Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.2.c
VII.5.2.c De aandelenoverdracht als voorlopige voorziening
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379802:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 11 februari 1994, NJ 1994, 651 m.nt. HJS (Van Kooten/Wilmink) over de dubbele verkoop van een woonhuis en de vordering in kort geding tot medewerking aan de eigendomsoverdracht. De Hoge Raad overwoog in ro. 3.3: `(...) en dat de rechter in kort geding ook een voorziening kan treffen waarvan de gevolgen in feite niet meer herstelbaar zijn, indien het spoedeisend karakter aanwezig is en de gevraagde voorziening wordt gerechtvaardigd door de billijke afweging van de belangen van partijen.' In deze lijn ligt de opvatting van de Hoge Raad over de gevolgen van een in een enquêteprocedure te treffen onmiddellijke voorziening (art. 2:349a lid 2 BW). In de Skygate-beschikking, HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92 m.nt. Ma (Skygate), bepaalde de Hoge Raad in ro. 3.3 dat de voorziening van art. 2:349a lid 2 BW naar haar aard een voorlopige moet zijn, maar dat het treffen van de voorziening kan leiden tot onomkeerbare gevolgen. De OK moet wel rekening houden met de belangen van partijen en rekenschap geven van een billijke afweging van deze belangen. Maeijer wijst in zijn noot op de verwantschap met de rechter in kort geding: 'De laatstgenoemde is immers bevoegd voorzieningen te treffen waarvan de gevolgen in feite niet meer herstelbaar zijn.'
Zie ook Losbl. Rv. (Tjong Tjin Tai), Inl. opm., aant. 4. Hij spreekt van een 'tendens naar definitieve werking'.
De weigering ex art. 256 Rv de voorziening te treffen ziet op twee situaties. Indien de feiten en omstandigheden maken dat de rechter in zo'n korte tijd de zaak niet goed kan beoordelen, behoort hij de voorziening te weigeren. De tweede reden voor weigering is de aard van het gevorderde. Twee voorzieningen zijn per definitie ongeschikt: een verklaring voor recht (declaratoir) en een constitutieve uitspraak. Zie hierover uitgebreid: Losbl. Rv. (Tjong Tjin Tai), art. 256, aant. 3. Nu een bevel tot medewerking aan de overdracht van een onroerend goed en een bevel tot ontruiming van een gehuurd huis niet als constitutieve uitspraak wordt gezien, geldt mijns inziens het zelfde voor de aandelenoverdracht.
Zie Losbl. Rv. (Tjong Tjin Tai), art. 254, aant. 17.1.
HR 11 februari 1994, NJ 1994, 651 m.nt. HJS (Van Kooten/Wilmink) Een ander voorbeeld van een voorziening met onherstelbare gevolgen is de ontruiming van een woonhuis in verband met het (vermeende) einde van de huurovereenkomst. Indien in de bodemprocedure blijkt dat de huurovereenkomst niet beëindigd was, resteert de huurder slechts schadevergoeding.
Tot dezelfde conclusie komt Veenstra in zijn commentaar onder Pres. Rb. Haarlem 20 september 1994, TVVS 1995, p. 133-135 (Radix). Zie p. 134-135, sub 3.
Pres. Rb. Haarlem 20 september 1994, TVVS 1995, p. 133-135 m.comm. Veenstra (Radix). De rechter maakt gebruik van de reële executie van art. 3:300 BW. Levering van aandelen op naam kan volgens Veenstra zonder meer bij wijze van reële executie plaatsvinden. Zie Asser-Hartkamp 6-1 (2008), nr. 643 e.v. Zie ook Pres. Rb Zutphen 4 september 1996, KG 1996, 338 (QIR), waarin het staken van de executie van een eerder kort geding vonnis (met de veroordeling tot levering van de aandelen), werd geweigerd.
Pres. Rb. Haarlem 8 april 1994, TVVS 1995, p. 133-135 m.comm. Veenstra (Kluft). Toepassing van lid 2 van art. 3:300 BW brengt mee dat indien het vonnis in plaats treedt van de gehele akte, een bezoek aan de notaris voor de overdracht van de aandelen op naam niet meer nodig is.
Hof Amsterdam 26 januari 1995, TVVS 1995, p. 227-338 m.comm. Veenstra (Kluft). Interessant is de vraag of in zo'n geval de statutaire blokkeringsregeling gevolgd moet worden. Zie Asser/Maeijer/ Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 666 sub b. Zie ook Van den Ingh (1991), p. 81 e.v.
Zie tot slot ook Pres. Rb. Middelburg 24 augustus 2001, JOR 2001/234 (Bug Byte), waarover § V.4.2.b. De president vond dat nakoming van de overeenkomst geboden was, de aandelen behoorden geleverd te worden. Hij beval dat zijn vonnis in plaats van een notariële akte tot levering van de aandelen kwam.
De eerste vraag die ik al stelde is of de overdracht van aandelen bij wijze van voorlopige voorziening getroffen kan worden. Is een bevel tot uitstoting te geven in kort geding? Mogelijk heeft zo'n bevel een te definitief karakter. De aard van de maatregel die is gebaseerd op de geschillenregeling staat dan aan de toewijzing van de vordering in kort geding in de weg. De voorzieningenrechter zal de vordering moeten afwijzen en de zaak moeten 'overlaten' aan de bodemrechter. De eisende aandeelhouder is dan aangewezen op de gewone procedure van de geschillen-regeling.
Het summiere karakter van een kort gedingprocedure brengt mee dat niet iedere soort maatregel getroffen kan worden. De onmiddellijke voorziening moet een voorlopige zijn. Zij mag wel tot gevolgen leiden die feitelijk niet meer herstelbaar zijn 1 In het verlengde hiervan ligt de ontwikkeling in de kort geding jurisprudentie naar een 'de facto definitieve werking'.2 Als de gevorderde voorziening niet in kort geding kan worden gegeven, dient de rechter met toepassing van art. 256 Rv de voorziening te weigeren. Het gevorderde is dan naar zijn aard ongeschikt om als voorlopige maatregel in een summiere kort gedingprocedure te treffen.3
Algemeen wordt aangenomen dat 'iedere soort voorziening' denkbaar is, als de in de vorige alinea aangegeven grens gehandhaafd wordt. De voorzieningenrechter komt een grote vrijheid toe.4 Een bevel om iets te doen is een veel voorkomende voorziening, bijvoorbeeld het meewerken aan de overdracht van enig goed. Zo volgt uit Van Kooten/Wilmink dat de Hoge Raad van oordeel is dat het gebod medewerking te verlenen aan de overdracht van een onroerende zaak, een voorziening is die in kort geding getroffen kan worden.5
De parallel tussen overdracht van onroerende zaken en overdracht van aandelen ligt voor de hand. Het bevel medewerking te verlenen aan de levering van aandelen is derhalve een voorziening die mijns inziens in kort geding mogelijk is.6 Mijn opvatting vindt mede steun in — afgezien van de toegewezen uitstotingszaken Wighers/De Jong en Konsensus — twee uitspraken uit 1994. In kort geding beval de president de medewerking van de overdracht van een prioriteitsaandeel respectievelijk een aandelenoverdracht onder gelijktijdige intrekking van de certificaten.
De eerste uitspraak ging over de nakoming van een overeenkomst, waarin was afgesproken dat aandeelhouder Banen uit de vennootschap Radix BV zou treden en zijn aandelen, waaronder zijn prioriteitsaandeel, zou overdragen aan medeaandeelhouder Bakker. Na een loting werd niet Bakker maar een prioriteitsaandeelhouder (Arrachart) als nieuwe houder van het prioriteitsaandeel van Banen aangewezen. Banen weigerde de overdracht. De president stelde dat de bedoeling van de overeenkomst was dat Banen zou uittreden, Bakker nimmer bezwaar had gemaakt tegen levering aan Arrachart en Banen op zijn beurt nimmer had aangegeven slechts alle aandelen aan Bakker te willen overdragen. Ook al verviel met de uitkomst van de loting de verplichting om conform de overeenkomst aan Bakker te leveren, dit gaf uittreder Banen niet de vrijheid om nu verder maar geheel af te zien van vervreemding van zijn prioriteitsaandeel. Er volgde een veroordeling om mee te werken aan de overdracht van het aandeel aan Arrachart. Indien Banen zou weigeren, trad het vonnis in plaats van de benodigde partijverklaring. De notaris werd gemachtigd om de formaliteiten voor de overdracht van het prioriteitsaandeel te vervullen.7
De tweede zaak ging om het vervallen van de noodzaak van certificering. De president veroordeelde de Stichting Administratiekantoor Kluft om de door haar gehouden aandelen aan twee certificaathouders over te dragen, onder gelijktijdige intrekking van de certificaten. Ook hier werd de naleving van de veroordeling afgedwongen door middel van reële executie (art. 3:300 lid 2 BW). Het vonnis zou een deel van de akte vervangen, indien men zijn medewerking aan de overdracht en decertificering weigert.8In hoger beroep verwierp het hof de grief tegen de decertificering van de niet-royeerbare certificaten.9
Uit deze jurisprudentie volgt dat overdracht van aandelen bij wijze van voorziening in kort geding in beginsel mogelijk is.10