Asser Procesrecht 11 Faillissement
Einde inhoudsopgave
Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/363:363 Europeesrechtelijk verbod van misbruik.
Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/363
363 Europeesrechtelijk verbod van misbruik.
Documentgegevens:
prof. mr. F.M.J. Verstijlen, datum 31-12-2024
- Datum
31-12-2024
- Auteur
prof. mr. F.M.J. Verstijlen
- JCDI
JCDI:BSD12588:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 22 november 2017, C-251/16, ECLI:EU:C:2017:881 (Cussens e.a./Brosnan).
HvJ EU 6 februari 2018, AB 2018/156, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven (Altun e.a.).
Cussens voornoemd.
HvJ EG 21 februari 2006, C‑255/02, EU:C:2006:121 (Halifax e.a./Commissioners of Customs & Excise). Zie recentelijk HvJ EU 4 oktober 2024, C‑171/23, EU:C:2024:840 (UP CAFFE).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een leerstuk dat nog weinig is geëxploreerd, althans in verband met de positie van werknemers in faillissement, is dat van een rechtstreekse toepassing van het “verbod tot misbruik van door het Unierecht verleende rechten en voordelen”.1 Dat fraude en misbruik van recht verboden zijn, is “een algemeen beginsel van Unierecht dat justitiabelen dienen na te leven”.2 Dat kan aan een beroep op het Unierecht in de weg staan.
Deze materie staat los van de hiervoor behandelde materie van de verenigbaarheid van art. 7:666 BW met art. 5 Richtlijn 2001/23/EG en de richtlijnconforme interpretatie. Het onderwerpelijke verbod tot misbruik is een Europeesrechtelijk beginsel, met “het algemene karakter dat de algemene beginselen van het Unierecht naar hun aard bezitten”. Er ligt de gedachte aan ten grondslag dat “in geval van fraude of rechtsmisbruik de objectieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het gewenste voordeel te verkrijgen, in werkelijkheid niet zijn vervuld”.3 De in strijd hiermee verrichte transacties moeten zodanig worden geherdefinieerd “dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen”.4
In Cussens waren die transacties bijvoorbeeld een verhuur van onroerende zaken aan een gelieerde partij die meteen werden teruggehuurd, waarna beide huurovereenkomsten binnen een maand werden beëindigd. Volgens de nationale regels hadden die transacties tot gevolg dat de verkoop van die onroerende zaken een maand later aan derden volgens de nationale regels waren vrijgesteld van omzetbelasting. De huurtransacties konden op grond van het verbod van misbruik buiten beschouwing worden gelaten waardoor de verkoop niet onder de vrijstelling viel, ook al zou dat volgens het – al dan niet richtlijnconforme uitgelegde – nationale recht wel het geval zijn.