Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.4.1:10.4.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.4.1
10.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940687:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 7.3.5.4.3 is aan de orde gekomen dat extrapolatie in de sfeer van de heffing mogelijk is, wanneer er voldoende grond is om aan te nemen dat de voor de belastingschuld relevante feitelijkheden in de aangrenzende tijdvakken niet wezenlijk afwijken van het controletijdvak. De bewijslast ter zake van de ongewijzigde feiten en omstandigheden rust op de inspecteur. Er moet dus sprake zijn van ten minste een vermoeden van ongewijzigde omstandigheden, dat kan worden ontzenuwd door de belastingplichtige. In de sfeer van de boete kan de inspecteur echter niet steeds volstaan met het aanvullende bewijs van de ongewijzigde omstandigheden. Dat houdt met name verband met de onschuldpresumptie, op grond waarvan de centrale stellingen per jaar afzonderlijk moeten worden bewezen. Het bewijs ten aanzien van het begaan van het kale beboetbare feit kan aan de hand van een goed onderbouwde extrapolatie in de sfeer van de heffing wellicht nog wel worden geleverd. Bij vergrijpboetes moet echter ook de vereiste schuldgradatie telkens afzonderlijk worden bewezen. Bovendien moet de inspecteur de centrale stellingen ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen. Onderstaand ga ik nader in op deze afwijkingen ten opzichte van de sfeer van de heffing.