De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/2.1.4:2.1.4 Het aantal typen rechtvaardigheid
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/2.1.4
2.1.4 Het aantal typen rechtvaardigheid
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS372694:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De indeling van Greenberg (1993b) in vier typen rechtvaardigheid betekent niet dat men het er binnen de wetenschap over eens is dat rechtvaardigheid het beste gemeten kan worden door middel van deze vier concepten. Er bestaat binnen het onderzoeksveld van rechtvaardigheid namelijk nogal wat discussie over de vraag of rechtvaardigheid is opgebouwd uit één, twee (distributieve en procedurele rechtvaardigheid), drie (distributieve, procedurele en interactieve rechtvaardigheid) of vier concepten (distributieve, procedurele, interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid).
Volgens Greenberg (1990) kunnen twee of meer concepten van elkaar worden onderscheiden als aan twee criteria is voldaan:
mensen moeten zich intuïtief bewust zijn van de verschillende concepten;
de verschillende concepten moeten verschillende effecten hebben.
Het debat over het onderscheid tussen distributieve en procedurele rechtvaardigheid is het oudste.1 Uit een aantal studies volgt dat aan het eerste (Greenberg, 1986; Sheppard & Lewicki, 1987) en het tweede criterium is voldaan (Cohen-Charash & Spector, 2001; Colquitt e.a., 2001). Het is algemeen geaccepteerd dat distributieve rechtvaardigheid meer effect heeft op evaluaties die betrekking hebben op de uitkomst van de procedure (de tevredenheid met de uitspraak), terwijl procedurele rechtvaardigheid vooral sterk van invloed is op evaluaties ten aanzien van het (rechts)systeem (Armbrose & Arnoud, 2005; Greenberg, 1990; Lind & Tyler, 1988; Sweeney & McFarlin, 1993). Hoewel in een aantal onderzoeken een behoorlijk hoge correlatie is gevonden tussen distributieve en procedurele rechtvaardigheid (Cohen-Charash & Spector, 2001; Sweeney & McFarlin, 1997; Welbourne e.a., 1995)2— wat er weer op zou kunnen wijzen dat mensen moeite hebben de twee concepten in hun hoofd te scheiden — lijkt men het er in het algemeen over eens dat distributieve en procedurele rechtvaardigheid van elkaar kunnen worden onderscheiden (Colquitt, 2001; Greenberg, 1990; Klaming & Giesen, 2008).
De introductie van interactieve rechtvaardigheid door Bies en Moag (1986) zorgde voor nog meer discussie binnen de wetenschap. Deze discussie had betrekking op de vraag of procedurele en interactieve rechtvaardigheid verschillende concepten zijn of niet. Bies en Moag (1986) introduceerden interactieve rechtvaardigheid aanvankelijk als een derde type rechtvaardigheid, maar Bies kwam hier later op terug door interactieve rechtvaardigheid als een vorm van procedurele rechtvaardigheid te beschouwen. Dit laatste heeft tot gevolg gehad dat bij de meeste onderzoeken interactieve rechtvaardigheid als onderdeel van procedurele rechtvaardigheid is gemeten in één gecombineerde schaal (Brockner e.a., 1995, 1997; Folger & Konovsky, 1989; Konovsky & Folger, 1991; Mansour-Cole & Scott, 1998; Skarlicki & Latham, 1997).
Er bestaat aan de andere kant echter ook onderzoek dat aangeeft dat mensen zich intuïtief bewust zijn van het onderscheid tussen procedurele en interactieve rechtvaardigheid (Bies & Tripp, 1996; Clemmer, 1993; Messick e.a., 1985; Mikula, 1986; Mikula e.a., 1990) en onderzoek dat uitwijst dat de procedurele en interactieve rechtvaardigheid verschillende effecten hebben (o.a. Ambrose e.a., 2002; Aryee e.a., 2002; Bies, 2001; Cohen-Charash & Spector, 2001; Cropanzano e.a., 2002, Fuller jr & Hester, 2001.) Zo kwam bijvoorbeeld uit het onderzoek van Bies (2001) naar voren, dat procedurele rechtvaardigheid vooral van invloed is op evaluaties ten aanzien van het systeem, terwijl interactieve rechtvaardigheid eerder gerelateerd is aan evaluaties die betrekking hebben op autoriteiten (personen). Op grond van de twee criteria van Greenberg (1990) lijkt het daarom gerechtvaardigd om procedurele en interactieve rechtvaardigheid als twee verschillende concepten te zien. Binnen de wetenschap bestaat hierover echter geen overeenstemming (Colquitt, 2001; Colquitt e.a., 2001; Klaming & Giesen, 2008).
Een volgende stap in het debat werd ingezet door Greenberg (1993b) die interactieve rechtvaardigheid onderscheidde in interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid. Mensen zijn zich volgens hem niet alleen intuïtief bewust van interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid, maar de twee concepten hebben ook verschillende effecten (Greenberg, 1993c, 1994). Een klein aantal latere onderzoeken bevestigt dat deze twee concepten verschillende effecten hebben op de evaluaties van deelnemers van besluitvormingsprocedures (Cohen-Charash & Spector, 2001; Colquitt, 2001; Colquitt e.a., 2001; Kernan & Hanges, 2002).
De conclusie van het bovenstaande is dat er binnen de wetenschap nog steeds de nodige discussie bestaat, met name over de vraag of rechtvaardigheid het beste gemeten kan worden door middel van twee (distributieve en procedurele rechtvaardigheid), drie (distributieve, procedurele en interactieve rechtvaardigheid) of vier concepten (distributieve, procedurele, interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid).
Deze discussie wordt nog eens bemoeilijkt doordat de wijze waarop rechtvaardigheid in verschillende onderzoeken is gemeten nogal uiteenloopt (Colquitt, 2001; Lind & Tyler, 1988; Greenberg, 1990, 1993a). De afwezigheid van een algemeen geaccepteerd instrument om (de verschillende typen van) rechtvaardigheid te meten heeft hier zeker aan bijgedragen. Bovendien komt het vaak voor dat het ene concept gemeten wordt met vragen die beter lijken te passen bij een ander concept. Zo hebben Joy en Witt (1992) distributieve rechtvaardigheid gemeten door (onder andere) te vragen naar de wijze waarop de respondenten behandeld werden. Die vraag lijkt eerder interactieve of interpersoonlijke rechtvaardigheid te meten dan distributieve rechtvaardigheid. Dit soort problemen komen het meest voor bij de meting van interactieve rechtvaardigheid, waarbij vragen die betrekking hebben op interactieve en procedurele rechtvaardigheid door elkaar worden gegooid. Voor toekomstig onderzoek is het wenselijk om de vier typen rechtvaardigheid van elkaar te onderscheiden. Verschillen tussen de vier concepten kunnen daardoor aan het licht komen.