HR, 10-10-2014, nr. 13/02842
ECLI:NL:HR:2014:2923
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-10-2014
- Zaaknummer
13/02842
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2923, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑10‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2013:CA1111
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑07‑2013
- Vindplaatsen
NTFR 2014/2535 met annotatie van mr. M. Soltysik
FutD 2014-2337
Viditax (FutD) 2014101001
Uitspraak 10‑10‑2014
Inhoudsindicatie
Motorrijtuigenbelasting, art. 71 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, art. 8 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. De wetgever heeft met het in art. 8 van het Uitvoeringsbesluit opgenomen vergunningvereiste de grenzen van de hem geboden delegatieruimte ingevolge art. 71, lid 2, van de Wet overschreden; geen schending van het gelijkheidsbeginsel.
Partij(en)
10 oktober 2014
Nr. 13/02842
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 mei 2013, nr. 11/00107, betreffende een aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 19 december 2009 tot en met 18 maart 2010. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 10/1945) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Na het verstrijken van de voor het verweerschrift in cassatie gestelde termijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende is vanaf 4 april 2008 houder van het motorrijtuig, merk Chevrolet, type Van Ambulance (hierna: het voertuig), dat is ingericht voor het vervoer van zieken en gewonden en als zodanig uiterlijk herkenbaar is, een en ander in de zin van artikel 71, lid 1, letter a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet).
3.1.2.
Belanghebbende gebruikt het voertuig voor scholing van ambulancepersoneel en het geven van demonstraties op scholen, alsmede voor het verlenen van EHBO/ambulancezorg bij evenementen. Belanghebbende gebruikt het voertuig incidenteel voor oefeningen en voor het vervoer van zieken of gewonden bij calamiteiten.
3.1.3.
Belanghebbende beschikte in het onderwerpelijke tijdvak niet over een vergunning bedoeld in artikel 2 van de Wet ambulancevervoer.
3.1.4.
De Inspecteur heeft het voertuig aangemerkt als een personenauto in de zin van artikel 2, letter b, van de Wet en zich op het standpunt gesteld dat de vrijstelling bedoeld in artikel 71, aanhef en letter a, van de Wet niet van toepassing is, aangezien (1) het voertuig niet (uitsluitend) werd gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden, en (2) niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8, aanhef en letter b, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (tekst 2009/2010; hierna: het Uitvoeringsbesluit). Op grond hiervan heeft hij de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.
3.2.1.
Belanghebbende heeft voor het Hof een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Hij heeft daartoe betoogd dat de Inspecteur geen naheffingsaanslagen oplegt wanneer ambulances waarvoor wel een vergunning is afgegeven, niet uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden. Ter ondersteuning van dit betoog heeft belanghebbende voor het Hof foto’s overgelegd waarop is te zien hoe als zodanig herkenbare ambulances van andere bedrijven worden gebruikt voor onder andere het geven van demonstraties op scholen.
3.2.2.
In reactie op het hiervoor in 3.2.1 vermelde betoog heeft de Inspecteur gesteld dat indien blijkt dat is voldaan aan het vergunningvereiste maar niet aan het gebruiksvereiste, naheffingsaanslagen zullen worden opgelegd.
3.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 71, aanhef en lid 1, letter a, van de Wet, niettegenstaande dat niet is voldaan aan het vereiste van een vergunning in de zin van artikel 8, aanhef en letter b, van het Uitvoeringsbesluit (hierna: het vergunningvereiste) en – met toepassing van het gelijkheidsbeginsel – evenmin aan het in artikel 71, lid 1, letter a, van de Wet opgenomen vereiste dat het voertuig uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden (hierna: het gebruiksvereiste). Met betrekking tot dit laatste heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur onvoldoende heeft weersproken de stelling van belanghebbende dat ambulances waarvoor een vergunning is verleend zijn vrijgesteld van de heffing van motorrijtuigenbelasting ook wanneer die zich niet alleen met het vervoer van zieken en gewonden bezighouden, maar ook met andere activiteiten zoals het fungeren als EHBO-post en/of scholing aangezien de Inspecteur niets concreets heeft gesteld over de daadwerkelijke handhaving daarvan.
3.4.
Middel I richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat in dit geval kan worden voorbijgegaan aan het gebruiksvereiste. Het middel betoogt dat het Hof daartoe niet mocht volstaan met het als juist aanvaarden van de door belanghebbende betrokken stellingen zoals hiervoor in 3.2.1 omschreven.
3.5.1.
Voor belastingen die bij wege van voldoening of afdracht op aangifte worden geheven (hierna tezamen ook aangeduid als: aangiftebelastingen) geldt dat niet het bestuursorgaan de belastingschuld vaststelt, maar de belastingplichtige of inhoudingsplichtige deze zelf berekent. Op het bestuursorgaan rust de taak om, indien het verschuldigde bedrag niet volledig op aangifte is betaald, over te gaan tot naheffing van de te weinig betaalde belasting. De belanghebbende die ter kennis komt dat in vergelijkbare gevallen geen belasting op aangifte wordt betaald en ook geen naheffing volgt, en die hieraan het vermoeden ontleent dat dit het gevolg is van een door het bestuursorgaan gevolgd begunstigend beleid, kan aan de inspecteur om een verklaring vragen. Indien de inspecteur de aanspraak van de belanghebbende op gelijke behandeling niet wil honoreren ligt het op zijn weg die ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aan de belanghebbende duidelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd begunstigend beleid. Als dit een en ander de belanghebbende niet bevredigt en hij zijn aanspraak op gelijke behandeling in beroep voor de belastingrechter herhaalt, zal door deze rechter de overtuigende kracht van de feiten die belanghebbende heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn vermoeden worden afgewogen tegen de feiten die de inspecteur ter ontzenuwing daarvan heeft aangevoerd. Het bewijsrisico blijft echter berusten bij de belanghebbende (vgl. HR 23 april 2004, nr. 38262, ECLI:NL:HR:2004:AL8260, BNB 2004/392). Niet kan worden gezegd dat het achterwege blijven van naheffing het gevolg is van begunstigend beleid, als het bestuursorgaan van de desbetreffende gevallen geen kennis draagt. Dit geldt in beginsel ook als die gevallen bij een effectieve controle wel aan het licht zouden zijn gekomen. Alleen wanneer het controlebeleid is gericht op begunstigende behandeling van een bepaalde groep kan dit anders zijn.
Wanneer niet aannemelijk is dat de begunstigende behandeling van de door de belanghebbende aangedragen gevallen berust op beleid, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen indien het bestuursorgaan in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen waarmee het bekend is expliciet of impliciet een standpunt inneemt op grond waarvan het een juiste wetstoepassing achterwege laat (vgl. HR 11 maart 1998, nr. 32723, ECLI:NL:HR:1998:AA2454, BNB 1998/266). Van het innemen van een dergelijk standpunt kan worden gesproken indien naheffing achterwege blijft hoewel de verschuldigde belasting niet (volledig) is betaald en het bestuursorgaan over alle benodigde gegevens beschikt om een naheffingsaanslag te kunnen opleggen. Die situatie doet zich ook voor als een belanghebbende die zich op de meerderheidsregel beroept aan het bestuursorgaan alle benodigde gegevens inzake rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen heeft verstrekt waaruit volgt dat te weinig belasting is betaald en op grond waarvan tot naheffing kan worden overgegaan, waarna het bestuursorgaan niettemin naheffing achterwege laat (zie HR 13 juli 2012, nr. 11/00162, ECLI:NL:HR:2012:BV0264, BNB 2013/2).
3.5.2.
In het onderhavige geval heeft het Hof het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel gehonoreerd. Het Hof heeft daartoe overwogen dat het gebrek aan handhaving ter zake van ambulances waarvoor geldt dat is voldaan aan het vergunningvereiste, maar niet aan het gebruiksvereiste, moet worden aangemerkt als begunstigend beleid in de uitvoeringspraktijk. Dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de vaststelling dat sprake is van een gebrek aan handhaving, gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.1 is overwogen, niet volstaat voor de gevolgtrekking dat sprake is van begunstigend beleid, omdat dan ook aannemelijk moet zijn dat het gebrek aan handhaving het gevolg is van (controle)beleid dat is gericht op begunstigende behandeling van een bepaalde groep. Op grond hiervan slaagt middel I.
3.6.
Middel II komt op tegen ’s Hofs oordeel dat, kort gezegd, de in artikel 71, lid 2, van de Wet opgenomen delegatiebepaling geen ruimte laat voor het stellen van het vergunningvereiste. Het middel faalt. Volgens deze delegatiebepaling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de inrichting en de uiterlijke herkenbaarheid van de ambulance. Het Hof heeft terecht beslist dat tot de regels met betrekking tot die inrichting en uiterlijke herkenbaarheid van de ambulance niet kan worden gerekend de eis dat op de voet van artikel 2 van de Wet ambulancevervoer een vergunning moet zijn verleend.
3.7.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Gelet op de omstandigheid dat de door belanghebbende aangevoerde gevallen onbekend waren bij de Inspecteur en de Inspecteur – door belanghebbende onweersproken – heeft gesteld dat in daartoe aanleiding gevende gevallen tot naheffing wordt overgegaan wanneer uit controles blijkt dat ten onrechte vrijstelling is verleend, onder meer indien blijkt dat niet aan het gebruiksvereiste is voldaan, ontbreekt een feitelijke grondslag voor de gevolgtrekking dat de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling het gevolg is van begunstigend beleid.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2014.
Beroepschrift 22‑07‑2013
Den Haag, [22 JUL 2013]
Kenmerk: DGB 2013-3260
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 13/02842) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 2 mei 2013, nr. 11/00107, inzake [X] te [Z] betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak van 19 december 2009 tot en met 18 maart 2010.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 14 juni 2013 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middelen van cassatie draag ik voor:
I.
Schending van het Nederlands recht, met name van de in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 8:77 Algemene wet bestuursecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat het gebruiksvereiste belanghebbende niet kan worden tegengeworpen, aangezien aannemelijk is dat de Inspecteur, in weerwil van de bewoordingen van artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet), ter zake van ambulances waarvoor geldt dat niet aan dat vereiste, maar wel aan het vergunningsvereiste is voldaan, niet tot naheffing van ten onrechte niet geheven motorrijtuigenbelasting overgaat, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte althans op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen.
II.
Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 71, tweede lid, van de Wet in verbinding met artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit), doordat het Hof heeft geoordeeld dat het vergunningsvereiste belanghebbende niet kan worden tegengeworpen, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
In cassatie kan van de door het Hof in onderdeel 2 van de uitspraak vermelde vaststaande feiten worden uitgegaan. Zoals het Hof terecht overweegt in r.o. 4.1. voldoet belanghebbende niet aan het zogenoemde vergunningsvereiste en evenmin voldoet belanghebbende aan het zogenoemde gebruiksvereiste. Daarmee komt het onderhavige voertuig van belanghebbende in beginsel niet in aanmerking voor de ambulancevrijstelling als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de Wet.
Het Hof concludeert desalniettemin uiteindelijk toch tot de toepasselijkheid van die vrijstelling van motorrijtuigenbelasting. Aan het gebruiksvereiste wordt door het Hof voorbij gegaan door aan te nemen dat in dezen anders sprake zou zijn van schending van de in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur. Tegen dat oordeel wordt met cassatiemiddel I opgekomen.
Aan het vergunningsvereiste wordt door het Hof voorbij gegaan, nu volgens het Hof de (lagere) wetgever met de handhaving van dat vereiste in artikel 8, aanhef en b, van het Uitvoeringsbesluit, de grenzen van de hem geboden delegatieruimte heeft overschreden. Tegen dat oordeel wordt met cassatiemiddel II opgekomen.
Ad I.
Uit de r.o. 4.3. tot en met 4.6. concludeert het Hof (r.o. 4.7.) dat het gebruiksvereiste belanghebbende niet kan worden tegengeworpen. De daartoe door het Hof gebezigde onderbouwing is mede gebaseerd op een bepaalde wijze van verdeling van de bewijslast met aanvullende waardering van de bewijsmiddelen.
Belanghebbende heeft zich in dit verband op het gelijkheidsbeginsel beroepen (r.o. 4.3. slot). Wat daarbij om te beginnen opvalt, is dat belanghebbende ambulances die aan het vergunningsvereiste voldoen op een lijn stelt met het onderhavige voertuig. Mede in het licht van het doel van de in geding zijnde ambulancevrijstelling kunnen die gevallen niet als gelijke gevallen worden aangemerkt. Reeds op die grond kan van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen sprake zijn. Het Hof laat dit aspect volstrekt in het midden c.q. onbesproken.
Voor zover in de door belanghebbende betrokken stelling een beroep op schending van de meerderheidsregel moet worden gelezen, voldoet belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast. Het is daarbij namelijk aan belanghebbende om concrete gevallen als bewijs aan te leveren, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat van een dergelijk handelen in de meerderheid van de gevallen door de Inspecteur sprake is. Het Hof neemt echter genoegen met een meer in het algemeen betrokken stelling. Dusdoende geeft het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting uit te gaan. Zie in dit kader o.m. het arrest van Uw Raad van 15 oktober 2010, nr. 09/00907, BNB 2011/19.
Voorts staat vast dat bij de Inspecteur enig oogmerk tot begunstiging ontbreekt. De Inspecteur heeft aangegeven dat in daartoe aanleiding gevende gevallen, waaronder een ambulance met vergunning die niet aan het gebruiksvereiste voldoet, zal worden nageheven. Belanghebbende heeft geen enkel concreet geval aangedragen, waaruit naar voren zou komen dat de Inspecteur in een dergelijk geval willens en wetens van naheffing zou afzien. Het Hof ‘draait de zaak in wezen om’. Daargelaten dat het mede vanuit doelmatigheidsoverwegingen heel plausibel zou kunnen zijn om bij ambulances met vergunning het uitsluitend gebruik voor het vervoer van zieken en gewonden, in beginsel te veronderstellen.
Door het Hof wordt met de voorgestane aanpak en benadering in de r.o. 4.3. tot en met 4.6. tevens het begrip begunstigend beleid veel te ver opgerekt, waardoor een verkeerde invulling aan de in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur wordt gegeven.
In dit verband kan o.a. worden verwezen naar het arresten van uw Raad van 4 december 2009, nr. 08/02258, BNB 2010/65, en van 26 februari 2010, nr. 43475, BNB 2010/280, nr. 43270, BNB 2010/281, nr. 44064, BNB 2010/282, en nr. 08/01361, BNB 2010/279. Meer in het bijzonder wil ik uw Raad nog attenderen op de noot van Happé onder BNB 2013/2, waarbij een beschrijving in brede zin van de stand van jurisprudentie op het onderhavige terrein wordt gegeven. Lezing van die noot kan slechts tot de conclusie leiden, dat het Hof in de door mij bestreden uitspraak het recht heeft geschonden.
Daarenboven kan nog op het volgende worden gewezen voor wat betreft de meer praktische gang van zaken en werkwijze in dit soort gevallen.
Het gebruiksvereiste is opgenomen in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van de Wet. Het motorrijtuig mag uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden. Voor het aanvragen van deze vrijstelling is geen specifiek formulier voorhanden.
De desbetreffende belastingplichtige stuurt een schriftelijk verzoek om vrijstelling aan de inspecteur. Wanneer in dit verzoek niet is aangegeven of aan alle voorwaarden is voldaan, wordt een apart formulier toegezonden waarop de belastingplichtige moet verklaren dat aan de voorwaarden wordt voldaan, waaronder het gebruiksvereiste (op basis van artikel 27, vierde lid , van het Uitvoeringsbesluit).
De vergunning wordt dan ook alleen verleend als de betreffende instelling heeft verklaard dat aan het gebruiksvereiste wordt voldaan en de ambulance uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden. Anders dan het Hof suggereert is het niet zo dat in de uitvoeringspraktijk het gebruiksvereiste slechts een rol speelt bij de vrijstelling als er geen vergunning is (r.o. 4.5.). Het gebruiksvereiste is een voorwaarde waarop alle verzoeken worden beoordeeld en van alle verleende vrijstellingen zijn verklaringen aanwezig dat aan dit vereiste wordt voldaan.
In casu heeft belanghebbende niet verklaard dat de betreffende ambulance alleen wordt gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden. De Inspecteur heeft de vrijstelling terecht geweigerd. Tot zover de toetsing vooraf.
Op grond van genoemd artikel 27 van het Uitvoeringsbesluit moet een belastingplichtige de inspecteur onverwijld in kennis stellen als niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden (lid 6). Indien niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan, trekt de inspecteur de vrijstelling in (lid 7). Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet aan de verplichting in lid 6 vervalt de vrijstelling (lid 8).
Belanghebbende beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt dat ambulances die wel een vrijstelling genieten ook worden gebruikt voor andere doeleinden. Het gaat hier dan blijkbaar om vrijstellingsgenietenden die eerder hebben verklaard aan het gebruiksvereiste te voldoen. Deze vrijstellingsgenietende hebben niet gemeld aan de inspecteur dat zij niet langer aan de voorwaarden voldoen. De inspecteur kan dan pas kennis hebben van het feit dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan door controle achteraf. Aangezien een dergelijke controle in deze gevallen (nog) niet heeft plaats gevonden, kan het gelijkheidsbeginsel hier niet worden ingeroepen.
De handhaving en het toezicht achteraf (nadat de vrijstelling is verleend) geschiedt op basis van bepaalde toezichtnormen. Niet iedere vrijstellingsgenietende wordt jaarlijks gecontroleerd. Het is dan ook onbegrijpelijk dat het Hof stelt dat er naar het oordeel van het Hof (r.o. 4.6) sprake is van begunstigend beleid in de uitvoeringspraktijk, aangezien hiervan niets is gebleken.
Het Hof heeft kortom rechtens onjuist dan wel op onvoldoende gronden c.q. na een onjuiste verdeling van de bewijslast geconcludeerd dat op grond van de in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur in dezen aan belanghebbende het gebruiksvereiste niet kan worden tegengeworpen.
Mitsdien komt het onderhavige voertuig van belanghebbende op de voormelde grond niet in aanmerking voor toepassing van de ambulancevrijstelling van artikel 71, eerste lid, van de Wet.
Ad II.
Ten aanzien van het vergunningsvereiste oordeelt het Hof op grond van de r.o. 4.8. e.v. dat het vergunningsvereiste belanghebbende niet kan worden tegengeworpen, doordat de (lagere) wetgever de grenzen van de hem geboden delegatieruimte heeft overschreden c.q. sprake is van een omissie van de wetgever.
De beoordeling van het zogenoemde vergunningsvereiste dient mijns inziens te worden geplaatst in de context van het systeem van de Wet in samenhang met artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit. Meer in het bijzonder de in die uitvoeringsbesluitbepaling gekozen aansluiting bij de Wet ambulancevervoer en de daaruit blijkende bedoeling van de wetgever.
Na de doorgevoerde wijziging per 1 april 1996 in de Kwaliteitswet zorginstellingen ligt het in de rede dat voor de voorheen geldende inrichtingsvergunning in de plaats is getreden de ‘vergunde’ ambulance op de voet van de Kwaliteitswet zorginstellingen c.q. de Wet ambulancevervoer. De omstandigheid dat de formulering van artikel 71, tweede lid, van de Wet een mogelijke algemene maatregel van bestuur koppelt aan de inrichting en de uiterlijke herkenbaarheid van de motorrijtuigen, doet hieraan niet af. Van de wetgever mag immers worden verwacht dat hij geen zinledige invulling van de vigerende (lagere) wetgeving voorstaat. Dat laatste aspect is in mijn optiek door het Hof onvoldoende in acht genomen.
Derhalve kan naar mijn mening het vergunningsvereiste belanghebbende wel worden tegengeworpen. Het vergunningsvereiste ziet in dezen dan op de noodzakelijke vergunning van gedeputeerde staten van de provincie. Vaststaat dat belanghebbende ter zake van de onderhavige ‘Chevy Van Ambulance’ niet over een dergelijke vergunning beschikt. Ook op die grond komt het voertuig niet in aanmerking voor de ambulancevrijstelling van artikel 71, eerste lid, van de Wet.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco