Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.1.2.1
3.1.2.1 De totstandkoming van de eerste enquêteregeling
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373422:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 2 juli 1928, Stb. 1928, 216.
Dit recht van onderzoek was opgenomen in de art. 100 e.v. Ontwerp 1890. Zie Kist (1929), nr. 3; Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 361.
Belinfante (1890), Wetsontwerp 1890, p. 46. Zie ook Kist (1929), nr. 158.
Belinfante (1890), MvT Ontwerp 1890, p. 113; Belinfante (1929), MvT Ontwerp 1910, p. 98. Zie ook Kist (1929), nr. 158 en Dortmond (2010), p. 92. Dortmond schrijft dat het recht van onderzoek was opgenomen in de artikelen 100 e.v. in het Ontwerp 1910 van Minister Nelissen. Onduidelijk is waar hij precies op doelt; het Ontwerp 1910 bevat namelijk geen art. 100 e.v. (zie Belinfante (1929), Ontwerp 1910, p. 26 e.v.). Tevens schrijven zowel Kist als Dortmond dat de voorschriften van het recht van onderzoek zijn ontleend aan de Engelse Companies Act 1908. De MvT van het Ontwerp van 1890 en 1910 verwijzen echter naar de Engelse Companies Act 1862 (zie Belinfante (1890), MvT Ontwerp 1890, p. 113 en Belinfante (1929), MvT Ontwerp 1910, p.98). Zo ook: Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 361.
Belinfante (1890), MvT Ontwerp 1890, p. 114. Dit belang wordt expliciet genoemd voor de obligatiehouders zal analoog gelden voor de aandeelhouders.
Dit is het Ontwerp Nelissen. Zie Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 19.
Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 19 en 361.
Belinfante (1929), MvT Ontwerp 1910, p. 98.
Belinfante (1929), MvT Ontwerp 1910, p. 42.
Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 361.
Belinfante (1929), MvT Ontwerp 1910, p 39.
Belinfante (1929), MvT Ontwerp 1910, p. 84, 91, 97 en 100.
Belinfante (1929), MvT Ontwerp 1910, p. 68.
Belinfante (1929), MvT Ontwerp 1910, p. 148.
Belinfante (1929), Verslag van de Commissie van Voorbereiding, p. 148-149. Dit gaat over het Gewijzigd Ontwerp Heemskerk. Zie Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 20.
Namelijk voor de NV met aandelen aan toonder.
Belinfante (1929), Gewijzigd Ontwerp, p. 133.
Belinfante (1929), Verslag van de Commissie van Voorbereiding, p. 223.
Nader gewijzigd Ontwerp Donner. Zie Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 22.
De Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer stellen zich kritisch op ten opzichte van de vraag of de introductie van het enquêterecht wel wenselijk is. Zij zien te weinig waarborgen tegen misbruik van het rechtsmiddel en voorzien dat een vennootschap door een verzoek om een onderzoek in opspraak wordt gebracht waardoor haar grote en onherstelbare schade wordt toegebracht: Belinfante (1929), Voorlopig Verslag van de Commissie van Rapporteurs, p. 289- 290.
Belinfante (1929), Eindverslag met MvA, p. 317.
Belinfante (1929), Eindverslag met MvA, p. 318.
Belinfante (1929), Gewijzigd Ontwerp, p. 135; Verslag van de Commissie van Voorbereiding, p. 155. Het woord ‘ voorzoover’ is opgenomen omdat ook een groter quorum dan het in art. 53 Gewijzigd Ontwerp genoemde een vijfde gedeelte kan worden gesteld.
Belinfante (1929), Eindverslag met MvA, p. 318-319.
De positie van de aandeelhouder in het enquêterecht gaat terug op eerste enquêteregeling in het vennootschapsrecht. Deze regeling is in 1928 opgenomen in de artikelen 53-54c van het Wetboek van Koophandel.1 De idee van een gerechtelijk onderzoek naar het beleid en de gang van zaken in een vennootschap is voor het eerst geformuleerd door de Staatscommissie in haar Ontwerp 1890.2 Volgens dit Ontwerp kon de rechter op verzoek van aandeelhouders die een tiende deel van het vennootschappelijk kapitaal vertegenwoordigen, ‘of een zooveel geringer bedrag als bij de akte zal zijn bepaald’, een onderzoek doen instellen naar de gang van zaken in de vennootschap.3 De Staatscommissie ontleende deze voorschriften aan de Engelse Companies Act 1862, die ook een dergelijk onderzoek kende. Het onderzoek werd volgens de Engelse wet echter niet gedaan met een beroep op de rechter maar op de Board of Trade, een departement van algemeen bestuur.4 Uit de toelichting op het Ontwerp 1890 leid ik af dat de Staatscommissie het gerechtelijk onderzoek in het leven heeft geroepen met oog op het belang dat de aandeelhouders hebben bij het goede beheer van de vennootschap.5
De door de Staatscommissie geformuleerde idee van een gerechtelijk onderzoek naar het beleid en de gang van zaken in een vennootschap is in de artikelen 52d-52g van het Ontwerp 19106 overgenomen.7 Wederom kunnen aandeelhouders die ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, of een ‘zooveel geringer bedrag als bij de akte van oprichting zal zijn bepaald’, een onderzoek verzoeken. De invoering van de wet diende vooral om de positie van de minderheidsaandeelhouders te versterken:
“Het nut dezer instelling, vooral de krachtige preventieve werking, die uit deze bevoegdheid van aandeelhouders voortkomt, ligt zozeer voor de hand dat nadere toelichting van haar strekking en beteekenis overbodig schijnt. Zelfs wanneer wordt aangetoond, dat van deze bevoegdheid zelden of nimmer gebruik gemaakt wordt, heeft men geen woord te haren nadeele gerept. Het nut van een schildwachtpost kan niet worden afgemeten naar het aantal malen dat de bewaker een aanval afslaat: het feit reeds dat men de plaats bewaakt weet, is vaak voldoende bescherming.”8
Het enquêterecht geeft de minderheidsaandeelhouders ‘de bevoegdheid in eenige meer gewichtige aangelegenheden op te komen ter verdediging hunner belangen, zelfs tegen de meerderheid der aandeelhouders’.9 De regeling moest dienen als een correctiemiddel op machtsmisbruik.10 De invoering van de enquêteregeling sloot aan bij het beginsel van bescherming van de belangen van minderheidsaandeelhouders, dat het uitgangspunt van het Ontwerp 1910 vormde. In het Ontwerp 1910 zijn meer bepalingen opgenomen ‘waarin de rechtmatige belangen van hen, die ter algemeene vergadering worden overstemd, steun en bescherming kunnen vinden’.11 Zo is een verzetrecht bij de rechter toegekend aan de tegenstemmende minderheid – een tiende deel van het geplaatst kapitaal vertegenwoordigend – bij besluiten die voor de vennootschap van bijzonder financieel belang zijn (art. 43b), bij de wijziging van de akte van oprichting (art. 47b), bij decharge van bestuurders en commissarissen (art. 50d en 52a) en bij ontbinding van de NV (art. 53b).12 De toelichting op art. 43b geeft inzicht in de achtergrond van het minimum ‘een tiende gedeelte van het geplaatst kapitaal’:
“hoezeer nu ook hier iedere grenslijn willekeurig is te achten, wil het voorkomen, dat de eisch, dat de opposanten ten minste een tiende deel van het geplaatst kapitaal vertegenwoordigen, een redelijke is. Een tiende gedeelte is eenerzijds niet een zóó groot bedrag, dat het bijna ondoenlijk is het bijeen te garen, aan den andere kant is het niet zóó gering, dat het rechtsmiddel tot een gewoon hulpmiddel kan worden vervormd ten gebruike van ontevreden aandeelhouders.”13
Hoewel dit niet letterlijk uit de toelichting op het Ontwerp 1910 blijkt, lijkt de enquêteregeling aan te sluiten bij de reeks van bepalingen inzake de bescherming van minderheidsaandeelhouders. De hierboven geciteerde achtergrond van het minimumkapitaal dat vertegenwoordigd dient te worden voor een beroep op die bepalingen, ligt volgens mij ook ten grondslag aan de kapitaalseis ‘een tiende deel van het geplaatst kapitaal’.
Tijdens de parlementaire behandeling van het Ontwerp 1910 in de Tweede Kamer zijn de minderheidsaandeelhoudersbeschermende bepalingen vervolgens verwijderd. Bij de formulering van deze artikelen zou uit het oog verloren zijn dat de NV gebreken heeft welke de wetgever niet kan verhelpen:
“De wet kan zwakke plekken wel stutten en steunen, doch mag de natuur der vennootschap niet verdrukken. Zelfbeperking houde de wetgever zich voor. Het kan geboden zijn, hoewel de mogelijkheid van eenig misbruik wordt ingezien, af te laten van het toepassen van een remedie. Immers het middel kan erger zijn dan de kwaal.”14
Met name het feit dat de rechter bij een beroep op de beschermende artikelen moet beoordelen of de belangen van de vennootschap al dan niet handhaving van een besluit vorderen, gaat de minister en de Commissie van Voorbereiding te ver. In de NV behoort de hoogste macht toe aan de aandeelhoudersvergadering. Wanneer de NV een wettelijk geoorloofd besluit neemt, bindt dat besluit ook de minderheid. Het Ontwerp 1910 stelt juist de rechter op de plaats van de aandeelhoudersvergadering door hem te laten oordelen over de doelmatigheid van een besluit. Hierdoor komen belangrijke beslissingen over belangen van de vennootschap in handen van een buitenstaander te liggen. Om deze reden worden de beschermende bepalingen niet overgenomen in het Gewijzigd Ontwerp 1925.15
Ondanks de schrapping van de reeks bepalingen inzake de bescherming van de minderheidsaandeelhouders, blijft de enquêteregeling als afwijkende regeling voor een bepaald soort NV gehandhaafd in het Gewijzigd Ontwerp.16 De regeling wordt wel op een aantal punten gewijzigd. De belangrijkste wijziging is de verhoging van de kapitaalseis die de aandeelhouders toegang biedt tot de enquêteprocedure. Art. 53 Gewijzigd Ontwerp stelt dat voor het indienen van een verzoek vereist is dat de aandeelhouder alleen of gezamenlijk ten minste een vijfde deel van het geplaatst kapitaal vertegenwoordigen, of een ‘zooveel geringer bedrag als bij de akte van oprichting zal zijn bepaald’.17 Nu de reeks minderheidsaandeelhouders-beschermende bepalingen niet meer voorkomen in het Gewijzigd Ontwerp, is daarmee ook de aanleiding vervallen om bij de enquêteregeling met een tiende gedeelte ‘genoegen te nemen’. Vooral vanwege de nadelige gevolgen die misbruik van de enquêtebevoegdheid voor de vennootschap kan brengen, wordt de bevoegdheidsdrempel verhoogd.18
De vrees voor misbruik van het enquêterecht komt ook aan de orde bij de behandeling van het Nader gewijzigd ontwerp19 in de Eerste Kamer.20 Daarbij benadrukt de minister – in zijn memorie van antwoord ter verdediging van het Gewijzigd Ontwerp en het Nader gewijzigd ontwerp in de Eerste Kamer – nogmaals de voordelen en de waarborgen van de enquêteregeling. Voorop staat de bescherming van de minderheidsaandeelhouders tegen een onrechtvaardige overheersing door de meerderheid, maar ook tegen een gebrek aan openheid. De minderheid krijgt de bevoegdheid:
“om althans op de hoogte te zijn van den gang van zaken in de vennootschap’. (…) Haar voornaamste kracht is eventueel door het bestuur betrachte geheimzinnigheid. Eene ongemotiveerde daling in den aandelenkoers toch pleegt niet te kunnen worden bewerkstelligd bij een teveel aan gegevens, doch doordien ter beoordeling van den stand van zaken noodige gegevens ontbreken.”21
De enquêteregeling in het Gewijzigd Ontwerp biedt de vennootschap zelf ook voldoende houvast tegen misbruik van een ‘kwaadwillende minderheid’. Wanneer de vennootschap ten onrechte door deze minderheid wordt aangevallen, staat zij sterker wanneer de rechter haar in het gelijk stelt dan wanneer geruchten worden verspreid waarvan de rechter de onwaarheid niet kan doen blijken. Het zal de geënquêteerde vennootschap ten goede komen als het enquêteverzoek van de kwaadwillende minderheid wordt afgewezen omdat er geen gegronde reden zijn om te twijfelen aan een juist beleid, aldus nog steeds de minister.22
Een tweede belangrijke aanpassing in het Gewijzigd Ontwerp is de wijziging van het toepassingsbereik van de enquêteprocedure voor de aandeelhouders. Aandeelhouders in een NV met uitsluitend aandelen op naam kunnen slechts een enquêteverzoek indienen ‘indien en voorzoover’ dit in de akte van oprichting is bepaald (art. 54c Gewijzigd Ontwerp).23 De achtergrond van deze wijziging is dat de onderlinge verhoudingen tussen de aandeelhouders anders kunnen zijn wanneer de aandelen op naam staan dan wanneer zij aan toonder luiden. Bij toonderaandelen is een blijvende persoonlijke band tussen aandeelhouders uitgesloten. Bij aandelen op naam kan een dergelijke band zeker aanwezig zijn. Die band kan meebrengen dat:
“(…) het enquêterecht als wettelijke bevoegdheid niet noodig is. Toegegeven zij, dat dit onderscheid slechts ruw is en dat er naamlooze vennootschappen met uitsluitend aandelen op naam kunnen zijn, waarbij een enquêterecht toch niet misplaatst zoude zijn. Doch het ontwerp stelt zich liever op een voor sommige gevallen te vrijgevig standpunt, dan dat het te streng zij voor andere vennootschappen, wier aandelen slechts op naam kunnen luiden.”24