Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.3.4
6.3.4 De vordering op de 403-maatschappij is verjaard
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250248:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Biemans 2011, p. 307 en E.C.A. Nass 2019, p. 197.
Van Zoest 2016a, p. 69-70. Zie voor een voorbeeld hiervan Hof Den Haag 18 maart 2014, JOR 2015/93, m.nt. Bartman (TPB/Eneco), r.o. 8, 9 en 11. Zie Booms 2019, p. 437-438, die meent dat het hof heeft aangesloten bij de gezamenlijke opvatting van partijen dat de verjaring van de vordering op de 403-maatschappij inhoudt dat de nakoming van de 403-vordering ook niet meer afdwingbaar is. A-G Timmerman wijst er in zijn conclusie onder nr. 3.3 en 3.5 bij HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1691 (TPB/Eneco) echter terecht op dat het hof niet heeft aangenomen dat het feit dat de vordering op de 403-maatschappij is verjaard met zich brengt dat ook de vordering op de moedermaatschappij is verjaard. Het hof heeft het verweer van de moedermaatschappij zo begrepen dat deze zich beroept op de verjaring van de 403-vordering zelf. Timmerman onderschrijft vervolgens het oordeel van het hof. Zie ook E.C.A. Nass 2019, p. 208.
Van Zoest 2016a, p. 69-70, Talacko & Van Wijngaarden 2016, p. 18 en E.C.A. Nass 2019, p. 197.
Ervan uitgaande dat de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor alle schulden die voortvloeien en zijn voortgevloeid uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij (zie hoofdstuk 5 en in het bijzonder § 5.6).
Zie E.C.A. Nass 2019, p. 193, die erop wijst dat een vergelijkbare situatie zich kan voordoen als een van de vorderingen is verjaard, maar de crediteur de verjaring van de andere vordering heeft gestuit.
Huiskes 2015, p. 43 en E.C.A. Nass 2019, p. 224. Zie bevestigend met betrekking tot hoofdelijkheid in algemene zin Asser/Sieburgh 6-I 2016/100. Anders NAI 26 mei 2015, nr. 4128, r.o. 7.28 (aldus TvA 2016/2), waar is geoordeeld dat als de vordering op de 403-maatschappij wegens verjaring niet meer afdwingbaar is, dit ook geldt voor de 403-vordering.
Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/583, waar wordt opgemerkt dat de onafhankelijkheid van de vorderingen op de moeder- en de 403-maatschappij meebrengt dat als de crediteur de verjaring van deze vorderingen wil voorkomen, hij deze verjaring ten aanzien van beide vorderingen moet stuiten. Zie bevestigend met betrekking tot hoofdelijkheid in algemene zin Asser/Sieburgh 6-I 2016/119.
Asser/Sieburgh 6-II 2017/390 en Valk – T&C Burgerlijk Wetboek, art. 6:3 BW, aant. 3.
E.C.A. Nass 2019, p. 225.
Rb. Den Haag 5 juli 2006, JOR 2007/53, m.nt. Verdaas (NCM/Den Heijer Beheer), r.o. 3.5 en 3.6.
Zie § 6.2.3.
E.C.A. Nass 2019, p. 225.
Bartman 2015, p. 810. Zie E.C.A. Nass 2019, p. 224, die van mening is dat de verjaring van de vordering op de 403-maatschappij in een dergelijk geval meebrengt dat de 403-vordering is verjaard – en niet dat deze teniet is gegaan.
Als een crediteur een vordering krijgt op de 403-maatschappij op een moment dat de 403-verklaring al is gedeponeerd, krijgt de crediteur gelijktijdig ook een vordering op de moedermaatschappij.1 Omdat beide vorderingen op hetzelfde moment zijn ontstaan, zullen zij ook op hetzelfde moment verjaren.2 Indien daarentegen de 403-verklaring wordt gedeponeerd op een moment dat de crediteur al een vordering op de 403-maatschappij heeft, ontstaat de 403-vordering pas op het moment van de deponering.3,4 Aangezien de vordering op de 403-maatschappij eerder is ontstaan, zal deze ook eerder verjaren.5 Het is dus mogelijk dat de vordering van een crediteur op de 403-maatschappij al is verjaard, maar de 403-vordering op de moedermaatschappij nog niet.6 Als de crediteur de moedermaatschappij in een dergelijk geval aansprakelijk stelt, doet zich de vraag voor of de moedermaatschappij de nakoming van de 403-vordering kan afweren met een beroep op de verjaring van de vordering op de 403-maatschappij.
Als de 403-vordering wordt geduid als een hoofdelijke vordering, bestaat deze onafhankelijk van de vordering op de 403-maatschappij – met dien verstande dat nakoming door de moeder- of de 403-maatschappij ook de ander bevrijdt.7 Beide vorderingen kunnen dus ook onafhankelijk van elkaar verjaren.8 De moedermaatschappij kan de nakoming van de 403-vordering dus niet afweren met een beroep op de verjaring van de vordering op de 403-maatschappij.9
Ook als de 403-vordering wordt geduid als een dynamische vordering is de moedermaatschappij gehouden de 403-vordering te voldoen ondanks dat de vordering op de 403-maatschappij al is verjaard. Deze duiding van de 403-vordering is een variant op de duiding als een hoofdelijke vordering met als bijzonder kenmerk dat slechts degenen met een vordering op de 403-maatschappij een beroep kunnen doen op de 403-verklaring en uit dien hoofde een vordering hebben op de moedermaatschappij. Als de vordering op de 403-maatschappij is verjaard, kan de crediteur de nakoming daarvan niet meer afdwingen.10 De vordering zelf is echter niet tenietgegaan. Na de verjaring bestaat er een natuurlijke verbintenis tussen de crediteur en de 403-maatschappij.11 Omdat de crediteur nog steeds een vordering heeft op de 403-maatschappij is het bijzondere karakter van de dynamische 403-vordering niet relevant. Dit houdt in dat op dit punt dezelfde rechtsgevolgen gelden als bij de duiding van de 403-vordering als een hoofdelijke vordering. De crediteur kan nog steeds een beroep doen op de 403-verklaring en heeft uit dien hoofde een 403-vordering op de moedermaatschappij. Dit betreft een zelfstandige vordering die onafhankelijk van de vordering op de 403-maatschappij verjaart.12
De Rechtbank Den Haag heeft in 2006 de 403-vordering geduid als een nevenrecht dat geen afhankelijk recht is.13 Zij overweegt dat een crediteur op grond van de 403-verklaring een vordering heeft op de moedermaatschappij die naast en los van de vordering op de 403-maatschappij bestaat, maar die wel op grond van art. 6:142 BW mee overgaat als de vordering op de 403-maatschappij aan een derde wordt overgedragen. Deze duiding van de 403-vordering brengt volgens de rechtbank mee dat de vordering niet op dezelfde voet verjaart als de vordering op de 403-maatschappij.
Ik heb eerder de duiding van de 403-vordering als een nevenrecht afgewezen omdat de vordering op de 403-maatschappij niet kwalificeert als hoofdvordering.14 Hoewel ik het dus niet eens ben met de rechtbank dat zij de 403-vordering als zodanig duidt, laat de uitspraak wel zien wat het gevolg is van het analoog van toepassing zijn van art. 6:142 BW ten aanzien van de 403-vordering. Hoewel de grondslag van de duiding van de 403-vordering verschillend is, zijn de uitkomsten hetzelfde. Dit betekent dat als art. 6:142 BW analoog van toepassing is op de 403-vordering, de moedermaatschappij de nakoming van deze vordering niet kan afweren met een beroep op de verjaring van de vordering op de 403-maatschappij.15
De vierde en laatste duiding van de 403-vordering houdt in dat de bepalingen inzake borgtocht analoog van toepassing zijn ten aanzien van de 403-aansprakelijkheid. In dat geval leidt de verjaring van de vordering van een crediteur op de 403-maatschappij er wel toe dat de moedermaatschappij is bevrijd van haar verplichting op grond van de 403-verklaring. Op grond van art. 7:853 BW gaat een aanspraak uit hoofde van borgtocht teniet als de vordering op de hoofdschuldenaar verjaart.16
In afbeelding 6.3 heb ik de gevolgen van de verschillende duidingen van de 403-vordering uiteengezet: