Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.2.3
14.2.3 Vereisten aan het afhankelijke recht
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296788:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Parlementaire Geschiedenis Invoering Boek 6, p. 1241; Faber & van Hees 1994, p. 191; Kortmann 1994b, p. 748.
Swinnen 2014, p. 58.
Faber & van Hees 1994, p. 192; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 274; Kortmann 1994b, p. 748.
Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 882-883.
Wel is het onder omstandigheden mogelijk dat de retentor de feitelijke macht over de zaak uit blijft oefenen ten behoeve van de verkrijger van de vordering; zie Cahen 1969, p. 8; Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 883.
Cabrillac 1983, p. 119. De auteur geeft als voorbeelden van subjectieve rechten die naar Frans recht niet in gemeenschap kunnen worden gehouden en/of uitgeoefend, de revindicatievordering en het veto-recht van iemand ten gunste van wie een ‘negative pledge’ is afgegeven. Ik heb ditzelfde argument in de Nederlandse literatuur niet aangetroffen, hoewel Rongen 2012, p. 1360 een voorbeeld geeft van een recht dat niet gesplitst kan worden bij gedeeltelijke overgang van het recht waar het bij hoort. In de Nederlandse literatuur wordt er daarnaast wel op gewezen dat de feitelijke toestand die ontstaat door gedeeltelijke overdracht van het hoofdrecht ervoor kan zorgen dat het afhankelijke recht (deels) niet meer voort bestaat. Zie ten aanzien van het recht van erfdienstbaarheid Asser/Bartels & van Velten 2017, para. 178a en ten aanzien van het aandeel in een mandelige zaak Holtman 1992, p. 241. Dat betreft echter een ander geval, omdat deze rechten in beginsel wel in gemeenschap kunnen worden gehouden.
Snijders 2002, p. 34.
Zou worden uitgegaan van de opvatting dat afhankelijke rechten zich bij splitsing van het hoofdrecht eveneens splitsen – zie randnummer 601 – dan geldt uiteraard dat het afhankelijke recht splitsbaar dient te zijn.
Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 15.
574. Aan het subjectieve recht dat men afhankelijk wenst te maken van een ander recht worden eveneens weinig vereisten gesteld. Eén restrictie die in de literatuur wel wordt genoemd, is dat het niet mogelijk is om het eigendomsrecht afhankelijk te maken. Daarvoor worden hoofdzakelijk drie argumenten genoemd. Ten eerste zou het karakter van het eigendomsrecht zich tegen een afhankelijke status verzetten; het meest omvattende recht kan niet ondergeschikt zijn aan een ander recht.1 Ten tweede gaan rechten die zonder een ander recht niet kunnen bestaan teniet zodra dat andere recht tenietgaat; bij eigendom gebeurt dat niet.2 Als derde argument wordt genoemd dat het automatisch overgaan van een eigendomsrecht zodra een ander recht wordt overgedragen zich slecht verhoudt met het leveringsbeginsel en de formaliteiten die daarbij in acht moeten worden genomen.3 De waarde van deze argumenten is mijns inziens maar betrekkelijk indien niet wordt gekeken naar de mogelijkheid om het eigendomsrecht als zodanig afhankelijk te maken, maar enkel de voorwaardelijke gerechtigdheid tot een eigendomsrecht (zoals bijvoorbeeld gebeurt bij een eigendomsvoorbehoud). Deze voorwaardelijke eigendom is sowieso al ondergeschikt aan externe factoren en kan daardoor ook tenietgaan (zoals de eigendom onder ontbindende voorwaarde van de betaling van een geldsom ondergeschikt is aan – en tenietgaat door – de betaling van die geldsom). Het bezwaar dat niet aan de vereiste leveringsformaliteiten voldaan zou worden. is wat mij betreft een cirkelredenering. Zulke leveringsformaliteiten gelden voor afhankelijke rechten niet (vergelijk het hypotheekrecht en het recht van erfdienstbaarheid, voetnoot 19 van dit hoofdstuk). Zeggen dat een recht niet afhankelijk is omdat het niet zou voldoen aan de leveringsformaliteiten die worden gesteld aan rechten die niet-afhankelijk zijn, komt dus eigenlijk neer op de stelling dat een recht niet afhankelijk is omdat het niet afhankelijk is.
575. Een ander vereiste kan impliciet worden afgeleid uit de argumentatie die wordt gebruikt om te betogen dat het retentierecht geen (volledig) afhankelijk recht is. De wetgever merkt op dat het retentierecht niet kan ontstaan of voortbestaan zonder de vordering waarvoor terugbetaling wordt opgeschort, maar dat het retentierecht niet automatisch mee overgaat zodra deze vordering wordt overgedragen.4 De reden daarvoor is dat de retentor die zijn vordering overdraagt over het algemeen de bevoegdheid zal missen om ook de feitelijke macht van de teruggehouden zaak aan de verkrijger van de vordering te doen toekomen.5 Hieruit is af te leiden dat een subjectief recht dat niet zonder een ander recht kan bestaan, slechts daadwerkelijk afhankelijk is indien het (samen met het andere recht) voor overgang vatbaar is. Bij retentierechten is dat dus niet het geval. Bij vuistpandrechten voorziet de wet in de mogelijkheid om de feitelijke macht over het pandobject over te doen gaan op de verkrijger van de door het pandrecht gesecureerde vordering (art. 6:143 lid 3 BW). Aan het vereiste dat afhankelijke rechten voor overgang vatbaar dienen te zijn, kan nog worden toegevoegd dat dit óók het geval moet zijn indien de hoofdrechten waar zij bij horen worden gesplitst.6 Algemeen wordt aangenomen dat bij het splitsen van een hoofdrecht de verschillende partijen die er een deel van verkrijgen de van dit hoofdrecht afhankelijke rechten in gemeenschap gaan houden (zie meer uitgebreid paragraaf 14.3.4).7 Het is dan wel nodig dat de afhankelijke rechten zich daartoe lenen.8
576. Een laatste vereiste aan het afhankelijke recht dat impliciet volgt uit de literatuur is dat het afhankelijke recht geen onderdeel van het hoofdrecht kan zijn. Het afhankelijke recht heeft namelijk steeds betrekking op ofwel een andere wederpartij, ofwel een ander rechtsobject dan het hoofdrecht waar het bij hoort (zie ook paragraaf 6.2). Daardoor is het bijvoorbeeld mogelijk om afzonderlijk van het afhankelijke recht afstand te doen, zonder afstand van het hoofdrecht te hoeven doen.9 Zijn twee rechten zo innig verbonden dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan, zien op dezelfde wederpartijen en (eventueel) hetzelfde rechtsobject, dan ligt het voor de hand om het ene recht als onderdeel van het andere recht te zien.