NJB 2020/1824
Het iemand ‘bewegen tot’, art. 326 lid 1 Sr: van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in artikel 326 lid 1 Sr. De Hoge Raad verduidelijkt wanneer hiervan wel of geen sprake is. In casu heeft het hof niet begrijpelijk geoordeeld dat geen sprake was van een situatie waarin het beoogde slachtoffer gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien, aangezien de aangeefster ermee bekend was dat alle handelingen van de verdachte erop waren gericht apparatuur uit winkels te verkrijgen zonder daarvoor (volledig) te betalen en dat de verdachte haar had toegezegd dat haar naam uit de systemen van de providers zou worden verwijderd ondanks de verstrekking van gratis telefoons en de afsluiting van telefoonabonnementen
HR 30-06-2020, ECLI:NL:HR:2020:1149
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
30 juni 2020
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, Y. Buruma,E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strienen J.C.A.M. Claassens
- Zaaknummer
18/01059
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:1149, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 30‑06‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:134, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑02‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑08‑2018
- Wetingang
(art. 326 Sr)
Essentie
Het iemand ‘bewegen tot’, art. 326 lid 1 Sr: van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in artikel 326 lid 1 Sr. De Hoge Raad verduidelijkt wanneer hiervan ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.