Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/3.3.1.3
3.3.1.3 Jegens derden na het Vie d’Or arrest
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS301774:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In het Ropama arrest wordt bijvoorbeeld nadrukkelijk naar het Vie d’Or arrest verwezen. RB Rotterdam 30 mei 2007 (Ropama).
Voor aansprakelijkheid jegens derden voor andere werkzaamheden dan wettelijke controle, zie HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2876 enRB Rotterdam 15 oktober 2008, JRV 2009, 264, r.o. 5.5 (Steens/Crossroads).
RB Utrecht 12 december 2007, LJN BB9709, RO 2008, 13 (Ceteco).
Gerechtshof Amsterdam, 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2681, r.o. 3.15.
Bras (2008), p. 67.
RB Amsterdam 18 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2527.
RB Rotterdam 15 oktober 2008, JRV 2009, 264, r.o. 5.5 (Steens/Crossroads), RB ’s-Gravenhage 24 juli 1991 (Te kennen uit artikel Bertrams (1991), p. 204 e.v. en Bisschop, (1994), p. 26).
In de lagere rechtspraak na het Vie d’Or arrest wordt het uitgangspunt van de Hoge Raad gevolgd dat een accountant jegens derden aansprakelijk kan zijn.1
De reikwijdte van de zorgplicht jegens derden is groter wanneer de accountant werkzaamheden verricht in het kader van zijn wettelijke opgedragen taak, dan wanneer hij werkzaamheden verricht die daarbuiten vallen.2
In afwijking van het Vie d’Or arrest (en mijns inziens in lijn met de door Tjong Tjin Tai aangebrachte nuancering) heeft de rechtbank in de Ceteco uitspraak overwogen dat een vordering terzake de schending van de zorgplicht jegens derden slechts kans van slagen heeft, indien voldoende concreet is gesteld dat de gezamenlijke schuldeisers hebben gehandeld op basis van een door de accountant gecontroleerde jaarrekening.3
In de uitspraak naar aanleiding van het Heli Holding4 geschil wordt daarentegen het Vie d’Or arrest weer gevolgd. Het hof overweegt: ‘Heli Holding mocht als derde haar gedrag in beginsel afstemmen op de jaarrekening 1994, die was voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Bij het nemen van haar beslissing om te investeren mocht Heli Holding ervan uitgaan dat het daarin gepresenteerde beeld niet misleidend was’.
Opmerkelijk bij zowel de Ropama als de Steens/Crossroads uitspraak is dat sprake was van een verklaring van oordeelonthouding. Mag de gebruiker van de jaarrekening er ook op vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is wanneer de accountant daarbij geen goedkeurende verklaring maar een verklaring van oordeelonthouding heeft gegeven? De rechtbank oordeelt in de Ropama zaak van wel. Bras5 noemt deze ontwikkeling zorgelijk. Bij het Beaumont geschil6 lijkt de rechtbank van dit standpunt af te wijken. De rechtbank overweegt dat de oordeelonthouding, in combinatie met de toelichting daarop, zodanig duidelijk is voor degenen met wier belangen de accountant rekening moest houden, dat de accountant hiermee kon volstaan en er geen sprake was van een afzonderlijke waarschuwingsplicht (zie paragraaf 4.4.4 voor een nadere bespreking van dit geschil en paragraaf 1.4.2.6 inzake de verklaring van oordeelonthouding).
Een derde professionele partij die wordt bijgestaan door deskundige adviseurs heeft eerder een eigen onderzoeksplicht en mag minder snel vertrouwen op de gecontroleerde jaarrekening.7 Hier speelt het leerstuk van eigen schuld, zie paragraaf 5.6.1.