Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS489870:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 884, nr. 2, ingediend bij Koninklijke Boodschap van 1 juli 1948.
Kamerstukken II, 884, nr. 3, p. 5.
Als voorbeelden worden een fabriek of een handelszaak genoemd.
Kamerstukken II, 884 nr. 5, p. 11. Mocht instelling van een ondernemingsraad bij dergelijke ondernemingen bezwaarlijk zijn, dan zou gebruik gemaakt kunnen worden van de in artikel 2 lid 2 neerlegende bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken om ontheffing te verlenen van de verplichting een ondernemingsraad in te stellen.
Handelingen II, 1 februari 1950, p. 1330 l.k..
Handelingen I, 2 mei 1950, p. 708 r.k.
Kamerstukken II, 884, nr. 9.
De Gaay Fortman 1936, p. 6 e.v. en p. 58.
Art. 4 (6) lid 2 en onder f kent de ondernemingsraad de bevoegdheid toe tot het adviseren en het doen van voorstellen die tot verbetering van de technische en economische gang van zaken ‘in de onderneming’ kunnen bijdragen.
Kamerstukken II, 884, nr. 3, p. 5.
Voor een uitgebreider overzicht van beschouwingen van diverse schrijvers in de voorafgaande jaren verwijs ik naar noot 2 op pagina 4 (pre-advies van Houwing) en naar noot 1op pagina 53 (pre-advies van Haardt).
Houwing 1950, p. 4.
Haardt 1950, p. 53.
De naamloze vennootschap, die ook wel onderneming wordt genoemd, is hiervan een voorbeeld. Vgl. Handboek, zesde druk, p. 62.
Rapport Commissie Verdam, p. 7.
Wet van 28 januari 1971, Stb. 1971, nr. 54, inwerking getreden op 1 april 1971.
Het betreft de volgende factoren: zich voordoen als eenheid, georganiseerde samenwerking, en organisatie der productiefactoren.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 15.
Hierin moet men de verklaring zien voor het feit dat de wet diverse verplichtingen aan de ondernemer oplegt, en niet aan de onderneming.
Het wetsvoorstel dat leidde tot de wet van 19501 bevatte geen definitie van het begrip onderneming, anders dan dat artikel 1 en onder a bepaalde dat daaronder zowel een onderneming met als een onderneming zonder winstoogmerk verstaan diende te worden. Deze precisering zou er blijkens de Memorie van Toelichting2 toe dienen tot uitdrukking te brengen dat de onderneming niet de natuurlijke of derechtspersoon was die een functie in het bedrijfsleven vervulde, maar de technischorganisatorische eenheid3 die of het ambachtsbedrijf dat door die natuurlijke of die rechtspersoon geëxploiteerd werd. Wat de minister hier tot uiting wil brengen is op zich duidelijk, namelijk dat (in termen van de huidige wettekst) de onderneming niet de ondernemer is. De woorden ‘met of zonder winstoogmerk’ lijken dáár echter weinig mee van doen te hebben. Uit de Memorie van Antwoord blijkt dat de precisering een ander, voor de hand liggend, doel had, namelijk te bewerkstelligen, althans op zijn minst te verduidelijken, dat ook ziekenhuizen, kerkelijke instellingen, overheidsinstellingen en andere niet op winst gerichte ondernemingen onder het bereik van de wet vallen.4 Bij de mondelinge behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en de Eerste Kamer werd dan ook in vrij neutrale woorden gesproken van ‘de arbeidsgemeenschap die een onderneming is’5 resp. van ‘de bedrijfsgemeenschap die een onderneming is’.6 Uiteindelijk heeft het begrip onderneming iets meer vorm gekregen in een tweede Nota van wijzigingen7 , dat een nieuw lid 3 aan artikel 1 toevoegde dat in de plaats kwam van lid 1 en onder a. Dit nieuwe lid 3 bepaalde dat onder onderneming ook een bedrijf zonder winstoogmerk verstaandiende te worden.
De terminologie in de Memorie van Toelichting zou ontleend kunnen zijn aan De Gaay Fortman, die ook spreekt van de onderneming als technisch-organisatorische eenheid, door hem beschreven als ‘een organisatie van personen, zaken en onstoffelijke hulpmiddelen ter voortdurende nastreving van een door één rechtssubject of door meer rechtssubjecten bepaald gezamenlijk technisch doel, voor zover deze bruikbaar zijn ter bereiking van dit doel.’.8 Het gaat hier om een eenheid die ten doel heeft goederen tot stand te brengen, hetgeen wezenlijk verschilt van de onderneming als economisch-organisatorische eenheid, dat wil zeggen als eenheid die streeft naar het behalen van voordeel door goederen (en diensten) aan te bieden in het economisch verkeer. Het beperkte ondernemingsbegrip dat de wetgever in 1950 voor ogen stond, komt ook tot uiting in de woorden ‘in de onderneming’ in art. 4 lid 2 en onder f van het wetsontwerp (art. 6 van de uiteindelijke wet).9
Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de wetgever hiermee willen bewerkstelligen dat de medezeggenschap van de ondernemingsraad beperkt zou blijven tot het productieproces, en dat de raad zich verre zou houden van bemoeienis met bijvoorbeeld de positie van de onderneming op de markt of met de verkooppolitiek.10 Het beleid op die terreinen behoorde tot ‘de zelfstandige functie van de ondernemer’.
Houwing en Haardt gaan in hun preadviezen aan de Vereeniging “Handelsrecht” uit 1950 ook in op het begrip onderneming.11 Houwing geeft aan dat hij een nauwkeurige omschrijving van het begrip onderneming niet nodig acht. Hij voegt daar evenwel onmiddellijk aan toe dat wanneer een aantal personen zich met stoffelijke en onstoffelijke zaken als eenheid voordoet door een voortdurende, georganiseerde samenwerking die gericht is op het voortbrengen van bepaalde goederen of het verrichten van bepaalde diensten, sprake is van een onderneming.12 Haardt komt, na de constatering dat het begrip onderneming niet uit de rechtswetenschap maar uit de economische wetenschap stamt, tot de aanduiding ‘duurzaam bedoelde op het maken van winst gerichte organisatie der productiefactoren kapitaal en arbeid onder leiding van een “ondernemer”.’.13 Bij Houwing springt het technischorganisatorische aspect van de onderneming in het oog, bij Haardt (die gerichtheid op winst zo nadrukkelijk deel laat uitmaken van zijn definitie) ook de bedrijfseconomische kant. De Commissie Verdam onderscheidt in zijn rapport drie betekenissen die in spraakgebruik of rechtstaal aan het begrip ‘onderneming’ werden toegekend: de onderneming als organisatie van kapitaalverschaffers en leiding,14 de onderneming als organisatie van werknemers en leiding waarin de ondernemingsraad een rol speelt, en de onderneming als de in het economisch verkeer optredende eenheid waarin kapitaalverschaffers, bestuur en werknemers elk hun eigen bijdrage hebben.15
In de definitie van het begrip onderneming die in 1971 in de Wet op de ondernemingsraden wordt opgenomen,16 herkennen we kenmerkende bestanddelen uit de omschrijving van Houwing en de definitie van Haardt.17 Een onderneming wordtgedefinieerd als elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht (art. 1 lid en onder c). Met het opnemen van deze definitie werd blijkens de Memorie van Toelichting niet beoogd materieel een wijziging te brengen in het uitgangspunt dat rechtsvorm, functie en winstoogmerk van de onderneming niet relevant zijn voor toepassing van de Wet.18 Duidelijk is wel dat de onderneming een feitelijk begrip is en dat van een zelfstandig rechtssubject geen sprake is.19