Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.3.2.4
7.3.2.4 De algemene sanctieverplichting uit artikel 16 lid 1 Richtlijn ETS
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS603363:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer HvJ EU 28 oktober 2010, C-367/09 (Belgisch Interventie- en Restitutie-bureau t. SGS Belgium NV e.a.), r.o. 41 en Meeus 2014, p. 88.
O.a. HvJ EG 21 september 1989, C-68/88 (Griekse Maïs), r.o. 24, deels ook voorgeschreven door artikel 16 lid 1 Richtlijn ETS. Voor een uitwerking van deze vereisten: Meeus 2014, p. 79-163.
Zie voor een behandeling van deze standaard rechtspraak: Adriaanse e.a. 2008, i.h.b. paragraaf 3.2; zie ook Jans e.a. 2007, i.h.b. hoofdstuk 6, paragraaf 3.
HvJ EG 21 september 1989, C-68/88 (Griekse Maïs).
HvJ EG 21 september 1989, C-68/88 (Griekse Maïs), r.o. 22.
HvJ EG 21 september 1989, C-68/88 (Griekse Maïs), r.o. 23-25.
Zie in dit kader tevens Meeus 2014, p. 86.
Naast de specifieke handhavingsmaatregelen bevat de Richtlijn in artikel 16 lid 1 een aanvullende algemene verplichting voor de handhaving van de bepalingen die voortvloeien uit de Richtlijn. Deze bepaling bevat eisen inzake de algemene handhaving van de implementatiebepalingen van de Richtlijn. Derhalve dienen lidstaten ook in hun nationale wetgeving te voorzien in aanvullende sanctievoorschriften.1 De lidstaten zijn vrij de inhoud van de sancties te bepalen. Ten aanzien van deze sancties zijn echter wel de algemene eisen die gelden voor de sanctionering van het EU-recht van toepassing, zijnde gelijkwaardigheid, afschrikwekkendheid, doeltreffendheid en evenredigheid.2 In het navolgende wordt ingegaan op de vraag of de aanvullende nationale handhavingsvoorschriften in de Nederlandse wetgeving aan deze vereisten voldoen.
Artikel 16 lid 1 Richtlijn ETS bepaalt:
‘De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op schendingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om de toepassing van die sancties te verzekeren. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen die bepalingen aan de Commissie mede en melden onverwijld eventuele wijzigingen daarvan.’
Deze bepaling bevat eisen inzake de algemene handhaving van de implementatiebepalingen van de Richtlijn. De eis dat de handhavingsmaatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn, herhaalt ten dele standaardrechtspraak van het Hof van Justitie.3
Het meeste bekende arrest is Griekse Maïs, waarin alle vereisten werden genoemd.4 De Commissie beschuldigde Griekenland ervan dat, in strijd met het EU-recht, bepaalde heffingen op de invoer van Joegoslavische maïs niet werden geheven. Dit leidde volgens de Commissie tot meerdere schendingen van het EU-recht. Een van de vermoede schendingen betrof een schending van artikel 5 EEG (tegenwoordig artikel 4 lid 3 VEU), in de bewoordingen van het Hof van Justitie:
‘De Commissie stelt, dat artikel 5 EEG-Verdrag de Lid-Staten de verplichting oplegt, overtreders van het gemeenschapsrecht op dezelfde wijze te bestraffen als overtreders van nationale bepalingen. De Griekse regering zou deze verplichting niet zijn nagekomen door niet alle door het nationale recht geboden straf- of tuchtrechtelijke procedures in te leiden tegen de fraudeurs en allen die bij de fraude of het toedekken ervan betrokken waren.’5
Het Hof van Justitie oordeelde dienaangaande dat, in de afwezigheid van een door de EU voorgeschreven specifieke strafbepaling met betrekking tot een overtreding, handhavingsmaatregelen gelijkwaardig dienen te zijn aan handhavingsbepalingen ten aanzien van vergelijkbare en even ernstige overtredingen van andere nationale bepalingen. Daarnaast dienen de maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend te zijn. Ook dienen de nationale autoriteiten, aldus het Hof:
‘even energiek op te treden tegen overtredingen van het gemeenschapsrecht als wanneer het gaat om de handhaving van een overeenkomstige nationale wettelijke regeling.’6
Uit dit arrest blijkt dus dat de handhavingsbepalingen als bedoeld in artikel 16 lid 1 Richtlijn ETS, naast dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend dienen te zijn, ook gelijkwaardig dienen te zijn aan handhavingsbepalingen ten aanzien van vergelijkbare en even ernstige overtredingen van andere Nederlandse bepalingen. Immers, artikel 16 lid 1 Richtlijn ETS verwijst voor de handhaving van de nationale bepalingen ter implementatie van de Richtlijn naar de nationale handhavingsbepalingen. Artikel 16 lid 1 Richtlijn ETS is zelf niet te kwalificeren als een specifieke sanctiebepaling.7
In het navolgende zal ik de handhavingsbepalingen ten aanzien van de implementatiebepalingen van het ETS onderzoeken aan de hand van het gelijkwaardigheid-, doeltreffendheid-, afschrikkendheid-, en evenredigheidsbeginsel, zoals geformuleerd in Griekse Maïs. De uitvoering van de handhaving komt daarna aan de orde.