Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/5.2.4
5.2.4 Het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS387663:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het EVRM maakt geen onderscheid tussen rechtspersonen en natuurlijke personen. Het EHRM heeft – zonder zich daar principieel over uit te laten – rechtspersonen ook steeds ontvankelijk geacht in hun klacht. Zie over de vraag naar de positie van rechtspersonen onder het EVRM uitgebreid: Emberland 2006.
De Franse tekst spreekt over “des droits et obligations de caractère civil”.
EHRM 19 april 2007, appl. nr. 63235/00, AB 2007, 317 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Vilho Eskelinen e.a./Finland), § 40.
Wanneer men voor de uitleg van deze term te rade gaat bij de Engelse en Franse (authentieke) tekst van art. 6 EVRM blijken enigszins verschillende begrippen te worden gebruikt. In de Engelse tekst wordt gesproken over ‘determination’. In de Franse tekst over ‘contestation’. In de Franse tekst lijkt art. 6 EVRM slechts van toepassing op contentieuze procedures en niet op voluntaire procedures (die veelal met een verzoekschrift worden ingeleid). Een dergelijke strikte lezing is echter door het EHRM verworpen. Zie EHRM 23 juni 1981, appl. nr. 6878/75 & 7238/75, NJ 1982, 602 (Le Compte, Van Leuven en De Meyere t. België), § 45.
EHRM 23 oktober 1985, appl. nr. 8848/80, NJ 1986, 102 m.nt. EAA (Benthem t. Nederland).
Zie bijv. EHRM 19 april 2007, appl. nr. 63235/00,AB 2007, 317 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Vilho Eskelinen e.a./Finland), § 40.
EHRM 15 oktober 2009, appl. nr. 17056/06, NJ 2010, 180 m.nt. Alkema, AB 2010, 75 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Micallef t. Malta) en herhaald in o.a. EHRM 29 maart 2011, appl. nr. 50084/06 (RBTF t. België). Van belang is of naar het recht van de verdragsstaat het begins van een fair trial van toepassing is op een voorlopige voorziening, hetgeen naar Nederlands recht het geval is, aangezien in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering geen uitzonderingen op dit beginsel worden geschapen voor kort geding-procedures.
Micallef t. Malta, § 79 & 80.
Art. 10 van de op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de V.N. aanvaarde Universele Verklaring van de Rechten van de Mens luidt: “Everyone is entitled in full equality to a fair and public hearing by an independent and impartial tribunal, in the determination of his rights and obligations and of any criminal charge against him.” Viering (1994, p. 47) heeft in zijn dissertatie erop gewezen dat bij het ontwerpen van art. 6 EVRM de tekst van het art. 14 IVBPR tot uitgangspunt is genomen. (Zie over de verhouding tussen art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR ook Smits 2008, p. 21 & 22.) In die tekst school een discrepantie tussen de Engelse tekst en de Franse tekst. De Engelse tekst van dat ontwerp refereerde aan “his rights and obligations in a suit of law”, terwijl in de Franse tekst werd gesproken over “ses droits et obligations de caractère civil”. Viering merkt op dat deze discrepantie het onbedoelde gevolg was van een compromis waarin werd getracht enerzijds te voorkomen dat alle handelingen van overheden steeds door een onafhankelijke rechter zouden moeten worden beslecht. In de Verenigde Staten werden belastinggeschillen bijvoorbeeld veelal beslecht door ‘adminstrative officers’ en bestond de wens dat werd voorkomen dat ook in dergelijke geschillen een aanspraak zou bestaan op beslechting van het geschil door ‘an independent and impartial tribunal’. Anderzijds bestond de wens bij vele landen het recht op een onafhankelijke rechter zo verstrekkend mogelijk te doen zijn. De woorden “caractère civil” strekken ertoe tot uitdrukking te brengen dat niet bij iedere handeling van een overheidsorgaan het recht bestond deze te kunnen voorleggen aan een rechter. In de Engelse tekst heeft men in dit verband de woorden “his rights and obligations in a suit of law” kennelijk voldoende duidelijk geacht. Een dag voor de verdragssluiting van het EVRM zijn de woorden “in a suit of law” ingeruild voor “civil rights and obligations”, teneinde de Engelse en de Franse tekst beter te laten overeenstemmen. Het aanbrengen van een inhoudelijke wijziging is daarmee niet beoogd.
Zie bijvoorbeeld EHRM 12 november 2008, appl. nr. 34503/97 (Demir and Baykara t. Turkije), § 146: “In this connection it is appropriate to remember that the Convention is a living instrument which must be interpreted in the light of present-day conditions, and in accordance with developments in international law, so as to reflect the increasingly high standard being required in the area of the protection of human rights, thus necessitating greater firmness in assessing breaches of the fundamental values of democratic societies. In other words, limitations to rights must be construed restrictively, in a manner which gives practical and effective protection to human rights”.
Art. 6 EVRM beschermt het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het geschil, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld, gevolgd door een uitspraak die in het openbaar moet worden gewezen. Deze bescherming kan worden ingeroepen door (rechts)personen1 die in rechte worden betrokken inzake “the determination of (…) civil rights and obligations or any criminal charge”.2 Twee elementen zijn vereist: (i) het vaststellen van rechten en verplichtingen, en (ii) het burgerlijke karakter van dergelijke rechten en verplichtingen.
Wanneer is sprake van civil rights in de zin van art. 6 lid 1 EVRM? Het moet gaan om een recht “which can be said at least on arguable grounds to be recognised under domestic law, must be genuine and serious; it may relate not only to the actual existence of a right but also to its scope and the manner of its exercise.”3
Wanneer is sprake van een dispute – in de Franse tekst contestation – van rechten?4 Een vooropstelling die het EHRM hanteert bij klachten over art. 6 EVRM is de volgende:5
“32. The principles that emerge from the Court’s case-law include the following:
Conformity with the spirit of the Convention requires that the word “contestation” (dispute) should not be “construed too technically” and should be “given a substantive rather than a formal meaning” (see the Le Compte, Van Leuven and De Meyere judgment of 23 June 1981, Series A no. 43, p. 20, para. 45).
The “contestation” (dispute) may relate not only to “the actual existence of a … right” but also to its scope or the manner in which it may be exercised (see the same judgment, loc. cit., p. 22, para. 49). It may concern both “questions of fact” and “questions of law” (see the same judgment, loc. cit., p. 23, para. 51 in fine, and the Albert and Le Compte judgment of 10 February 1983, Series A no. 58, p. 16, para. 29 in fine, and p. 19, para. 36).
The “contestation” (dispute) must be genuine and of a serious nature (see the Sporrong and Lönnroth judgment of 23 September 1982, Series A no. 52, p. 30, para. 81).
According to the Ringeisen judgment of 16 July 1971, “the … expression ‘contestations sur (des) droits et obligations de caractère civil’ [disputes over civil rights and obligations] covers all proceedings the result of which is decisive for [such] rights and obligations” (Series A no. 13, p. 39, para. 94). However, “a tenuous connection or remote consequences do not suffice for Article 6 para. 1 (art. 6-1) …: civil rights and obligations must be the object - or one of the objects - of the ‘contestation’ (dispute); the result of the proceedings must be directly decisive for such a right” (see the above-mentioned Le Compte, Van Leuven and De Meyere judgment, Series A no. 43, p. 21, para. 47)”
Het begrip vaststellen is door het EHRM lange tijd aldus verstaan dat geëist werd dat “the result of the proceedings must be directly decisive for the right in question.”6 Op interlocutoire procedures en uitspraken, zoals een kort geding, schorsingsbevelen en conservatoire maatregelen, werd art. 6 EVRM in beginsel niet van toepassing geacht. In Micallef t. Malta heeft het EHRM zijn standpunt ‘niet van toepassing, tenzij’ echter vervangen door het uitgangspunt ‘van toepassing, tenzij’.7 Het EHRM heeft daarbij overwogen dat aanleiding bestaat voor een koerswijziging aangezien gebleken is dat in veel gevallen voorlopige voorzieningen de facto definitief zijn.8
Het EHRM beoordeelt van geval tot geval of sprake is van ‘civil rights and obligations’.9 Ingeval het EHRM in een concreet geval wordt geroepen te beoordelen of sprake is van ‘civil rights and obligations’ beoordeelt het deze vraag verdragsautonoom. Dat wil zeggen dat de juridische kwalificatie van een bepaald recht of een bepaalde verplichting naar het nationale recht van de betrokken verdragsstaat – als civiel of niet – niet doorslaggevend is.
Het voorgaande sluit aan bij de wijze waarop het EHRM het EVRM meer in het algemeen benadert: als een living instrument. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat bij de interpretatie van het EVRM de original intent van de verdragssluitende landen niet doorslaggevend is, maar dat de verdragsverplichtingen dienen te worden geïnterpreteerd naar hetgeen naar de maatstaven van nu van de verdragsstaten kan worden gevergd.10