Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/8.1
8.1 Beoordelen van instrumenteel vennootschaps- en effectenrecht: de toenemende aandacht voor de kwaliteit van wetgeving
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS579051:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in het bijzonder de hoofdstukken 3 en 4 waarin is verwezen naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Wft en de Nota Modernisering ondernemingsrecht.
Zie ook G. Raaijmakers (2006), p. 25-26. Ook Timmerman (2006a), p. 412, merkt in zijn bespreking van de oratie van Raaijmakers op dat 'we bij het uitvaardigen van regels ons diepgravender moeten afvragen of het doel dat men met regels wil bereiken wel bereikt kan worden.' Zie hierover verder, vanuit rechtssociologisch perspectief, Huls (2007), p. 864 e.v.
Hierover: G. Raaijmakers (2006), p. 24-26 met voorbeelden en verwijzingen. Een voorbeeld dat daaraan kan worden toegevoegd zijn de initiatieven van de Nederlandse wetgever die genomen zijn in het kader van de operatie 'marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteitsbeleid' (Kamerstukken II, 24 036).
In Nederland is, bijvb., op het terrein van het vennootschapsrecht, het ambtelijk voorontwerp van het wetsvoorstel ter vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht in een drietal tranches ter consultatie aan marktpartij en voorgelegd. Op het terrein van het effectenrecht is het voorontwerp van de Wft in drie delen geconsulteerd. Voorstellen tot aanpassingen van wetgeving, waaronder de voorgestelde aanpassing van het enquêterecht en de voorgestelde wijzigingswet financiële markten 2011, worden geconsulteerd op www.intemetconsultatie.nl. Bij Europese effectenrechtelijke regelgeving die tot stand komt overeenkomstig de Lamfalussy-wetgevingsprocedure worden marktpartijen eveneens geraadpleegd. Kritisch over de werking van consultaties in de Lamfalussy-wetgevingsprocedure is overigens Grundmann-van de Krol: vgl. Grundmann-van de Krol/Kristen (2006), p. 16-20, met verdere verwijzingen, en Grundmann-van de Krol (2008b).
Zie in de Nederlandse context bijvb. Kamerstukken II, 2005/2006, 29 515, nr. 152. Zie voor kritiek op de wijze van berekenen van de kosten voor het bedrijfsleven voor het opstellen van een persbericht in verband met het algemeen verkrijgbaar stellen van informatie die als voorwetenschap kwalificeert: Schreurs (2005), p. 188. In Europees verband is eveneens de ontwikkeling zichtbaar dat meer aandacht ontstaat voor de kosten van regelgeving, vgl. de in 2006 gestarte Europese 'better regulation strategy' (http://ec.europa.eu/govemance/better_regulation/index_en.htm).
Zo bevat de Wft een bepaling dat 3 jaar na inwerkingtreding ervan door de Minister van Financiën een verslag aan de Tweede Kamer zal worden gestuurd over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de toezichthouders (art. 1:44, lid 1, Wft). Ik neem aan dat in dat verslag ook een evaluatie van de Wft zelf zal (kunnen) bevatten. Daarnaast bevatten de in het FSAP opgenomen Europese effectenrechtelijke richtlijnen doorgaans een bepaling op grond waarvan de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag dient uit te brengen over de werking van de betreffende richtlijn, vgl. bijvb. art. 31 Prospectusrichtlijn (5 jaar na 31 december 2003), art. 33 Transparantierichtlijn (uiterlijk op 30 juni 2009), art. 20, jo. 21, Ovemamerichtlijn (5 jaar na 20 mei 2006) en art. 65 MiFID (dat zelfs voorziet in een aantal verslagen over uiteenlopende bepalingen van de MiFID). Zoals in hoofdstuk 1 is besproken heeft de Europese Commissie inmiddels de eerste herzieningsvoorstellen gepubliceerd.
In de Inleiding en in de voorgaande hoofdstukken van deze studie heb ik de instrumentele functie van het Nederlandse vennootschaps- en effectenrecht omschreven. Tevens heb ik geschetst dat de aandacht van de Nederlandse wetgever voor de doelstellingen van (nieuw te introduceren) voorschriften in het vennootschaps- en effectenrecht toeneemt.1 Ondanks deze toegenomen aandacht wordt in veel mindere mate aandacht wordt besteed aan de vraag op welke wijze getoetst kan worden of de beoogde gedragseffecten (kunnen) worden gerealiseerd. Aandacht ontbreekt eveneens voor de vraag of dergelijke voorschriften geen onbedoelde neveneffecten met zich (kunnen) brengen.2
Het gevolg hiervan is dat het problematisch is om te beoordelen of voorschriften in het vennootschaps- en effectenrecht — waaronder de daarin opgenomen publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen — er in (kunnen) slagen de beoogde doelstellingen te bereiken. Het is hierdoor, met andere woorden, niet eenvoudig om de kwaliteit van (nieuwe) vennootschapsrechtelijke en effectenrechtelijke wet- en regelgeving te meten. Hierbij geldt, ter nuancering, overigens wel dat wet- en regelgevers in toenemende mate initiatieven ontplooien om de kwaliteit van bestaande en nieuwe wet- en regelgeving te verbeteren.3 Zo worden voorafgaand aan de invoering van nieuwe wet- en regelgeving marktpartijen en experts over de voorgenomen wet- en regelgeving geconsulteerd.4 Ook worden de te verwachten gevolgen voor (ondermeer) het bedrijfsleven in beeld gebracht en de voorziene administratieve lasten berekend.5 Bovendien is van (recent) uitgevaardigde wet- en regelgeving afgekondigd dat deze binnen afzienbare termijn na inwerkingtreding ervan zal worden geëvalueerd.6