Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.5.2.3
2.5.2.3 Tweede ontwerp BGB
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644873:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Entwurf eines Bürgerlichen Gesetzbuchs für das Deutsche Reich, Zweite Lesung; nach den Beschlüssen der Redaktionskommission: I. bis III. Buch (Allgemeiner Theil – Recht der Schuldverhältnisse- Sachenrecht), Berlin: J. Guttentag, Verlagsbuchhandlung 1894, titel 4, §910, p. 291.
Mugdan III, p. 685 e.v.
Oorspronkelijk werd dit afscheidingsrecht gekoppeld aan het wegneemrecht voor huurders: “In den Fällen der §§861, 862 (Entw. 2) ist jedoch die Wegnahme nach den für das Wegnahmerecht des Miethers geltenden Vorschriften zulässig.” Het geval van een niet-bezitter wiens zaak wordt nagetrokken sloot echter meer aan bij het geval waarin een zaak van een bezitter door andermans zaak werd nagetrokken: “In den Fällen der §§861, 862 ist jedoch die Wegnahme nach den für das Wegnahmerecht des Besitzers gegenüber dem Eigenthümer geltenden Vorschriften zulässig. Die Kom. nahm den modifizirten Antrag an, sie erwog: Es bestehe kein Grund, in den Fällen der §§861, 862, das Wegnahmerecht nicht in gleichem Umfange zu gewähren, wie im Falle des §910, da die Sachlage in beiden Fällen wesentlich die gleiche sei.” Zie hierover: Mugdan III, p. 648. Zie ook: Wieling, JZ/1985, p. 514.
Mugdan III, p. 648.
Het tweede ontwerp ging van hetzelfde principe uit als zijn voorgangers, namelijk dat door de verbinding de eigendom op een wezenlijk bestanddeel definitief tenietging. De middelen die iemand had, om compensatie voor zijn rechtsverlies te krijgen, waren echter anders dan in de voorgaande ontwerpen. Allereerst had iedere bezitter een afscheidingsrecht en een Aneignungsrecht op grond van §910 Tweede Ontwerp (het huidige §997 BGB), waarmee de bezitter de toegevoegde zaak kon afscheiden en zich deze kon toe-eigenen (“abtrennen und sich aneignen”).1 Daarnaast verkreeg de bezitter een retentierecht op grond van §912 lid 2 Tweede Ontwerp (het huidige §999 lid 2 BGB). Dit recht op retentie was tegen de eigenaar, diens opvolgers en andere gerechtigden tot de samengestelde zaak in te roepen, zodat de bezitter wat dat betreft dezelfde uitgangspositie had als in het deelontwerp van Johow. De bezitter had met het ius tollendi en het Aneignungsrecht de mogelijkheid om de eigendom te herkrijgen en met het retentierecht had hij een recht in handen dat de kenmerken had van een zakelijk recht. Als de bezitter de zaak aan de eigenaar teruggegeven had, dan had hij een vordering tot vergoeding van de gemaakte kosten (Verwendungsersatz). Hij verkreeg een zekerheidsrecht op de gehele zaak, zelfs als de hoofdzaak een stuk grond was. Dat het kadaster/Grundbuch vervuild zou raken - het zekerheidsrecht van de bezitter was immers nog niet ingeschreven - woog niet op tegen het belang van de bezitter. Indien de grond werd verkocht en overgedragen verkreeg de koper, te goeder trouw of niet, een stuk grond met een zekerheidsrecht. Dit zekerheidsrecht is vergelijkbaar met de andere lasten op een grond, die niet in het Grundbuch waren ingeschreven, zoals huur en pacht.2
Een wegneemrecht bestond niet als degene wiens zaak was nagetrokken het bezit van de hoofdzaak niet had. Als iemand zijn zaak met een zaak van een ander verbond, zodat de ander door natrekking zijn recht verloor, dan verkreeg laatstgenoemde geen Wegnahmerecht op grond van §866 Tweede Ontwerp (het huidige §951 BGB). Had een bezitter van een hoofdzaak zijn zaak daaraan verbonden, dan mocht hij deze wel afscheiden. Van belang was dus wie de hoofdzaak in bezit had. Voor het feit dat in het ene geval wel en in het andere geval geen Wegnahmerecht bestond, was geen rechtvaardigingsgrond te vinden. Vandaar dat ook een niet-bezitter een afscheidingsrecht zou moeten krijgen. Dit recht werd niet expliciet in de wet opgenomen. Een verwijzing naar het wegneemrecht van §910 Tweede Ontwerp (het huidige §997 BGB) volstond: het Wegnahmerecht van de bezitter tegen de eigenaar.3
“Die Ausschließung der Wegnahme steht mit den Vorschriften über die Wegnahme einer Einrichtung und mit dem §910 nicht im Einklänge. Es besteht kein Grund, die Einfügung einer fremden beweglichen Sache in das eigene Grundstück für unlösbar zu erklären, wenn die Verbindung der eigenen beweglichen Sache mit dem fremden Grundstücke lösbar ist.”4