Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.3.1:4.3.1 ‘de algemene gang van zaken van de onderneming’ (artikel 24 lid 1 WOR eerste volzin)
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.3.1
4.3.1 ‘de algemene gang van zaken van de onderneming’ (artikel 24 lid 1 WOR eerste volzin)
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS483766:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs naar par. 3.4.
Bij nader gewijzigd Ontwerp van wet (Kamerstukken I 1947-1948, 884, ordernummer 884) is artikel 4 lid 5 en onder b uiteindelijk in artikel 6 lid 5 en onder b van de Wet van 1950 beland.
Kamerstukken II 1947-1948, 884, nr. 3 p. 5.
Rood/Van der Heijden 2004, art. 24 lid 1, aant. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 4 lid 5 en onder b van het ontwerp dat leidde tot de Wet van 1950 verplichtte het hoofd of de bestuurder van de onderneming, waarvan we eerder zagen dat die zelf deel uitmaakte van de ondernemingsraad,1 de raad periodiek mededeling te doen van de economische gang van zaken in de onderneming.2 De bepaling had een tweeledig doel: het verschaffen van informatie die de ondernemingsraad, en dan met name de gekozen leden daarvan, voor zijn functioneren nodig had, en het vergroten van de verbondenheid van de door de ondernemingsraad vertegenwoordigde werknemers met de onderneming.3 Bij de wetswijziging van 1971 werd de verplichting overgeheveld naar lid 1 van een nieuw artikel 24, dat deel uitmaakte van hoofdstuk IV, betreffende de bevoegdheden van de ondernemingsraad. Het hoofdzakelijk informatieve karakter van de verplichting mededeling te doen, wijzigde in een verdergaande verplichting de gang van zaken in de onderneming te bespreken. Het oorspronkelijke wetsvoorstel sprak, overeenkomstig de op dat moment bestaande regeling, van de gang van zaken ‘in’ de onderneming. Op voorspraak van een aantal leden van de Vaste Kamercommissie die het wetsontwerp behandelde, is het woord ‘in’ vervangen door ‘van’, om daarmee tot uiting te brengen dat de bespreking niet beperkt was tot de interne gang van zaken; ook de marktpositie van de onderneming zou bijvoorbeeld aan bod moeten kunnen komen.4
Hoewel art. 23 lid 2 WOR reeds de mogelijkheid biedt onderwerpen betreffende de vennootschap in de overlegvergadering aan de orde te stellen, is de vraag relevant of het in art. 24 lid 1 WOR bedoelde overleg over de algemene gang van zaken van de onderneming zich óók zou kunnen uitstrekken tot de algemene gang van zaken van de vennootschap. Die relevantie is hierin gelegen dat lid 2 van art. 24 WOR bepaalt dat de commissarissen van de ondernemer of de bestuurders van een andere vennootschap die tenminste de helft van de aandelen in de ondernemer houdt, bij de bespreking van de algemene gang van zaken aanwezig zijn.5 Met een beroep op de reikwijdte van art. 23 lid 2 WOR, bepleit Rood een ruime uitleg van de woorden ‘de algemene gang van zaken van de onderneming’.6 Hoe ruim geeft Rood niet met zoveel woorden aan. De ‘algemene gang van zaken van de onderneming’ lijkt echter beperkter dan ‘aangelegenheden, de onderneming betreffende’. Het overleg in het kader van art. 24 lid 1 WOR betreft immers de ‘gang van zaken’, een begrip dat méér dan ‘de onderneming betreffende’ duidt op een verband met hetgeen zich feitelijk binnen de onderneming voordoet. Op grond van art. 24 lid 1d2 WOR kan de ondernemingsraad het functioneren van de raad van commissarissen aan de orde stellen indien dat functioneren daadwerkelijk van invloed is op de onderneming. De raad kan op grond van art. 23 lid 2 WOR echter van de ondernemer verlangen dat deze in breder perspectief van gedachten wisselt over de vraag of het functioneren van de onderneming met de instelling van een raad van commissarissen gebaat zou zijn. Hoe het onderscheid in de praktijk uitpakt zien we in de situatie waarin blijkt dat een als activistische belegger bekend staande aandeelhouder, die de naam heeft te streven naar rendement op korte termijn, doende is zijn belang in de vennootschap uit te breiden. Van een concrete aangelegenheid die de gang van zaken van de onderneming betreft kan men nog niet spreken. Toch houdt het onderwerp voldoende verband met de onderneming om reeds met de bestuurder van gedachten te wisselen over de vraag wat een dergelijk aandeelhouderschap op termijn voor gevolgen zou kunnen hebben voor de onderneming.