HR 17 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:571, NJ 2022/317, m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 2.3.
HR, 07-10-2025, nr. 24/01077
ECLI:NL:HR:2025:1493
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-10-2025
- Zaaknummer
24/01077
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1493, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:725
ECLI:NL:PHR:2025:725, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1493
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑08‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0311
JIN 2025/142 met annotatie van mr. C. van Oort
NTS 2025/82
Uitspraak 07‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (art. 300.2 Sr). Bewijsklacht zwaar lichamelijk letsel. Kan blijvend gehoorverlies worden aangemerkt als ‘zwaar lichamelijk letsel’ a.b.i. art. 300.2 Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:1051 m.b.t. algemene gezichtspunten voor beantwoording van vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is. Hof heeft vastgesteld dat slachtoffer a.g.v. bewezenverklaarde geweldshandelingen van verdachte o.m. trommelvliesperforatie en blijvend gehoorverlies heeft opgelopen, terwijl uit medische informatie niet is gebleken dat er bij haar al eerder sprake van gehoorverlies is geweest. Hierop gebaseerd oordeel dat er geen uitzicht is op volledig herstel van dit zintuig en dat aan slachtoffer ‘zwaar lichamelijk letsel’ is toegebracht, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01077
Datum 7 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 maart 2024, nummer 21-002905-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-191976-17 en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het oordeel van het hof dat sprake is van ‘zwaar lichamelijk letsel’ als bedoeld in artikel 300 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-191976-17 bewezenverklaard dat:
“hij, op 19 juli 2017 te [plaats] , [slachtoffer] , heeft mishandeld door
- die [slachtoffer] op de grond te gooien en
- op het lichaam van die [slachtoffer] te zitten en
- meermalen (met kracht) tegen het hoofd en op het lichaam te slaan en te stompen en
- de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten blijvend gehoorverlies / blijvende gehoorschade ten gevolge heeft gehad.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (...), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] van 20 juli 2017:
Plaats delict: [a-straat 1] , [plaats] ,
Pleegdatum/tijd: op woensdag 19 juli 2017 om 17:28 uur.
Ik doe aangifte van mishandeling. Ik ben zodanig mishandeld dat ik nog naar het ziekenhuis ben geweest voor controle. Hier bleek dat ik mogelijk mijn trommelvlies heb gescheurd. Ook heb ik blauwe plekken in mijn linker nek/hals, onder mijn linker oor, mijn armen en benen. Ook heb ik een verdikking op mijn hoofd. De dokter heeft mij verteld dat dit is gekomen door de klappen die ik heb ontvangen. De mishandeling is gepleegd door [verdachte] . Ik heb [verdachte] gisteren verteld dat ik de relatie wil beëindigen, omdat het gewoon niet werkt tussen ons. Ik zag toen dat [verdachte] gelijk boos werd.
(...). Voordat ik kon reageren was [verdachte] al bij mij en zag en voelde ik dat hij mij met zijn linker vuist in mijn gezicht sloeg. Ik voelde dat hij mij bij mijn oor raakte en op de linkerkant van mijn hoofd. Ik voelde gelijk pijn. Ik probeerde gelijk weg te rennen/kruipen, maar dat lukte niet. [verdachte] heeft mij meerdere malen geslagen.
Ook heeft hij mij met de platte hand geslagen op mijn rechterwang. Ik voelde dat [verdachte] mij met zijn ene hand bij de haren vasthield en dat hij met de andere hand mij sloeg. Tijdens het slaan trok [verdachte] mij over de vloer en is hij bovenop mij gaan zitten. Ik voelde dat hij met zijn rechterhand de keel dichtkneep en mij ook sloeg terwijl ik op de grond lag.
2. Een geschrift bevattende een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] , opgemaakt op 20 juli 2017 door [betrokkene 1] , huisarts (...), voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1993, is op 20 juli 2017 onderzocht. Er zijn diverse hematomen geconstateerd. Er is sprake van een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel en inwendig bloedverlies.
3. Een geschrift inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer] , opgemaakt door KNO-arts [betrokkene 2] van 22 september 2017 (...) - zakelijk weergegeven - inhoudende:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1993, is op 22 september 2017 onderzocht.
AS: trommelvliesperforatie voorkwadranten, atrofisch aspect trommelvlies.
AD intact trommelvlies, luchthoudend middenoor.
Toonaudiometrie: AS: gemengd gehoorverlies met overwegend conductief component en aflopend perceptief gehoorverlies. AD: normaal gehoor. Spraakaudiometrie conform toonaudiometrie.
De conclusie luidt: trommelvliesperforatie AS met mogelijk ketenonderbreking en perceptief gehoorverlies ontstaan na trauma.
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] door de rechter-commissaris van 21 augustus 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij wat ik kan vertellen over wat er is gebeurd op 19 juli 2017. Mijn dochter belde mij ‘s avonds dat zij in elkaar geslagen was. Ik ben erheen gereden. Zij zag er niet uit. Zij zat onder de blauwe plekken. U vraagt mij of ik nog weet hoe laat zij heeft gebeld. Dat was tegen een uur of 19.00 uur. Maar u moet mij er niet op vastpinnen. Ik heb niet op mijn horloge gekeken. Ik ben in de auto gestapt en erheen gevlogen. U vraagt mij hoe zij klonk aan de telefoon, zij klonk paniekerig. Zij huilde. U vraagt mij wat zij precies vertelde aan de telefoon. Zij vertelde dat zij de verkering had uitgemaakt en dat dat was geëscaleerd.
5. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 31 januari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik beken dat er een handgemeen is geweest. Ik heb [slachtoffer] twee keer geslagen met de platte hand.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep is door verdachte toegegeven dat hij tweemaal met de vlakke hand in het gezicht van aangeefster [slachtoffer] heeft geslagen. Verdachte ontkent echter dat hij haar heeft mishandeld, zoals dit aan hem ten laste is gelegd. Verdachte betwist ook dat hij de gehoorschade aan het linkeroor van aangeefster en de blauwe plekken op haar hoofd en lichaam heeft veroorzaakt. Volgens verdachte was al voor de datum van de tenlastelegging bij aangeefster sprake van gehoorschade. De raadsman heeft bepleit verdachte, afgezien van twee klappen met de vlakke hand in het gezicht van aangeefster, vrij te spreken van de aan hem tenlastegelegde mishandeling.
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 08-191976-17 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat de aangifte van [slachtoffer] voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen, waaronder de medische informatie betreffende aangeefster. Op 20 juli 2017 is bij het eerste medische onderzoek van aangeefster uitwendig letsel waargenomen, waaronder diverse hematomen op haar hoofd en andere plekken op haar lichaam, en puntbloedingen onder en achter het linkeroor. Dit letsel kan in ieder geval niet alleen zijn veroorzaakt door twee klappen met de vlakke hand in haar gezicht. Bij nader onderzoek aan het linkeroor van aangeefster op 22 juli 2017 (de Hoge Raad begrijpt: 22 september 2017) heeft de KNO-arts een trommelvliesperforatie en een na trauma ontstaan gehoorverlies geconstateerd. Uit de medische informatie blijkt niet dat er bij aangeefster al eerder sprake van gehoorverlies is geweest. Naar het oordeel van het hof is dit overigens ook niet aannemelijk geworden en moet het blijvende gehoorverlies aan het linkeroor van aangeefster worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Het hof komt dan ook tot bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid dat de mishandeling van aangeefster zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.”
2.3
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Wat de aard van het letsel betreft kan ook het verlies van het gebruik van een zintuig als zwaar lichamelijk letsel worden beschouwd. In dit verband kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. De beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de feitenrechter. Zijn oordeel daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Als echter uit de bestreden beslissing niets blijkt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie. (Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.)
2.4
Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer als gevolg van de bewezenverklaarde geweldshandelingen van de verdachte onder meer een trommelvliesperforatie en blijvend gehoorverlies heeft opgelopen, terwijl uit de medische informatie niet is gebleken dat er bij haar al eerder sprake van gehoorverlies is geweest. Het hierop gebaseerde oordeel dat er geen uitzicht is op volledig herstel van dit zintuig en dat aan het slachtoffer ‘zwaar lichamelijk letsel’ is toegebracht, geeft in het licht van wat onder 2.3 is overwogen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025.
Conclusie 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling voor (onder meer) mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Middel dat is gericht tegen de bewezenverklaring van het strafverzwarende gevolg slaagt. Oordeel hof dat blijvend gehoorverlies is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel is ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01078.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01077
Zitting 1 juli 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 13 maart 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (21-002905-20), voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (zaak met parketnummer 08-191976-17) en beledigingen van politieambtenaren (zaken met parketnummers 08-202503-19 en 08-020628-20) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij in de mishandelingszaak en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01078. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 21 maart 2024 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van de mishandeling, meer in het bijzonder de bewezenverklaring van het strafverzwarend gevolg, het ‘zwaar lichamelijk letsel’.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend ten aanzien van de mishandelingszaak en de strafoplegging.
2. De bewezenverklaring en de bewijsvoering in de mishandelingszaak
2.1
Ten laste van de verdachte is – voor zover in cassatie van belang – in de mishandelingszaak (de zaak met parketnummer 08-191976-17) bewezenverklaard dat:
“hij, op 19 juli 2017 te [plaats] , [slachtoffer] , heeft mishandeld door
- die [slachtoffer] op de grond te gooien en
- op het lichaam van die [slachtoffer] te zitten en
- meermalen (met kracht) tegen het hoofd en op het lichaam te slaan en te stompen en
- de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten blijvend gehoorverlies / blijvende gehoorschade ten gevolge heeft gehad;”
2.2
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, zoals strafbaar gesteld in art. 300 lid 2, Sr.
2.3
De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 1 en 2 van het proces-verbaal, genummerd PL0600- 2017337312-1, met als bijlage op pagina 4 tot en met 10 een fotomap), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [slachtoffer] van 20 juli 2017:
Plaats delict: [a-straat 1] [plaats] ,
Pleegdatum/tijd: op woensdag 19 juli 2017 om 17:28 uur.
Ik doe aangifte van mishandeling. Ik ben zodanig mishandeld dat ik nog naar het ziekenhuis ben geweest voor controle. Hier bleek dat ik mogelijk mijn trommelvlies heb gescheurd. Ook heb ik blauwe plekken in mijn linker nek/hals, onder mijn linker oor, mijn armen en benen. Ook heb ik een verdikking op mijn hoofd. De dokter heeft mij verteld dat dit is gekomen door de klappen die ik heb ontvangen. De mishandeling is gepleegd door [verdachte] . Ik heb [verdachte] gisteren verteld dat ik de relatie wil beëindigen, omdat het gewoon niet werkt tussen ons. Ik zag toen dat [verdachte] gelijk boos werd.
(...). Voordat ik kon reageren was [verdachte] al bij mij en zag en voelde ik dat hij mij met zijn linker vuist in mijn gezicht sloeg. Ik voelde dat hij mij bij mijn oor raakte en op de linkerkant van mijn hoofd. Ik voelde gelijk pijn. Ik probeerde gelijk weg te rennen/kruipen, maar dat lukte niet. [verdachte] heeft mij meerdere malen geslagen. Ook heeft hij mij met de platte hand geslagen op mijn rechterwang. Ik voelde dat [verdachte] mij met zijn ene hand hij de haren vasthield en dat hij met de andere hand mij sloeg. Tijdens het slaan trok [verdachte] mij over de vloer en is hij bovenop mij gaan zitten. Ik voelde dat hij met zijn rechterhand de keel dichtkneep en mij ook sloeg terwijl ik op de grond lag.
2. Een geschrift bevattende een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] , opgemaakt op 20 juli 2017 door [betrokkene 1] , huisarts (als bijlage op pagina 12), voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1993, is op 20 juli 2017 onderzocht. Er zijn diverse hematomen geconstateerd. Er is sprake van een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel en inwendig bloedverlies
3. Een geschrift inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer] , opgemaakt door KNO-arts dr. [betrokkene 2] van 22 september 2017 (als bijlage op pagina 13, met als bijlage op pagina 14 toonaudiogrammen) – zakelijk weergegeven – inhoudende:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1993, is op 22 september 2017 onderzocht.
AS: trommelvliesperforatie voorkwadranten, atrofisch aspect trommelvlies.
AD: intact trommelvlies, luchthoudend middenoor.
Toonaudiometrie: AS: gemengd gehoorverlies met overwegend conductief component en aflopend perceptief gehoorverlies. AD: normaal gehoor.
Spraakaudiometrie conform toonaudiometrie.
De conclusie luidt: trommelvliesperforatie AS met mogelijk ketenonderbreking en perceptief gehoorverlies ontstaan na trauma.
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten het proces-verbaal van verhoor van [getuige] door de rechter-commissaris van 21 augustus 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij wat ik kan vertellen over wat er is gebeurd op 19 juli 2017. Mijn dochter belde mij ‘s avonds dat zij in elkaar geslagen was. Ik ben erheen gereden. Zij zag er niet uit. Zij zat onder de blauwe plekken. U vraagt mij of ik nog weet hoe laat zij heeft gebeld. Dat was tegen een uur of 19.00 uur. Maar u moet mij er niet op vastpinnen. Ik heb niet op mijn horloge gekeken. Ik ben in de auto gestapt en erheen gevlogen. U vraagt mij hoe zij klonk aan de telefoon, zij klonk paniekerig. Zij huilde. U vraagt mij wat zij precies vertelde aan de telefoon. Zij vertelde dat zij de verkering had uitgemaakt en dat dat was geëscaleerd.
5. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 31 januari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik beken dat er een handgemeen is geweest. Ik heb [slachtoffer] twee keer geslagen met de platte hand.
2.4
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Op 20 juli 2017 is bij het eerste medische onderzoek van aangeefster uitwendig letsel waargenomen, waaronder diverse hematomen op haar hoofd en andere plekken op haar lichaam, en puntbloedingen onder en achter het linkeroor. (…) Bij nader onderzoek aan het linkeroor van aangeefster op 22 juli 2017 [A-G: ik begrijp: 22 september 2017] heeft de KNO-arts een trommelvliesperforatie en een na trauma ontstaan gehoorverlies geconstateerd. Uit de medische informatie blijkt niet dat er bij aangeefster al eerder sprake van gehoorverlies is geweest. Naar het oordeel van het hof is dit overigens ook niet aannemelijk geworden en moet het blijvende gehoorverlies aan het linkeroor van aangeefster worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Het hof komt dan ook tot bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid dat de mishandeling van aangeefster zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad”.
2.5
Het bestreden arrest bevat verder de volgende passages over het bij het slachtoffer geconstateerde letsel:
“Oplegging van straf en/of maatregel
(…)
Verdachte heeft zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] mishandeld in haar eigen woning. Hij heeft het slachtoffer niet alleen opzettelijk lichamelijk letsel toegebracht, waaronder diverse hematomen verspreid over haar hele lichaam, maar door het handelen van verdachte is daarnaast onherstelbare schade in haar linkeroor ontstaan, waardoor zij blijvend gehoorverlies heeft geleden. (…)
De vrijspraak van het strafverzwarende bestanddeel ‘levensgezel’ in hoger beroep doet op zichzelf niets af aan de ernst van de bewezenverklaarde mishandeling en de ingrijpende gevolgen van dit feit voor het slachtoffer, waaronder het blijvende gehoorverlies.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
(…)
“Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij al op jonge leeftijd blijvende en ernstige gehoorschade heeft opgelopen”.
3. Het middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, althans blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in de artikelen 82 en 300 lid 2 Sr. Door de stellers wordt in dit verband aangevoerd dat “een traumatische perforatie van een trommelvlies en een verminderd gehoor (aan één oor) onvoldoende is om als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt”.
3.2
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’ wordt in het Wetboek van Strafrecht niet uitputtend gedefinieerd of omschreven. Wel bevat art. 82 Sr een niet-limitatieve opsomming van gevallen die in elk geval als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt, te weten: “ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw” plus “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft”.
3.3
Ook buiten deze in art. 82 Sr genoemde gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden gekwalificeerd indien dat letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, in elk geval kunnen worden aangemerkt “de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.”1.Wat betreft de aard van het letsel geldt dat ook verlies van het gebruik van een zintuig als zwaar lichamelijk kan worden beschouwd.2.“De beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Als echter uit de bestreden beslissing niets blijkt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.”3.
3.4
Door de stellers van het middel wordt, als gezegd, aangevoerd dat letsel dat bestaat uit een trommelvliesperforatie en verminderd gehoord (aan één oor) niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Daarbij wordt – met aanhaling van een conclusie van A-G Vellinga4.– ook verwezen naar twee arresten van de Hoge Raad. Het eerste arrest waar in dit verband een beroep op wordt gedaan is HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1398, NJ 1999/151. In die zaak bleek uit een medische verklaring, opgesteld enkele dagen na het bewezenverklaarde feit, dat onder meer sprake was van verminderd gehoor aan het linkeroor en een traumatische perforatie van het trommelvlies. Het hof oordeelde dat er sprake was van zwaar lichamelijk letsel. Volgens de Hoge Raad was dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, omdat de bewijsmiddelen niets inhielden over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. In het tweede arrest, HR 1 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4637, ging het om een perforatie van het trommelvlies. Het hof merkte dat letsel als zwaar lichamelijke letsel aan. Opnieuw oordeelde de Hoge Raad de beslissing van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Naast deze beide zaken heeft de Raad zich meer recent, voor zover mij bekend, niet meer uitgelaten over de kwalificatie van letsel aan het gehoor.5.
3.5
Dat neemt niet weg dat uit deze zaken wel kan worden afgeleid dat letsel dat bestaat uit een perforatie van het trommelvlies met verminderd gehoor als gevolg, niet zonder meer als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. In de onderhavige zaak volgt uit de voor het bewijs gebruikte medische verklaring van de KNO-arts, dat er sprake is van een trommelvliesperforatie aan het linkeroor als gevolg waarvan het slachtoffer “aflopend perceptief gehoorverlies” heeft opgelopen. Een nadere online zoekslag leert dat het hierbij gaat om een vorm van slechthorendheid die niet volledig te genezen is. Dit bij het slachtoffer geconstateerde gehoorverlies is, zoals reeds blijkt uit de bewezenverklaring en de hiervoor aangehaalde passages uit het bestreden arrest, door het hof (onder meer) als “blijvend” aangemerkt. De vraag waar het in de kern om gaat is of de duiding “blijvend” voldoende is om het letsel als zwaar lichamelijk letsel aan te merken.
3.6
Het lijkt mij dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. De enkele omstandigheid dat sprake is van gehoorverlies van blijvende aard kan naar mijn mening niet de gevolgtrekking dragen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Weliswaar zegt het blijvende karakter van het gehoorverlies in algemene zin iets over het niet-bestaande uitzicht op volledig herstel, maar voor de kwalificatie van dergelijk blijvend letsel als zwaar zijn nadere vaststellingen over het geconstateerde letsel noodzakelijk. Daarbij lijken mij, wat betreft de aard van het letsel, in het bijzonder de mate van het gehoorverlies en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor het functioneren van het slachtoffer relevant, als ook – het door de Hoge Raad genoemde algemene gezichtspunt van – de noodzaak en aard van medisch ingrijpen. Deze omstandigheden kunnen, ook al is het gehoorverlies blijvend, sterk variëren. Niet ieder blijvend gehoorverlies zal van dusdanig wezenlijke omvang en ernst zijn dat kan worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel.
3.7
In de onderhavige zaak heeft het hof geen nadere vaststellingen gedaan over de omvang van het gehoorverlies6.en de bewijsmiddelen houden evenmin iets in over de gevolgen van het letsel op het functioneren van het slachtoffer en de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen. Dat brengt mij tot de conclusie dat het middel slaagt, omdat het oordeel van het hof, dat het bij het slachtoffer als gevolg van de mishandeling ontstane blijvende gehoorverlies als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken, ontoereikend is gemotiveerd.
3.8
Ten overvloede merk ik nog op dat het huidige dossier ook aanknopingspunten bevat voor dergelijke nadere vaststellingen over het letsel. Zo behelst de verklaring van de KNO-arts die het hof deels voor het bewijs heeft gebruikt (zie randnr. 2.3), in het niet voor het bewijs gebezigd deel ook informatie over de mogelijkheid tot medisch ingrijpen. Daarnaast bevat een bij de vordering van de benadeelde partij gevoegd ander stuk van diezelfde arts – waarop het hof, gelet op hetgeen is overwogen in verband met de vordering van de benadeelde partij, kennelijk wel acht heeft geslagen (zie hiervoor onder randnr. 2.5) – meer relevante informatie over de omvang van het geconstateerde gehoorverlies en de wijze van medisch (niet operatief) ingrijpen.
4. Slotsom
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-191976-17 en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑07‑2025
HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200, m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 2.5.
HR 17 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:571, NJ 2022/317, m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 2.3. Zie ook HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200, m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 2.8.
Conclusie van 18 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO3454.
Dat ligt anders in de feitenrechtspraak. Daarin is ook meer recentelijk blijvende gehoorschade niet zonder meer als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt. In aansluiting op de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt voor de kwalificatie van dat letsel betekenis toegekend aan onder meer de ernst/omvang van de opgelopen gehoorschade, de aard van medisch (niet operatief) ingrijpen en de gevolgen van het letsel op het functioneren van het slachtoffer. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2024:3521, ECLI:NL:RBOBR:2023:3863, ECLI:NL:GHSHE:2022:3739, ECLI:NL:GHDHA:2018:3370, ECLI:NL:RBNNE:2018:1096 en ECLI:NL:RBOBR:2017:2469.
Het hof heeft, in de aanhef van bewijsmiddel 3, weliswaar verwezen naar de bij de medische informatie van de KNO-arts gevoegde toonaudiogrammen, maar het heeft op grond daarvan geen verdere vaststellingen gedaan over de omvang van het door de KNO-arts geconstateerde gehoorverlies.
Beroepschrift 26‑08‑2024
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 maart 2024, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 10.106,13 en heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, waarbij het aantal dagen gijzeling is bepaald op 85 dagen.1.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 82 en 300 Sr, 359 jo. 415 Sv, en wel omdat het hof het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel (blijvend gehoorverlies/blijvende gehoorschade als zwaar lichamelijk letsel heeft aangemerkt. De bewezenverklaring is dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Ten laste van de verdachte is, voor zover hier van belang, bewezenverklaard dat:
‘hij, op 19 juli 2017 te [a-plaats], [slachtoffer], heeft mishandeld door
- —
die [slachtoffer] op de grond te gooien en
- —
op het lichaam van die [slachtoffer] te zitten en
- —
meermalen (met kracht) tegen het hoofd en op het lichaam te slaan en te stompen en
- —
de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten blijvend gehoorverlies/blijvende gehoorschade ten gevolge heeft gehad.’
1.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
- ‘1.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 1 en 2 van het proces-verbaal, genummerd [001], met als bijlage op pagina 4 tot en met 10 een fotomap), voor zover in houdende — zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] van 20 juli 2017:
Plaats delict : [a-straat 01], [postcode] [a-plaats],
Pleegdatum/tijd: op woensdag 19 juli 2017 om 17:28 uur.
Ik doe aangifte van mishandeling. Ik ben zodanig mishandeld dat ik nog naar het ziekenhuis ben geweest voor controle. Hier bleek dat ik mogelijk mijn trommelvlies heb gescheurd. Ook heb ik blauwe plekken in mijn linker nek/hals, onder mijn linker oor, mijn armen en benen. Ook heb ik een verdikking op mijn hoofd. De dokter heeft mij verteld dat dit is gekomen door de klappen die ik heb ontvangen. De mishandeling is gepleegd door [verdachte]. Ik heb [verdachte] gisteren verteld dat ik de relatie wil beëindigen, omdat het gewoon niet werkt tussen ons. Ik zag toen dat [verdachte] gelijk boos werd.
(…). Voordat ik kon reageren was [verdachte] al bij mij en zag en voelde ik dat hij mij met zijn linker vuist in mijn gezicht sloeg. Ik voelde dat hij mij bij mijn oor raakte en op de linkerkant van mijn hoofd. Ik voelde gelijk pijn. Ik probeerde gelijk weg te rennen/kruipen, maar dat lukte niet. [verdachte] heeft mij meerdere malen geslagen. Ook heeft hij mij met de platte hand geslagen op mijn rechterwang. Ik voelde dat [verdachte] mij met zijn ene hand hij de haren vasthield en dat hij met de andere hand mij sloeg. Tijdens het slaan trok [verdachte] mij over de vloer en is hij bovenop mij gaan zitten Ik voelde dat hij met zijn rechterhand de keel dichtkneep en mij ook sloeg terwijl ik óp de grond lag.
- 2.
Een geschrift bevattende een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer], opgemaakt op 20 juli 2017 door [betrokkene 1], huisarts (als bijlage op pagina 12), voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
[slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1993, is op 20 juli 2017 onderzocht. Er zijn diverse hematomen geconstateerd. Er is sprake van een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel en inwendig bloedverlies
- 3.
Een geschrift inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer], opgemaakt door KNO-arts dr. [betrokkene 2] van 22 september 2017 (als bijlage op pagina 13, met als bijlage op pagina 14 toonaudiogrammen) — zakelijk weergegeven-inhoudende:
[slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1993, is op 22 september 2017 onderzocht. AS: trommelvliesperforatie voorkwadranten, atrofisch aspect trommelvlies.
AD intact trommelvlies, luchthoudend middenoor.
Toonaudiometrie: AS: gemengd gehoorverlies met overwegend conductief component en aflopend perceptief gehoorverlies. AD: normaal gehoor. Spraakaudiometrie conform toonaudiometrie.
De conclusie luidt: trommelvliesperforatie AS met mogelijk ketenonderbreking en perceptief gehoorverlies ontstaan na trauma.
- 4.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] door de rechter-commissaris van 21 augustus 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij wat ik kan vertellen over wat er is gebeurd op 19 juli 2017. Mijn dochter belde mij 's avonds dat zij in elkaar geslagen was. Ik ben erheen gereden. Zij zag er niet uit. Zij zat onder de blauwe plekken. U vraagt mij of ik nog weet hoe laat zij heeft gebeld. Dat was tegen een uur of 19.00 uur. Maar u moet mij er niet op vastpinnen. Ik heb niet op mijn horloge gekeken. Ik ben in de auto gestapt en erheen gevlogen. U vraagt mij hoe zij klonk aan de telefoon, zij klonk paniekerig. Zij huilde. U vraagt mij wat zij precies vertelde aan de telefoon. Zij vertelde dat zij de verkering had uitgemaakt en dat dat was geëscaleerd.
- 5.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 31 januari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik beken dat er een handgemeen is geweest. Ik heb [slachtoffer] twee keer geslagen met de platte hand.’
1.3
Voorts heeft het hof nog het volgende overwogen, voor zover het letsel betreft van belang:
‘Op 20 juli 2017 is bij het eerste medische onderzoek van aangeefster uitwendig letsel waargenomen, waaronder diverse hematomen op haar hoofd en andere plekken op haar lichaam, en puntbloedingen onder en achter het linkeroor. Dit letsel kan in ieder geval niet alleen zijn veroorzaakt door twee klappen met de vlakke hand in haar gezicht. Bij nader onderzoek aan het linkeroor van aangeefster op 22 juli 2017 heeft de KNO-arts een trommelvliesperforatie en een na trauma ontstaan gehoorverlies geconstateerd. Uit de medische informatie blijkt niet dat er bij aangeefster al eerder sprake van gehoorverlies is geweest. Naar het oordeel van het hof is dit overigens ook niet aannemelijk geworden en moet het blijvende gehoorverlies aan het linkeroor van aangeefster worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Het hof komt dan ook tot bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid dat de mishandeling van aangeefster zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.’
1.4
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als:
‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.’
1.5
Ten aanzien van de strafoplegging (vijf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf) heeft het hof onder meer overwogen:
‘De vrijspraak van het strafverzwarende bestanddeel ‘levensgezel’ in hoger beroep doet op zichzelf niets af aan de ernst van de bewezenverklaarde mishandeling en de ingrijpende gevolgen van dit feit voor het slachtoffer, waaronder het blijvende gehoorverlies. Dit feit uit 2017 weegt zwaar in de op te leggen straf. Daarom acht het hof de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden een passende reactie op het bewezenverklaarde. Het hof zal de duur van de op te leggen gevangenisstraf echter niet twee maanden verminderen omdat het hoger beroep van verdachte niet is behandeld en afgedaan binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, passend en geboden is.’
1.6
Art. 82 Sr somt (niet limitatief) op wat onder zwaar lichamelijk letsel moet worden verstaan:
- ‘1.
Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw.
- 2.
Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft.’
1.7
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen volgens de Hoge Raad in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.2. Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt — ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden — dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie ‘zwaar lichamelijk letsel’; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk.3. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken — langdurige — pijnklachten (hebben) bestaan.4. De beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Indien echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.5.
1.8
In de conclusie van voormalig AG Vellinga van 18 mei 2004 (ECLI:NL:PHR:AO3454) staan enkele voorbeelden van zwaar lichamelijk letsel en gevallen waarin dat onvoldoende is gebleken. Voorbeelden die in de onderhavige zaak van belang zijn, zijn zaken waarin het letsel NIET als zwaar lichamelijk letsel wordt beschouwd zijn: (randnummer 11):
- ‘—
verminderd gehoor links en een traumatische perforatie trommelvlies en bloed in gehoorgang links en pijn tussen schouderbladen (HR 17 november 1998, NJ 1998, 151);
(…)
- —
perforatie van het trommelvlies links zonder meer (HR 1 februari 2000, LJN AA4637).’
1.9
Het hof heeft in deze zaak vastgesteld dat door de handelingen die de verdachte heeft verricht, [slachtoffer] niet alleen pijn heeft opgelopen, maar ook letsel heeft bekomen. Het hof heeft als bewijsmiddel verwezen naar het rapport van een KNO arts, waar een trommelvliesperforatie en een na trauma ontstaan gehoorverlies is geconstateerd. Dit rapport is als bewijsmiddel 3 opgenomen in de bewijsvoering. Uit dit bewijsmiddel (en overige bewijsmiddelen) kan evenwel nog niet volgen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in de artt. 82 en 30 lid 2 Sr nu een traumatische perforatie van een trommelvlies en een verminderd gehoor (aan één oor) onvoldoende is om als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt. Het oordeel van het hof dat het letsel in casu al zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt is, ofwel onvoldoende met redenen omkleed, ofwel geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’.
1.10
Het arrest kan wat betreft dit feit, de strafoplegging alsmede de hierop gebaseerde toegewezen vordering van de benadeelde partij en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 27 september 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑08‑2024
Deze zaak hangt samen met een andere zaak van de verdachte, bij de Hoge Raad bekend onder rolnummer 24/01078.
HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.
Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:89
R.o.v. 2.7. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1067.
Vgl. het in noot 3 genoemde arrest.