Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/III.4.2.1
III.4.2.1 Algemeen; tranching van het kredietrisico
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS355227:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie § III.2.5.
Zie voor de wijze waarop rating agencies Nederlandse RMBS beoordelen: Moody’s Investors Service, International Structured Finance, Moody’s updated MILAN methodology for rating Dutch RMBS, March 2009; Fitch Ratings, Structured Finance, Dutch residential mortgage default model criteria, January 2009; Standard & Poor’s, Structured Finance, Dutch market overview and criteria, December 2005 en Moody’s Investors Service, International Structured Finance, Moody’s approach to rating Dutch RMBS, December 2004.
Zie ook: nr. 317 in verband met de zogeheten ‘shifting interest structure’.
Vgl. DiMartino & Kane 2001, p. 652 e.v. en Hesdahl & Litwin 2006, p. 174; Fitch Ratings, Structured Finance, Global rating criteria for trade receivables securitisations, October 2010, p. 15 e.v.; Moody’s Investors Service, International Structured Finance, Moody’s approach to rating trade receivables backed transactions, July 2002, p. 13-14 en Standard & Poor’s, Structured Finance, Trade receivable criteria, New York 1999, p. 23 e.v.
Zie voor dit begrip: § III.2.1.2.
Vgl. Rosenthal & Ocampo 1988, p. 9-10.
Zo zijn bijvoorbeeld de verliezen in een portefeuille credit card vorderingen vaak relatief hoog in vergelijking met de verliezen in een portefeuille handelsvorderingen of (prime) hypotheekvorderingen.
In die gevallen is securitisation voor een originator derhalve niet een methode om zich te ontdoen van het ‘reële’ debiteurenrisico dat aan de geëffectiseerde vorderingen verbonden is.
Het risico van ‘dilutions’ (verrekening, betalingsverweren e.d.) wordt over het algemeen volledig gedragen door de originator, bijvoorbeeld doordat het SPV of een credit enhancer ter zake daarvan verhaal kunnen nemen op de originator. Zie nr. 204.
Zie over deze vormen van credit enhancement: § III.4.2.3.2 en § III.4.2.3.4. Het is ook mogelijk dat de originator op indirecte wijze ‘first loss protection’ biedt, bijvoorbeeld doordat een bank of een verzekeringsmaatschappij (een ‘third-party credit enhancer’) zich jegens het SPV en/of de investeerders aansprakelijk stelt voor kredietverliezen met een recht van regres op de originator tot het bedrag van de eerste verliezen. Mogelijk vindt er een combinatie van beide technieken plaats, in die zin dat de credit enhancer ter zake van uitkeringen wordt voldaan uit de gelden in een ‘reserve fund’. Ook is het mogelijk dat de credit enhancer pas kan worden aangesproken op het moment dat het ‘reserve fund’ is uitgeput. Het feit dat de originator op indirecte wijze ‘first loss protection’ biedt, sluit overigens niet uit dat de ‘third-party credit enhancer’ de volledige (en tijdige) aflossing van de ABS garandeert (zie hierna: § III.4.2.4.1). In dat geval loopt de credit enhancer gedeeltelijk een debiteurenrisico op de originator en gedeeltelijk op de geëffectiseerde vorderingenportefeuille.
Bijvoorbeeld de investeerder(s) in de meest achtergestelde (junior) klasse van ABS.
Zie nr. 321. Ook dit is een vorm van ‘first loss protection’ die in feite ten laste van de originator komt. De ‘excess spread’ is immers de overwaarde die in de transactie aanwezig is. Deze overwaarde vloeit in beginsel via toepassing van ‘profit extraction’ technieken weer terug naar de originator (zie § II.13). Kredietverliezen hebben tot gevolg dat de originator minder aanspraak kan maken op de in de transactie aanwezige ‘excess spread’.
Vgl. Rosenthal & Ocampo 1988, p. 9-10.
Dit hoeft echter niet altijd het geval te zijn. Het komt ook voor dat de dekking van de credit enhancement het gehele onder de ABS verschuldigde bedrag beslaat. Men spreekt dan van een fully supported securitisation. Zie nr. 98 in verband met het onderscheid tussen “fully” en “partially supported” ABCP-programma’s.
Zie § III.2.5.
Zie nr. 251.
Zie nr. 321.
Zie nr. 204.
Zie § III.4.2.
302. Credit enhancement biedt bescherming tegen kredietverliezen. Credit enhancement heeft tot doel het SPV en de investeerders in de ABS te beschermen tegen kredietverliezen die worden geleden op de aan het SPV overgedragen activa. Ondanks het feit dat alleen vorderingen die voldoen aan strenge selectiecriteria (‘eligibility criteria’) worden opgenomen in de securitisation, er sprake is van een zekere mate van risicospreiding en er bovendien al bij de koopprijsbepaling aandacht kan worden besteed aan het risico van kredietverliezen,1 wordt er, met het oog op de belangen van de investeerders, toch rekening mee gehouden dat er kredietverliezen worden geleden in een hogere mate dan de historische en statistische analyse van de vorderingenportefeuille uitwijst. Kredietverliezen tasten de kredietwaardigheid van het SPV aan. Met het oog daarop is er een aantal technieken ontwikkeld waarmee de kredietkwaliteit van de ABS kan worden vergroot. De toepassing van deze technieken wordt aangeduid met de term credit enhancement.
Degene die de credit enhancement verstrekt, de credit enhancer, draagt geheel of gedeeltelijk het aan de geëffectiseerde vorderingenportefeuille verbonden kredietrisico. Meestal is de dekking die de credit enhancement faciliteit biedt, beperkt tot ongeveer 10 à 20% van de onder de ABS verschuldigde hoofdsom. De vereiste omvang van de credit enhancement wordt bepaald door de rating agencies2 en is onder andere afhankelijk van het soort transactie, de kredietkwaliteit van de vorderingenportefeuille, de voor de ABS gewenste rating en mogelijk ook van commerciële en transactietechnische motieven.
303. Dynamic credit enhancement. Het is mogelijk dat de omvang van de dekking die door de credit enhancement wordt geboden, gedurende de looptijd van de ABS variabel is. Men spreekt dan van variable of dynamic credit enhancement.3 Dit komt o.a. voor bij de securitisation van credit card en handelsvorderingen.4 Bij dergelijke securitisations wordt gebruikgemaakt van een herbeleggingsstructuur, hetgeen wil zeggen dat de betalingen die op de geëffectiseerde vorderingen worden ontvangen, (dagelijks) worden herbelegd in nieuwe van de originator te kopen vorderingen. In een dergelijke structuur bestaat de kans dat het risicoprofiel van de geëffectiseerde vorderingenportefeuille gedurende de looptijd van de securitisation verandert, bijvoorbeeld als gevolg van wijzigingen in de economische omstandigheden waaronder de originator zijn bedrijf moet uitoefenen, de daarmee verband houdende veranderingen in ‘dilution’-5 en verliesratio’s en wijzigingen in debiteurenconcentraties. Het feit dat het risicoprofiel niet constant is, brengt met zich dat ook de behoefte aan credit enhancement wisselend is. In tijden dat de portefeuille (relatief) slecht presteert, zal de behoefte aan credit enhancement groter zijn dan in perioden waarin kredietverliezen minimaal zijn. Bij de berekening van de omvang van de credit enhancement faciliteit wordt meestal gebruikgemaakt van formules met bepaalde variabele factoren (ten aanzien van bv. dilutions, verliezen en concentraties). Wel is de credit enhancement veelal onderworpen aan een bepaald minimum waarbeneden de geboden dekking niet kan dalen. Dit is de zogenoemde ‘credit enhancement floor’.
304. Tranching van het kredietrisico. De toepassing van credit enhancement maakt het mogelijk het kredietrisico te herverdelen over de verschillende bij de securitisation betrokken partijen. Het kredietrisico kan worden verdeeld in een aantal tranches, dat vervolgens wordt ondergebracht bij die partijen die bereid zijn, en het best in staat zijn, de betreffende risico’s te dragen. Over het algemeen wordt het kredietrisico op zijn minst in drie tranches gesplitst, maar dit kunnen er ook meer zijn.6
(i) First losses. De eerste tranche betreft de normale of gebruikelijke uitval in de vorderingenportefeuille, het ‘reële’ debiteurenrisico. Zelfs onder de beste economische omstandigheden zullen er schuldenaren zijn, die niet aan hun betalingsverplichtingen kunnen of willen voldoen. In de meeste gevallen zal de omvang van dit gedeelte van het kredietrisico goed zijn in te schatten aan de hand van een analyse van de debiteurenhistorie. Deze ‘eerste’ verliezen (first losses) kunnen, afhankelijk van het soort vorderingsrecht,7 variëren in omvang. Zij kunnen geheel of gedeeltelijk worden gedragen door de originator die een vorm van ‘first loss protection’ biedt.8,9
Deze bescherming kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een regresrecht (‘seller recourse’), ‘overcollateralisation’ of een ‘reserve fund’ waarin bij aanvang van de transactie door de originator een bepaald bedrag wordt gestort en dat het SPV in geval van kredietverliezen kan aanspreken.10 Het is echter ook mogelijk dat de ‘first losses’ (gedeeltelijk) worden gedragen door een derde-investeerder.11
In geval van de securitisation van rentedragende vorderingen worden de ‘first losses’ in eerste instantie opgevangen met de marge die meestal aanwezig is tussen de op de vorderingen ontvangen rente en de financieringslasten en overige operationele kosten van het SPV (de zogeheten ‘excess spread’).12
(ii) Bad recession risk. De tweede schijf betreft kredietverliezen die uitstijgen boven het bedrag van de gebruikelijke (‘eerste’) verliezen en zijn veelal het gevolg van een economische recessie. Deze tranche van het kredietrisico betreft meestal een bepaalde veelvoud van het historisch wanbetalingsbedrag (bijvoorbeeld 3 of 5 maal) en wordt ondervangen door een vorm van credit enhancement te verlenen door de originator en/of een derde partij, bijvoorbeeld de investeerders in de ‘mezzanine notes’.
(iii) Catastrophe risk. Hetgeen dan nog resteert van het kredietrisico, de derde tranche, heeft betrekking op kredietverliezen die worden geleden in geval van een economische catastrofe. Dit risico wordt in de regel gedragen door de (senior) investeerders in de ABS.13 Zij dragen zodoende uitsluitend het risico van eventualiteiten, zoals een algehele economische depressie die met zich brengt dat de vorderingenportefeuille aanmerkelijk slechter presteert dan op grond van een analyse van de debiteurenhistorie werd verwacht.14 De kans dat deze laatste categorie van het kredietrisico zich realiseert, is over het algemeen klein.
305. Overzicht van mechanismen ter bescherming tegen het kredietrisico. Concluderend kan men stellen dat investeerders in ABS meestal door vier of vijf mechanismen worden beschermd tegen het aan de geëffectiseerde vorderingen verbonden kredietrisico:
een evenwichtige samenstelling van de in de securitisation te betrekken vorderingenportefeuille, met een voldoende risicospreiding en strikte ‘eligibility criteria’ en ‘representations and warranties’;15
een koopprijsbepaling waarbij al rekening wordt gehouden met toekomstige kredietverliezen;16
in geval van rentedragende vorderingen: een bescherming tegen de ‘eerste verliezen’ door ‘exces spread’;17
een door de originator of een derde verleende ‘first loss protection’ gecombineerd met een door de originator geboden bescherming tegen ‘dilutions’18 en vaak ook
een andere, door derden te verstrekken vorm van credit enhancement, zoals een ‘senior-subordinated’ structuur of een vorm van verzekering of garantie.19