Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/11.3.2
11.3.2 Art. 5.5.1 lid 2 Ontwerp-Meijers
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS487205:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
In het Regeringsontwerp was in lid 2 het woord ‘naburig’ vervallen, terwijl de zinsnede ‘hetwelk bestemd is die erven tot gemeenschappelijk nut te zijn’ was gewijzigd in ‘hetwelk door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven is bestemd’. Duidelijker dan in het Ontwerp-Meijers zou hierin tot uitdrukking komen dat ingeval het gemeenschappelijk nut vervalt de mede-eigendom zou blijven bestaan. Vervolgens werd de tekst in het Gewijzigd Ontwerp nog enigszins aangepast. De strekking van het artikel bleef evenwel ongewijzigd.
Wet van 9 mei 1980, Stb. 1980, nr. 431.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 222, 224 en 226.
Van Mourik 1984, p. 154.
Schoordijk 1985, p. 237.
Van Velten 1985, p. 22.
Art. 5.5.1 van het Ontwerp-Meijers luidde aldus:
Mandeligheid is aanwezig, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer naburige erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven is bestemd.
Wanneer de eigenaars van twee of meer naburige erven hebben bijgedragen in de kosten van oprichting van een gebouw of werk op een of meer van die erven, hetwelk bestemd is die erven tot gemeenschappelijk nut te zijn, is dit gebouw of werk hun gemeenschappelijk eigendom.
De bestemming ten gemeenschappelijke nutte moet hetzij uit de feitelijke toestand, hetzij uit een in de daartoe bestemde openbare registers ingeschreven akte blijken. Zolang het nut niet voor alle erven is vervallen, blijft de mandeligheid bestaan.’
Dit artikel werd vrijwel ongewijzigd1 opgenomen in de Vaststellingswet.2
Door deze bepaling werd de natrekkingsregel van het huidige art. 5:20 doorbroken.3 Mede-eigendom zou hier derhalve op zeer informele wijze kunnen ontstaan.
Tijdens de behandeling van de Invoeringswet (Wet van 9 juli 1989, Stb. 1989, 290) werd, naar aanleiding van de kritiek van Van Mourik,4 Schoordijk5 en Van Velten,6 gekozen voor een andere benadering van mandeligheid.7 Gelet op de consequenties welke voor partijen aan een overeenkomst, houdende bestemming tot gemeenschappelijk nut van een (gemeenschappelijke) zaak, zijn verbonden alsmede gelet op de positie van derden, werd het gewenst geacht om mandeligheid eerst te doen ontstaan na het vastleggen van de overeenkomst in een notariële akte en inschrijving van die akte in de openbare registers (het huidige art. 5:60).
De leden 2 en 3 van art. 5.5.1 zoals in de Vaststellingswet opgenomen, konden derhalve vervallen. In de Invoeringswet zijn deze leden dan ook niet teruggekomen. Lid 1 onderging een forse metamorfose (zie het huidige art. 5:60).