Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.2.1.2
8.2.2.1.2 Geen aftrek voor zover gebruik voor onbelastbare of vrijgestelde handelingen
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291532:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting op art. 9 lid 2 Voorstel voor een tweede richtlijn, p. 15-16.
Toelichting op art. 9 lid 2 Voorstel voor een tweede richtlijn, p. 16.
Toelichting op art. 9 lid 2 Voorstel voor een tweede richtlijn, p. 17.
Nota van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers aan de Raad van 13 december 1966, nr. R/1385/66 (ECO 112), p. 8-11. Uit de considerans van het Voorstel voor een tweede richtlijn was af te leiden dat het invoeren van een nultarief niet was toegestaan: “overwegende dat het in het systeem van de belasting over de toegevoegde waarde zeker mogelijk is om, desgewenst, uit overwegingen van sociale en economische aard de belastingdruk op bepaalde produkten en diensten te verlichten of te verzwaren door een differentiatie van de tarieven, maar dat het systeem zich bezwaarlijk leent tot invoering van nultarieven [onderstreping; MvdW], zodat het uitermate wenselijk is om de gevallen van vrijstelling strikt te beperken en om ten behoeve van de noodzakelijk geachte verlichtingen over te gaan tot toepassing van verlaagde tarieven, waarvan het niveau zo laag mogelijk is, waardoor normaliter de in de vorige fase betaalde belasting in mindering kan worden gebracht, hetgeen trouwens in het algemeen tot hetzelfde resultaat leidt als hetwelk thans bij toepassing van vrijstellingen in de cumulatieve cascadesystemen wordt verkregen”.
Nota van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers aan de Raad van 13 december 1966, nr. R/1385/66 (ECO 112), p. 8-11.
Bijlage II, p. 2-3 bij werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 20 februari 1967, nr. T/72/67 (ECO). In dit document is in de considerans van het Voorstel voor een tweede richtlijn niet langer opgemerkt dat dat het btw-systeem zich bezwaarlijk leent tot invoering van een nultarief, maar is opgemerkt dat de invoering van nultarieven moeilijkheden met zich brengt. Daarnaast is in dit document een nieuw art. 17 opgenomen op grond waarvan lidstaten de bevoegdheid hebben om onder voorbehoud van raadpleging van de Europese Commissie: “tot aan de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten van uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, om duidelijke redenen van sociaal belang en ten behoeve van de eindverbruikers, verlaagde tarieven of zelfs vrijstellingen vast te stellen met eventuele teruggaaf van de in de vorige fase geheven belastingen, voor zover het totale effect van deze maatregelen het effect van de in de huidige regeling toegepaste lastenverlichtingen niet overschrijdt.”
Op de aftrekregel van art. 9 lid 1 Voorstel voor een tweede richtlijn was in het tweede lid een uitzondering opgenomen. Op grond hiervan was de btw, behoudens enkele specifieke uitzonderingen, niet aftrekbaar voor zover de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor onbelastbare of vrijgestelde transacties. De redenen voor deze aftrekbeperking waren als volgt:
“Deze regeling wordt voorgesteld omdat de overgrote meerderheid van de regeringen van mening is dat de aftrek van voorbelasting ingeval van onbelastbare of vrijgestelde transacties tot talrijke administratieve complicaties zou leiden. Indien deze regeling niet zou worden toegepast zou dit immers tot resultaat hebben dat bepaalde belastingplichtigen, welke uitsluitend of in overwegende mate onbelastbare of vrijgestelde transacties verrichten, zich voortdurend in de positie van crediteuren ten opzichte van de belastingadministratie zouden bevinden, die een speciale dienst zou moeten instellen om, na onderzoek, uitvoering te kunnen geven aan de verzoeken om teruggave. Voorts is betoogd dat in dat geval alle belanghebbende sectoren er al te gauw toe zouden worden gebracht op vrijstelling met aftrekmogelijkheid aan te dringen, waardoor aan het beginsel van een belasting die op zeer algemene wijze alle uitgaven ten behoeve van het verbruik treft, in toenemende mate afbreuk dreigt te worden gedaan. Het niet toepassen van de voorgestelde regel zou tenslotte de noodzaak medebrengen het algemene belastingtarief op een hoger niveau vast te stellen.”1
De Europese Commissie was niet blind voor de cumulatie die deze aftrekbeperking tot gevolg kan hebben:
“(…) zowel de vrijgestelde als de niet belastbare goederen en diensten gaan een verborgen fiscale last dragen. Dit " residu van de belastingheffing" kan in een volgend stadium niet in mindering worden gebracht. Daaruit vloeit een cumulatie van de belastingheffing voort en bijgevolg een hogere belastingdruk dan in het geval, waarin de in de voorafgaande fase verrichte levering of dienst belast zou zijn; (…)”2
Vanwege dit cumulatiegevaar drukte de Europese Commissie de lidstaten op het hart ‘dat het dringend gewenst is het aantal vrijstellingen tot het uiterste te beperken’.3
Nederland is de enige lidstaat die een kanttekening heeft geplaatst bij de voorgestelde beperking van de aftrek. Naar de mening van Nederland was deze beperking in strijd met de beginselen van het gemeenschappelijke btw-stelsel. Principieel was dit bezwaar kennelijk niet, aangezien Nederland aangaf dat het met de voorgestelde beperking kon leven indien het de vrijheid kreeg om sommige prestaties aan een ‘nulrecht’ (lees: nultarief) te onderwerpen waardoor de betrokken prestaties geheel vrijgesteld de verbruiker zouden bereiken’.4 Hoewel de Europese Commissie en andere lidstaten tegen een nultarief waren5, heeft Nederland op dit punt uiteindelijk zijn zin gekregen.6 In art. 11 lid 2 Tweede Richtlijn is daarom opgenomen dat de btw die drukt op de goederen en diensten die worden gebruikt voor het verrichten van onbelastbare of vrijgestelde handelingen niet aftrekbaar is, terwijl blijkens de considerans en art. 17 Tweede Richtlijn, vierde streepje het verbod op de invoering van een nultarief is losgelaten.