Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.2.1:6.2.1 Grootkoopmanschap
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.2.1
6.2.1 Grootkoopmanschap
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611434:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aanhangsel Handelingen II 1979/80, nr. 264, p. 513.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van de boxenstructuur van de Wet IB 2001 worden aandelen in een vennootschap, die niet tot het ondernemingsvermogen behoren, tot het privévermogen van de belastingplichtige gerekend. Afhankelijk van de omvang van het aandelenbezit geldt dan de aanmerkelijkbelangregeling van box 2 of de vermogensrendementsheffing van box 3. Op basis van oudere jurisprudentie wordt onder bijzondere omstandigheden inbreuk gemaakt op dit uitgangspunt, namelijk indien er sprake is van ‘grootkoopmanschap’. In dat geval vormt het aandelenbezit een afzonderlijke onderneming, naast de ondernemingen van de vennootschappen waarin de aandelen worden gehouden. In feite gaat het hierbij om aandeelhoudersactiviteiten met betrekking tot een aantal verbonden ondernemingen die als zodanig toch ondernemerschap doen ontstaan, ter zake waarvan de belastingheffing plaatsvindt in box 1 als winst uit onderneming.
Het principe van grootkoopmanschap vindt zijn oorsprong in HR 11 oktober 1933, nr. 21 310, B 5480. Hierbij is het als volgt omschreven:
‘... de situatie waarin een belastingplichtige zich met gebruikmaking van de invloed die hij met zijn macht als enig aandeelhouder in de vennootschappen kan uitoefenen, frequent, intensief en in detail met de bedrijfsvoering van die vennootschappen had ingelaten, en deze als het ware als zijn ondernemingen behandelt.’
Grootkoopmanschap is ook aan de orde geweest in HR 19 december 1962, nr. 14 908, BNB 1963/71, en in HR 9 oktober 1963, nr. 15 090, BNB 1964/29. In HR 16 januari 1974, nr. 17 181, BNB 1974/44, stelde de inspecteur zich ook op het standpunt dat de belastingplichtige als een ‘grootkoopman’ moest worden beschouwd, omdat volgens hem sprake was van het hiervoor omschreven ‘inlaten’ met de bedrijfsvoering. Daarbij bestond volgens hem een overkoepeling met financiële en organisatorische beheersing van de onderdelen, terwijl administratieve beheersing van de onderdelen deze overkoepeling compleet maakte.
Uit onder meer HR 11 oktober 1933, nr. 21 310, B 5480, en HR 19 december 1962, nr. 14 908, BNB 1963/71, blijkt dat de ‘grootkoopman’ niet met de door hem beheerste vennootschappen moet worden vereenzelvigd. Er geldt geen fiscale transparantie van de vennootschappen, maar de aandelen behoren tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige en vormen als zodanig een onderneming.
In de parlementaire geschiedenis is bepaald dat grootkoopmanschap slechts aan de orde is, indien de diverse belangen een zodanige economische eenheid vormen, dat er sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, waarmee wordt beoogd winst te behalen.1 Deze omschrijving vertoont kenmerken van het verbondenheidsbegrip in de bedrijfseconomie en het ondernemingsrecht. Het lijkt immers te gaan om feitelijke organisatorische en economische verbondenheid.
Een andere overeenkomst met de bedrijfseconomie en het ondernemingsrecht is dat bij het ‘grootkoopmanschap’ het onderscheid tussen ‘ownership’ en ‘control’ eveneens wordt genegeerd, indien deze scheiding in feite niet bestaat. De aandeelhouder wordt immers zelf ook als ondernemer aangemerkt.