NJF 2024/324
Prejudiciële vraag aan Hoge Raad in de zaak Uber c.s./FNV. Kan de kwalificatie van de arbeidsrelatie van een groep werkers uitsluitend via artikel 3:305a e.v. BW plaatsvinden?
Hof Amsterdam 13-02-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:601
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
13 februari 2024
- Magistraten
Mrs. G.C. Boot, M.L.D. Akkaya, F.J. van de Poel
- Zaaknummer
200.300.335/01
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHAMS:2026:163, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑01‑2026
ECLI:NL:GHAMS:2024:601, Uitspraak, Hof Amsterdam, 13‑02‑2024
ECLI:NL:GHAMS:2023:2220, Uitspraak, Hof Amsterdam, 03‑10‑2023
ECLI:NL:GHAMS:2022:2080, Uitspraak, Hof Amsterdam, 19‑07‑2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:855, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑03‑2022
- Wetingang
Art. 3 Wet AVV; art. 3:305a BW
Essentie
Prejudiciële vraag aan Hoge Raad in de zaak Uber c.s./FNV. Kan de kwalificatie van de arbeidsrelatie van een groep werkers uitsluitend via artikel 3:305a e.v. BW plaatsvinden?
Redactie: De Hoge Raad krijgt de vraag voorgelegd of de kwalificatie van de arbeidsrelatie van een groep werkers uitsluitend via artikel 3:305a e.v. BW kan plaatsvinden.
Samenvatting
In een eerder arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien afhangt of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Daarmee is denkbaar dat de situatie van de ene werker ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.