Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.1.1
3.1.1 Inhoud
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264495:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Coing 1985, p. 87 en 106; Zwalve 2006, p. 8; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 144-147.
Coing 1985, p. 106-107; Lokin 1994, p. 66-73; Jansen 2015, nr. 1.1.1-1.1.2.
Delen van dit hoofdstuk zijn gepubliceerd in Bobbink 2016, p. 86-89; Bobbink 2019a; Bobbink 2019b, p. 466-471.
Accursius (ca 1185-1263) behoorde tot de glossatoren. Hij was de auteur van een standaardcommentaar op het Corpus Iuris Civilis. Dit werk is bekend komen te staan als de Glossa ordinaria: Weimar 1995, p. 18-19; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 154-155.
Gothofredus (1587-1652) was één van de laatste invloedrijke Franse vertegenwoordigers van de mos Gallicus. Hij voegde veel humanistische tekstkritieken toe aan de Glossa ordinaria van Accursius: Holthöfer 1995, p. 240-242.
Bartolus (ca 1313-1357) was beoefenaar van de mos Italicus en behoorde tot de invloedrijkste commentatoren van het Corpus Iuris Civilis: Weimar 1995, p. 67-68; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 160-161.
De 15e-eeuwse jurist Negusantius schreef als één van de eersten een monografie over pand en hypotheek: Tractatus de pignoribus et hypothecis. Dit gold tot de tweede helft van de negentiende eeuw als een standaardwerk: Dernburg 1860, p. VII; Koops 2010, p. 125; Van Hoof 2015, p. 71.
Donellus (1527-1591) was een invloedrijke beoefenaar van de mos Gallicus, de Franse humanistische beoefening van het Romeinse recht: Holthöfer 1995, p. 175-176. Over de mos Gallicus zie Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 214-218.
In de tweede helft van de elfde eeuw werden in Italië de Digesten herontdekt. De eerste ons bekende herontdekker van de Digesten was Irnerius (geboren c.a. 1050). Hij ging er onderwijs over geven. Zo leidde deze herontdekking tot een hernieuwde belangstelling voor het Justiniaanse Romeinse recht. Na verloop van tijd kreeg het Romeinse recht subsidiaire gelding op het Europese continent. Het Romeinse recht werd, naast het canonieke recht en het leenrecht, het recht dat aan alle volken gemeenschappelijk was: het ius commune. De middeleeuwse auteurs hebben het Romeinse recht op een eigen wijze geïnterpreteerd. Zo ontstond op het Europese continent een gemeenschappelijke rechtsleer.1 Juristen interpreteerden vanaf de 17e eeuw het inheemse recht steeds strikter. Een regel van inheems recht werd vrij letterlijk genomen en vaak uitgelegd in het licht van het Romeinse recht. Als het inheemse recht voor een geval geen oplossing bood, gold het Romeinse recht.2
In dit hoofdstuk3 analyseer ik de gemeenrechtelijke interpretatie van het recht van pandgebruik. Daartoe baseer ik mij op de Glosse van Accursius4, bewerkt door Gothofredus5, het Digestencommentaar van Bartolus6, Tractatus de pignoribus et hypothecis van Negusantius7 en het verzamelde werk van Donellus8. Deze werken geven samen een beeld van de wijze waarop middeleeuwse en latere juristen van het ius commune het Romeinse recht van pandgebruik interpreteerden. Daarnaast illustreer ik in dit hoofdstuk op basis van secundaire literatuur de toepassing van het recht van pandgebruik in enkele (inheemse) rechtsstelsels: Normandië, Lotharingen en de Zuidelijke Nederlanden. Deze illustratie geeft een beeld van de manier waarop de toepassing van het recht van pandgebruik in inheemse rechtsstelsels zich verhield tot de gemeenschappelijke Romeinse rechtsleer.
In §3.1.2 bespreek ik de betekenis van het woord antichresis in het ius commune. Daarna schets ik in §3.1.3 kort enkele facetten van de economische achtergrond van het recht van pandgebruik in de middeleeuwen. In §3.2 bespreek ik de vestiging van het recht van pandgebruik. In §3.3 bespreek ik de bevoegdheden die uit het recht van pandgebruik voortvloeiden en de objecten waarop het recht van pandgebruik kon rusten. De ‘populairste’ objecten van pandgebruik waren onroerende zaken, leenrechten daarop en heerlijke rechten. In §3.4 bespreek ik de functies van het recht van pandgebruik.
In dit hoofdstuk besteed ik geen aandacht aan de missio Antoniniana en het Gordiaanse retentierecht als grondslag voor het ontstaan van een zelfstandige antichrese. Aanwijzingen voor een verband tussen zelfstandige antichrese en respectievelijk missio Antoniniana en het Gordiaanse retentierecht ben ik in de bronnen niet tegengekomen.