Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/8.3
8.3 De (meer)waarde van het rechtseconomische beoordelingskader
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS582679:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De term 'economisch perspectief' heb ik gecursiveerd om te benadrukken dat wanneer het recht vanuit rechtseconomisch perspectief wordt bezien, uitspraken over 'optimaal' recht steeds uitspraken behelzen waarbij optimaal recht wordt bezien vanuit economisch perspectief. Er wordt, in andere woorden, een economische maatstaf toegepast om de door Van Schilfgaarde (2000), p. 1094-1095, geformuleerde, kernvraag: 'waarom doen wij dit eigenlijk en niet iets anders' te beantwoorden. Uiteraard zijn ook andere perspectieven denkbaar welke (wellicht) kunnen leiden tot een andersluidende opvatting over wat onder 'optimaal' recht moet worden verstaan.
In die zin: Van Dijk (2004), p. 7, Hij spreekt daarbij in het bijzonder over de doelen van de regulering van de financiële markten.
Vgl. Van Gestel (2004), p. 1784-1785.
Van Gestel (2004), p. 1785.
Vgl. in deze zin ook Kaplow/Shavell (2001), p. 1377-1378. Zij merken o.m. op dat '[flocusing on efficiency allows the analyst to obtain a better understanding of certain aspects of a problem, provides a nearly complete appraisal of the many legal mies that do not have significant distributive effects, and also may be the appropriate benchmark for choosing other legal rules because distributive concerns are more effectively addressed directly (...)'.
Het dwingt, met andere woorden, de wetgever ertoe dat ter rechtvaardiging van opleggen of handhaven van bepaalde wet- en regelgeving niet kan worden volstaan met een beroep op, vaak verhullende, algemene doelstellingen. Reeds de motiveringsplicht waarom bepaalde kwalitatieve en niet objectief te waarderen doelstellingen zwaarder (moeten) wegen dan een wel objectief te waarderen gevolg van die voorschriften — bijvb. een toename in de kosten draagt bij aan de inzichtelijkheid in het afwegingsproces van (voorgenomen) voorschriften in wet- en regelgeving.
De meerwaarde van rechtseconomische analyse van de publicatieverplichtingen, ten opzichte van een juridisch dogmatische analyses van deze voorschriften, is dat naar aanleiding van een rechtseconomische analyse, vanuit economisch perspectief uitspraken kunnen worden gedaan over de optimale inhoud en vormgeving van de publicatievoorschriften.1 Op basis van rechts-economische argumenten kan een — overigens uitdrukkelijk normatief — oordeel worden geveld over de in het vennootschaps- en effectenrecht opgenomen publicatieverplichtingen. Ook kan worden beoordeeld of de publicatieverplichtingen op efficiënte en effectieve wijze (kunnen) bijdragen aan realisering van de doelstellingen van (de voorschriften in) die rechtsgebieden.
Het belang van dit oordeel over wet- en regelgeving moet niet worden onderschat. Effectieve en efficiënte wet- en regelgeving is niet alleen een voorwaarde voor kwalitatief goede wet- en regelgeving, het is ook mede bepalend voor de kwaliteit van de democratische rechtstaat. Daarin moeten niet alleen de doelen van wetgeving kenbaar zijn, omdat anders een democratisch tekort ontstaat.2 Evenzeer wordt het rechtstatelijk gehalte van een samenleving beïnvloed door de doelmatigheid en effectiviteit van bescherming van de burger door de overheid onder andere door juridische middelen.3 Dit wordt treffend verwoord door Van Gestel die opmerkt dat "[v]oor zover wetten door hun aantal, complexiteit of ambitieniveau het onmogelijke van burgers of bedrijven verlangen of niet meer uitvoerbaar en handhaafbaar (kunnen) zijn, (...) op termijn evengoed sprake [is] van het zetten van de bijl aan de voet van de rechtsstaat, als bij inbreuken op formele eisen van legaliteit en rechtsgelijkheid."4 Rechtseconomische analyses kunnen daarnaast bijdragen aan de inzichtelijkheid van de afwegingen die ten grondslag liggen, of lagen, aan de door de wetgever gemaakte keuzes bij de vormgeving van wettelijke voorschriften. Hoewel het zwaartepunt van rechtseconomische analyses doorgaans ligt in toetsing van de efficiëntie en effectiviteit van voorschriften, kan in dergelijke analyses ook aandacht worden besteeden aan de beoogde immateriële waarden die dergelijke voorschriften beogen te verwezenlijken. Bijvoorbeeld reeds omdat uit een rechtseconomische analyse kan blijken dat de rechtvaardigingsgrond voor het opleggen van bepaalde wettelijke voorschriften — voornamelijk gelegen is in het verwezenlijken van immateriële waarden die objectief minder goed te waarderen zijn.5 Het voordeel van vergroting van dát inzicht is dat de wenselijkheid en houdbaarheid van het in stand houden van dergelijke verplichtingen, die op basis van die rechtvaardigingsgrond ooit in wet- en regelgeving zijn opgenomen, onderwerp van discussie kan worden indien sprake is van gewijzigde omstandigheden die aan die oorspronkelijke rechtvaardigingsgrond afbreuk doen.6