Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.4.1
7.4.1 Binding aan de middelen
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS297343:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Veegens, Korthals Altes & Groen 2005. Kritisch hierover: Asser 2011, p. 86. In strafzaken kan de Hoge Raad wel overgaan tot ambtshalve cassatie. Vgl. Van Dorst 2012.
HvJ EU 15 november 1983, C-288/82, Jur. 1983, p. 3663 (Duijnstee/Goderbauer).
Naar ik aanneem evenzo: Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2009, p. 157 (nr. 177a). Ook: Asser 2011, p. 87-88.
§ 543 ZPO, over welke bepaling: Jauernig 2007, p. 242; Murray & Stürner 2005, p. 386; Reichold 2009, p. 745-747. Voor Engeland vergelijke men: Zuckerman 2006, p. 839 e.v. en p. 853-854; Andrews 2003, p. 916-918 (nrs. 38.71-38.76).
258
Met de binding aan de middelen wordt bedoeld dat de Hoge Raad niet op ambtshalve bijeengebrachte gronden kan casseren. Wanneer een partij wenst dat een arrest van een gerechtshof wordt gecasseerd, zal zij zelf de daartoe aanleiding gevende middelen moeten indienen. Deze middelen kunnen berusten op schending van het recht en/of verzuim van vormen. Waar in eerste aanleg en in appel nog een wat verheven rol voor de openbare orde is weggelegd, is dat in cassatie niet langer het geval. De Hoge Raad kijkt naar een eventuele schending van de openbare orde als deze schending in een middel aan hem is voorgelegd.
Een cassatieprocedure is, een eventuele verwijzing daargelaten, het laatste station waar partijen arriveren na een (lange) rit door het procesrechtelijk landschap. De reden om af te zien van het openen van de mogelijkheid tot ambtshalve cassatie is echter niet gelegen in bijvoorbeeld het aan artikel 6 EVRM ontleende verdedigingsbeginsel. Mits er een juiste formule wordt gevonden, hoeft het bestaan van de mogelijkheid tot ambtshalve cassatie daarmee ook niet in strijd te zijn. Een voorbeeld daarvan wordt gevormd door de Franse cassatieprocedure, waarin een ambtshalve cassatie op grond van moyen de pur droit tot de mogelijkheden behoort. In Nederland is ervoor gekozen om die mogelijkheid niet open te stellen in civiele zaken, omdat dat de werklast van de Hoge Raad te zeer zou verzwaren.1 Het gevaar zou dan bestaan dat partijen cassatieberoep instellen om een ambtshalve oordeel aan de Hoge Raad te ontlokken. Daarmee zou de filterende functie van de cassatiebalie verdwijnen. Er bestaat één uitzondering op deze regel: volgens het HvJ EU dwingt artikel 19 EG-Executieverdrag de rechter tot het zich ambtshalve onbevoegd verklaren als op grond van dat verdrag een instantie van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is.2
Wat er van het voorstaande ook zij, de keuze die is gemaakt in het Nederlandse cassatiestelsel om geen ambtshalve cassatie mogelijk te maken, lijkt mij niet in strijd met het EU-recht.3 Om redenen die al genoemd zijn met betrekking tot de appelprocedure kan de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot de rol van de civiele rechter in consumentenzaken niet worden doorgetrokken naar de cassatieprocedure. Dat betekent dat de aan de Nederlandse cassatieprocedure eigen regel dat de Hoge Raad is gebonden aan de middelen dient te worden bezien in het licht van het gelijkwaardigheids- en effectiviteitsbeginsel. Het eerste beginsel vormt zeker geen probleem. Ook het tweede beginsel lijkt mij in principe geen problemen op te leveren. Immers, er valt niet goed in te zien waarom de binding aan de middelen het verwezenlijken van het EU-recht onnodig moeilijk of nagenoeg onmogelijk zou maken. Dit geldt temeer nu er ook EU-lidstaten zijn waarin een derde (cassatie)instantie niet eens zonder meer openstaat, zoals in Engeland of – iets ruimer – Duitsland.4