 1936, NJ 1936/443 (Tuschinski/GEMA), waarin de Hoge Raad oordeelde dat het onmogelijk was om toekomstige auteursrechten over te dragen, is daarmee volledig achterhaald.11 Nu de Hoge Raad deze levering op dezelfde voet behandelde als de cessie van toekomstige vorderingen, kan worden aangenomen dat het arrest niet pas door de invoering van art. 3:97 BW werd achterhaald, maar reeds door het Solleveld II-arrest, waarin de cessie bij voorbaat werd erkend.12
242. Wat betreft de levering bij voorbaat van naburige rechten, kan worden aangesloten bij hetgeen is opgemerkt over auteursrechten. De regeling in art. 9 WNR is vergelijkbaar met art. 2 Aw. De levering geschiedt eveneens door een enkele daartoe bestemde akte. Evenals geldt ten aanzien van toekomstige auteursrechten kunnen ook toekomstige naburige rechten bij voorbaat worden geleverd of verpand door het opmaken van een daartoe bestemde akte.13
Dit vindt bovendien bevestiging in HR 28 maart 2014, NJ 2015/365 (Norma/NLKabel c.s.) waarin de Hoge Raad zich heeft uitgelaten over de eis van voldoende bepaaldheid ten aanzien van de levering van – onder meer – toekomstige naburige rechten. Het betrof een geval waarin meerdere uitvoerend kunstenaars al hun bestaande en toekomstige naburige rechten hadden geleverd aan Norma (afkorting voor de stichting Naburigerechten organisatie voor musici en auteurs), een rechtspersoon die zich ingevolge zijn statuten ten doel stelt de belangen van uitvoerende kunstenaars ter zake van de uitoefening en handhaving van hun naburige rechten te behartigen en waar bijna alle professionele Nederlandse uitvoerende kunstenaars bij zijn aangesloten.
De procedure betrof een geschil tussen Norma en verscheidene kabelexploitanten en hun branchevereniging NLKabel over een kabeldoorgiftevergoeding voor acteurs. In eerste aanleg strandde de vordering. De technische wijze van doorgifte van programma’s (geen uitzending meer via de ether of een satelliet door de omroep, maar klaarzetten in een zogenaamde ‘uitzendstraat’ waar de kabelaars het programma kunnen ophalen) betekent dat geen sprake meer is van een heruitzending, en dat de openbaarmaking door de kabelaars de primaire openbaarmaking is. Norma was daarom niet bevoegd ex art. 14a WNR om de vergoeding ten behoeve van het collectief te innen.14 In appel vordert Norma de kabeldoorgiftevergoeding mede als rechthebbende van de naburige rechten. Krachtens exploitatieovereenkomsten met de bij haar aangesloten uitvoerende kunstenaars zijn al hun naburige rechten op hun gehele repertoire immers bij voorbaat aan Norma geleverd. Het hof oordeelt eveneens dat de kabelexploitanten niet ‘heruitzenden’ in de zin van art. 14a WNR. Daarnaast meent het hof dat de levering van de naburige rechten geen effect heeft nu de omschrijving van de rechten in de exploitatieovereenkomsten onvoldoende bepaald is in de zin van art. 3:84 lid 2 BW. Het gehele repertoire waarop een uitvoerende kunstenaar naburige rechten verkrijgt kan volgens het hof onmogelijk achteraf worden geïdentificeerd. Ter illustratie overweegt het hof dat van een uitvoering al sprake is wanneer een uitvoerende kunstenaar een voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komend lied in de vrienden- of familiekring uitvoert.15 In cassatie blijven beide oordelen in stand.
De Hoge Raad bevestigt dat de uit art. 3:84 lid 2 BW voortvloeiende eis dat het over te dragen goed met voldoende bepaaldheid is omschreven, ook geldt in geval van overdracht van toekomstige goederen en mede de overdracht van naburige rechten betreft. Onder verwijzing naar het arrest HR 20 september 2002, NJ 2002/610 (Muller q.q./ING) overweegt hij dat aan deze eis in het algemeen voldaan is als de akte van levering zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat. Met het oordeel dat alle over te dragen naburige rechten aan de hand van de leveringsakte (in dit geval de exploitatieovereenkomsten) moeten kunnen worden geïdentificeerd, heeft het hof terecht tot uitdrukking gebracht dat het bepaaldheidsvereiste betrekking heeft op elk van de over te dragen goederen.16
Uit het arrest mag echter niet worden afgeleid dat de levering van een “geheel repertoire” onvoldoende bepaald is. Dat het feitelijke oordeel van het hof, dat niet het gehele repertoire waarop een uitvoerende kunstenaar naburige rechten verkrijgt achteraf kan worden geïdentificeerd, zodat de omschrijving in de exploitatie-overeenkomsten onvoldoende bepaald is, niet wordt gecasseerd, heeft te maken met het procedurele karaker van de cassatieklacht.
De tegen dit oordeel gerichte klacht was namelijk dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden nu geen van partijen zou hebben gesteld dat niet alle naburige rechten achteraf kunnen worden geïdentificeerd. Deze klacht faalt, nu de kabelaars in feitelijke instanties wel hebben betoogd dat art. 3:84 lid 2 BW in de weg staat aan overdracht van alle toekomstige rechten van de naburig rechthebbende en het hof naar aanleiding van dit verweer de voldoende bepaaldheid van de levering mocht onderzoeken.17 Hoe de Hoge Raad de kwestie inhoudelijk zou hebben beoordeeld, blijft daarmee onduidelijk. Naar mijn mening had het arrest a quo van het Hof ’s-Gravenhage op dit punt niet in stand mogen blijven.18
Het vereiste van bepaaldheid verhindert – naar mijn stellige overtuiging – geenszins de levering van een “geheel repertoire”.19 De eis van voldoende bepaaldheid belet niet dat bij de levering de goederen generiek kunnen worden aangeduid. Naast geaccepteerde aanduidingen als “alle roerende zaken” of “alle vorderingen”, valt niet in te zien waarom in dit verband een omschrijving als “het gehele repertoire” ongeschikt zou zijn ter identificatie van de geleverde goederen.20 Dat een auteursrechthebbende of naburig rechthebbende bescherming behoeft tegen het lichtvaardig overdragen van al zijn rechten, staat hier los van. Het bepaaldheidsvereiste heeft immers slechts een identificatiefunctie. De bescherming van de naburig rechthebbende kan worden geboden op andere gronden, zoals de vernietigbaarheid van de exploitatieovereenkomst bij aanwezigheid van een wilsgebrek als gevolg van misbruik van omstandigheden. In het algemeen lijkt mij echter weinig mis met een exploitatieovereenkomst op grond waarvan een auteur of uitvoerend kunstenaar zijn huidige en toekomstige naburige rechten ten titel van beheer levert aan een collectieve beheersorganisatie.21