Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/9.2.1
9.2.1 Samenloop met bron 'inkomsten uit vermogen'
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456558:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In de memorie van toelichting is de werking van art. 24, tweede lid. Wet IB met behulp van een voorbeeld verduidelijkt, Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 75. Dit voorbeeld is opgenomen in hoofdstuk 12, onderdeel 12.2.1. Zie tevens de voorbeelden genoemd in T.A. Gladpootjes, Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime, Fiscaal Actueel, blz. 20-21, Kluwer, Deventer, 1997.
In de visie van de fiscale wetgever is een bepaling als art. 24, tweede lid, Wet IB overigens noodzakelijk, aangezien het blijkens de wetsgeschiedenis de bedoeling is dat sedert 1 januari 1997 eventuele belastingheffing uitsluitend op basis van één bron kan plaatsvinden en niet meer, zoals tot 1 januari 1997 nog het geval was, op basis van twee bronnen, nl. voorzover niet op grond van een eerdere bron kan worden geheven (zie onderdeel 4.3). Zonder een bepaling als art. 24, tweede lid, Wet IB was aanvullende heffing op basis van de bron 'inkomsten uit vermogen' naar het oordeel van de fiscale wetgever dus niet mogelijk.
De inkomsten uit de tot het fictieve aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen worden vervolgens belast volgens de bron 'inkomsten uit vermogen'. Dit kan dubbele belastingheffing met zich brengen in geval van inkoop van eigen aandelen door de vennootschap, inkoop of afkoop van (tijdelijke en niet-tijdelijke) winstbewijzen en liquidatie van de vennootschap. Inkoop van eigen aandelen door de vennootschap en liquidatie van de vennootschap worden voor de aanmerkelijkbelangregeling immers aangemerkt als een (fictieve) vervreemding ex art. 20a, zesde lid, onderdelen a en c, Wet IB en tevens op grond van art. 25, eerste lid, onderdeel e. Wet IB, welke bepaling ingevolge HR 14 november 1956, BNB 1957/20 eveneens geldt voor de inkoop van eigen aandelen door de vennootschap (ter amortisatie), als inkomsten uit vermogen. Iets soortgelijks geldt voor de afkoop en inkoop van winstbewijzen, dat zowel in de aanmerkelijkbelangheffing wordt betrokken op grond van art. 20a, zesde lid, onderdeel b, Wet IB als in de inkomstenuitvermogenheffing op grond van art. 25, eerste lid, onderdeel f, Wet IB. Deze potentiële dubbele belastingheffing wordt voorkomen door art. 24, tweede lid, Wet IB, ingevolge welke bepaling de regeling ter zake van inkomsten uit vermogen toepassing vindt voorzover die inkomsten uitgaan boven hetgeen aan vervreemdingsvoordelen wordt genoten.
Naast de functie om dubbele belastingheffing te voorkomen, heeft art. 24, tweede lid, Wet IB tevens de functie om in afwijking van de rangorderegeling (bronnenvolgorde) ingeval van inkoop van eigen aandelen door de vennootschap, inkoop of afkoop van (tijdelijke en niet-tijdelijke) winstbewijzen en liquidatie van de vennootschap aanvullende belastingheffing op basis van de bron 'inkomsten uit vermogen' mogelijk te maken. Voor deze laatste bron is het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal immers het centrale uitgangspunt (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.2.I).1 De vraag kan overigens worden gesteld of de regeling van art. 24, tweede lid, Wet IB wel noodzakelijk was of dat de mogelijke dubbele belastingheffing reeds door de werking van de bronnenvolgorde wordt voorkomen. Gelet op onder meer HR 21 december 1977, BNB 1978/94 zou immers kunnen worden verdedigd dat de regeling van art. 24, tweede lid, Wet IB overbodig is, nu de Hoge Raad onder meer in genoemd arrest heeft geoordeeld dat nog aan een latere bron kan worden toegekomen indien op grond van een eerdere bron in zoverre geen belasting wordt geheven. Wat hiervan ook zij, in elk geval schept de regeling van art. 24, tweede lid, Wet IB duidelijkheid.2