Rb Den Haag 11 maart 2016, insolventienr. C/09/15/484 R.
HR, 30-09-2016, nr. 16/02270
ECLI:NL:HR:2016:2231
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2016
- Zaaknummer
16/02270
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2231, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 30‑09‑2016; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:914, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2016:2449, Niet ontvankelijk
ECLI:NL:PHR:2016:914, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑06‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2231, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 30‑09‑2016
Partij(en)
30 september 2016
Eerste Kamer
16/02270
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P.J.Ph. Dietz de Loos thans mr. F.I. van Dorsser.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/09/15/484 R van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2016;
b. het arrest in de zaak 200.187.649/01 van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-10).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 september 2016.
Conclusie 29‑06‑2016
16/02270
mr. G.R.B. van Peursem
29 juni 2016
Conclusie inzake:
[verzoeker],
(hierna: [verzoeker]),
verzoeker tot cassatie,
advocaat mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
1. In deze schuldsaneringszaak heeft de rechtbank1.op voordracht van de rechter-commissaris de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd, omdat [verzoeker] tekortschoot in de nakoming van diverse op hem rustende verplichtingen. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof dat [verzoeker] (i) een boedelachterstand heeft laten ontstaan, waarbij niet aannemelijk is geworden dat hem ten aanzien van het ontstaan daarvan geen verwijt treft, noch dat hij in staat is de achterstand in te lopen, (ii) niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, omdat hij de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over de afkoop van zijn levensverzekering, over de betaling van het door hem uit dien hoofde ontvangen bedrag aan zijn dochters en ook niet over de besteding van een verzekeringsuitkering aan de reparatie van het laminaat in zijn woning, (iii) geen aantoonbare inspanningen heeft verricht om betaald werk te vinden en dat (iv) deze tekortkomingen toerekenbaar en van een zodanige ernst zijn dat een voortzetting van de regeling niet gerechtvaardigd is, zodat [verzoeker]’ verlengingsverzoek wordt afgewezen2..
2 Namens [verzoeker] is hiertegen tijdig beroep in cassatie ingesteld. Van het in het cassatieverzoekschrift gemaakte voorbehoud tot aanvulling is geen gebruik gemaakt. Het middel telt één onderdeel dat diverse klachten aanvoert tegen de hiervoor genoemde oordelen van het hof, die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
3 Het hof overweegt in rov. 4.3 over schending van de informatieplicht door [verzoeker] als volgt:
“4.3.Wat in deze zaak zwaar weegt, is het niet voldoen aan de informatieplicht. [verzoeker] had in het kader van de omzetting van het faillissement in de schuldsanering de afkoop van de levensverzekering moeten melden. Ook had hij vervolgens bij de bewindvoerder moeten informeren naar de mogelijkheid van uitbetaling van het geld aan zijn dochters (dat die doorbetaling voorafgaande aan de schuldsaneringsregeling plaatsvond is onvoldoende aangetoond, en had anders eveneens moet worden gemeld in het kader van de omzetting). Daarnaast heeft de bewindvoerder gevraagd naar nota’s in verband met de besteding van de verzekeringsuitkering voor het laminaat. De bewindvoerder heeft onweersproken aangevoerd dat hij eerder een kopiefactuur (zonder vermelding van de afzender) d.d. 17 juni 2015 met factuurnummer [001] ten name van [betrokkene 1] ontving. Het bedrag van die kopiefactuur is precies het door de verzekering uitgekeerde bedrag € 2.371,26 (inclusief BTW). In hoger beroep is weer een andere, slecht leesbare kopiefactuur (met rechts bovenaan weergegeven/gekopieerd mogelijk het begin van de naam [betrokkene 2]) d.d. 7 augustus 2015 met factuurnummer [002] overgelegd, met daarop nu een factuurbedrag van € 2.400 (inclusief BTW). Op deze kopiefactuur is ook een kwitantie gefotokopieerd, vermeldende dat het factuurbedrag van € 2.400,-- op 7 augustus 2015 is voldaan. De bewindvoerder heeft er echter op gewezen dat hij geen opnames ter hoogte van dit bedrag heeft waargenomen na uitbetaling van het schadebedrag. Een behoorlijke verklaring van [verzoeker] bij dit alles ontbreekt. Hij had direct bij aanwending van het bedrag aan de hand van eenduidige en heldere verificatore bescheiden de besteding van het geld aan de bewindvoerder moeten verantwoorden. Ook op dit punt is hij ernstig tekortgeschoten in zijn informatieplicht.”
4 De eerste klacht onder het kopje “Levensverzekering” is dat dit oordeel geen stand kan houden, omdat de levensverzekeringskwestie speelde voorafgaand aan toelating tot de schuldsaneringsregeling. Die klacht, ter onderbouwing waarvan wordt “verwezen” naaar het beroepschrift onder 5, treft geen doel, omdat het hof in rov. 4.3 overweegt dat die doorbetaling voorafgaand aan toelating onvoldoende is aangetoond en ook dan had moeten worden gemeld in het kader van de omzetting van [verzoeker]’ faillissement in een schuldsaneringsregeling. Het beroepschrift onder 5 voert op dit punt alleen aan dat [verzoeker] zich niet heeft gerealiseerd dat hij dit had moeten melden, maar dat kan hem gelet op de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende spontane inlichtingenplicht niet baten3..
5 De tweede klacht onder het kopje “Diverse stukken” lijkt zich te richten tegen de passage over de door de bewindvoerder opgevraagde nota’s aangaande de besteding van de verzekeringsuitkering voor het laminaat. De klacht luidt dat [verzoeker] bij beroepschrift onder 5 heeft aangegeven bereid te zijn bij boedelachterstand zijn vakantiegeld naar de boedelrekening over te maken en dat zijn dochters ook iets zouden willen overmaken. Daargelaten of deze klacht voldoet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen, is dit geen adequaat verweer tegen het verwijt van schending van de informatieplicht op dit punt, zodat de klacht faalt.
6 De derde klacht (ook onder het kopje “Diverse stukken”) voert in de kern aan, onder verwijzing naar het beroepschrift onder 8, dat de rechter-commissaris een verhoor bij vermoeden van schending van de informatieplicht had kunnen gelasten. Daar maakt de klacht een plicht van van de rechter-commissaris. Omdat zo’n rechtsplicht niet bestaat, is deze ook niet geschonden, zodat ook deze klacht faalt.
7 Nu deze klachten tegen de zelfstandig dragende tussentijdse beëindigingsgrond schending informatieplicht falen, bestaat geen belang bij de klachten over de opgelopen boedelachterstand met betrekking tot de laminaatkwestie en schending van de sollicitatieplicht, zodat die kunnen blijven rusten.
8 [verzoeker]’ tekortkomingen zijn door het hof als toerekenbaar aangemerkt in rov. 5:
“5. Hetgeen meer of anders aangevoerd kan in het kader van het onderhavige hoger beroep niet tot een ander oordeel leiden en behoeft geen nadere bespreking. Dat [verzoeker] inmiddels onder beschermingsbewind staat vormt geen reden om voorbij te gaan aan de tekortkomingen die toerekenbaar zijn en van een zodanige ernst dat een voortzetting van de regeling niet gerechtvaardigd is. Ook het verzoek om een verlenging van de regeling (in het kader van de voortzetting ervan) wordt afgewezen. De ernst van de tekortkomingen staat daaraan in de weg. Los daarvan is niet aannemelijk geworden dat bij voortzetting/verlenging de verplichtingen wel naar behoren zullen worden nagekomen.”
9 Volgens de klachten hiertegen (p. 4 onder randnr. 2 en p. 5, 1e alinea) is deze redengeving onjuist althans onbegrijpelijk, omdat:
(a) [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij onder beschermingsbewind staat,
(b) er een netwerk is voor de toekomst,
(c) er een plan van aanpak ligt om de achterstanden in te lopen,
(d) de hardheidsclausule bedoeld is om ondanks het bestaan van gebreken toch tot een succesvolle afsluiting te kunnen komen, en
(e) de gebreken niet zodanig ernstig zijn dat daardoor een beroep op de hardheidsclausule zou moeten worden afgewezen.
10 Deze klachten miskennen dat het hof expliciet op stelling (a) is ingegaan, zodat hier niet had mogen worden volstaan met een herhaling van die stelling, maar met bepaaldheid en precisie had moeten worden aangegeven waarom ’s hofs oordeel niettemin als onjuist of onbegrijpelijk moet worden bestempeld. In zoverre voldoen de klachten niet aan de hieraan de op grond van art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen4.. Omstandigheden (b) en (c) zijn als ik het goed zie feitelijke stellingen die in cassatie voor het eerst worden aangevoerd, ontoelaatbare nova dus. Stellingen (d) en (e) refereren aan de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw die van toepassing is bij beoordeling van een toelatingsverzoek en dus niet bij een geval van tussentijdse beëindiging zoals in deze zaak aan de orde. Zelfs indien deze klacht zo moet worden begrepen, dat een beroep wordt gedaan op het ontbreken van verwijtbaarheid ter zake van de vastgestelde tekortkomingen, wordt in feite aangestuurd op een herwaardering van een feitelijke aangelegenheid, waarvoor in cassatie geen plaats is. Ook deze klachten kunnen zodoende klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑06‑2016
Hof Den Haag 26 april 2016, zaaknr. 200.187.649/01, rov. 4.1 t/m 5.
Vgl. HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144, NJ 2002/259, m.nt. Wessels: inlichtingenplicht strekt zich ook uit tot hetgeen de schuldenaar behoort te weten als relevant voor de goede uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Zie ook HR 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2041, RvdW 2007/89.