Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.1:3.4.1 Inleiding
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.1
3.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645024:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur heeft zich een interessante discussie afgespeeld over het bestaan van de zelfstandige bijzaak onder het OBW. De meerderheidsopvatting aan het eind van de 19e eeuw was die van Diephuis, die het begrip “bijzaak” als een zelfstandige zaak in de Nederlandse doctrine introduceerde. Zo ontstond naast de categorie “bestanddeel” een nieuwe categorie. De bijzaak was een zelfstandige zaak, ondanks dat zij hecht was verbonden met een hoofdzaak (en er geen sprake was van een opstalrecht). Door de jaren heen verschoof deze meerderheidsopvatting onder de juristen echter. In de tweede helft van de 20e eeuw was de meerderheid der Nederlandse juristen van mening dat een onderscheid tussen bestanddelen en bijzaken zinloos was. Het wel of niet aannemen van een zelfstandige bijzaak had zakenrechtelijk grote gevolgen. Als alle onderdelen van een zaak zelfstandigheid misten oftewel bestanddelen waren, dan had een vereniging tussen de ene en de andere zaak het tenietgaan van zakelijke rechten tot gevolg. Het terrein van de natrekking werd dus gedurende de 20e eeuw uitgebreid met als gevolg dat minder vaak sprake was van continuïteit van zakelijke rechten. De discussie of bij- en hulpzaken bestonden, werd voornamelijk gevoerd aan de hand van gevallen waarin sprake was van een onroerende zaak, waaraan een roerende zaak was verbonden. De discussie zal hieronder kort worden weergeven, omdat zij van belang is voor de beantwoording van de vraag wanneer onder het OBW een zaak door de verbinding een bestanddeel wordt.