Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/9.1
9.1 Inleiding
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS621712:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een sterfhuisconstructie is de strategie om een ‘gezonde’ dochtervennootschap niet langer bloot te stellen aan de financiële problemen bij de andere groepsvennootschappen. Dit kan worden bereikt door de verkoop van de gezonde onderneming aan een gelieerde houdstermaatschappij. Zulke constructies bestaan al lang: zie bijv. het voorstel uit 1925 tot een sterfhuisconstructie voor Wm.H. Müller & Co in: L. Petram, De vergeten bankencrisis, Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact 2016, p. 205-206. Op de aan deze constructie gerelateerde vraagstukken over (financiële of fiscale) kruis- of aansprakelijkheidsverbanden, zoals uit hoofde van 403-verklaringen of concernfinancieringen (draagplicht- en regresproblematiek), ga ik niet in. Zie voor andere herstructureringssituaties waarvoor een waardering nodig kan zijn: E.R. Arzac, Valuation for mergers, buyouts, and restructuring, John Wiley & Sons, Inc., 2005, Ch. 15: asset restructuring.
Zie ook: S.W. van den Berg, ‘Een waarderingskader voor waarderingsopdrachten in ondernemingsrechtelijke procedures’, in: J.B.S. Hijink (red.), Vereniging Jaarrekeningenrecht – Bundel 2016-2018, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 99 – 126.
Uit voorgaande hoofdstukken volgt dat waardering in veel verschillende juridische situaties een rol kan spelen. Hoofdstukken 4 en 8 gingen in op de waardering van ondernemingen (en aandelen) bij de toepassing van de blokkeringsregeling, de geschillenregeling, de uitkoopprocedure, het enquêterecht en de Interventiewet. Naast deze situaties kan waardering ook nodig zijn als een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Niet alleen voor een pre-insolventieakkoord (zie hoofdstukken 5 en 6), maar bijvoorbeeld ook voor een beoogde herkapitalisatie, strategische interne verhangingen binnen een concern, of een zogenoemde “sterfhuisconstructie”.1 In dit laatste geval wordt een waardering bij een verkoop van aandelen in een dochtervennootschap dan bijvoorbeeld opgesteld met het oog op een mogelijk opvolgend faillissement van de verkopende vennootschap en pauliana-vraagstukken. In dit verband kan een “nabetalingsclausule” (ook wel “herwaarderingsclausule” of “glijclausule” genoemd) een rol spelen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische houdbaarheid van de nabetalingsclausule.2