Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/1.3
1.3 Probleemstelling
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS398843:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De omzetbelasting wordt ook wel eens als bestedingsbelasting aangeduid, bijvoorbeeld J. Reugebrink, Omzetbelasting, Deventer, Uitgeverij FED, 1973, blz. 7, M.E. van Hilten, Bancaire en financiële prestaties in de Europese BTW, Deventer, Kluwer, 1992, blz. 14-16 en Gj. van Norden, Het concern in de btw, Deventer, Kluwer, 2007, blz. 27.
Als de ene vestiging wel, maar de andere vestiging geen recht op aftrek van voorbelasting heeft.
Hoewel het van groot belang is dat de vier vestigingsplaatsvormen op uniforme wijze worden uitgelegd, bestaat op dit moment nog onvoldoende duidelijkheid over de invulling daarvan. Hetzelfde geldt voor hun onderlinge relatie. Dit onderzoek handelt over de invulling van de vier vestigingsplaatsvormen: zetel van bedrijfsuitoefening, vaste inrichting, woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats in het kader van de regels voor de plaats van dienst. De btw-heffing over goederen blijft in dit onderzoek buiten beschouwing. Slechts daar waar een vergelijking tussen btw-heffing over goederen en diensten van belang is voor de vraag hoe btw-heffing over diensten zou moeten plaatsvinden, komt de btw-behandeling van goederenleveringen aan de orde. De onderlinge relatie tussen de vier vestigingsplaatsvormen komt in dit onderzoek uitgebreid aan bod. De invulling van de vier vestigingsplaatsvormen en hun onderlinge relatie wordt daarbij in verband gebracht met het rechtskarakter van de omzetbelasting en de heffingssystematiek evenals het in de omzetbelasting zo belangrijk geachte neutraliteitsbeginsel.
De omzetbelasting heeft mijns inziens het rechtskarakter van een verbruiksbelasting (zie paragraaf 2.2.2). Aan de doelstelling van de omzetbelasting als deze als verbruiksbelasting wordt aangeduid,1 worden in zekere mate concessies gedaan door de heffingssystematiek van de omzetbelasting, de heffing bij de ondernemer bij wie de consument zijn bestedingen doet. Binnen de totstandkoming van de regels voor de plaats van dienst uit zich dit doordat men steeds worstelt met enerzijds de wens van heffing in het land van verbruik en anderzijds een vormgeving van de regels die voor ondernemers administratief niet te gecompliceerd is (zie paragraaf 3.7.4). De doelstelling van de omzetbelasting gebaseerd op het rechtskarakter van deze belasting is echter het uitgangspunt. Slechts in beperkte mate kunnen door de heffingssystematiek concessies worden gedaan.
In de omzetbelasting speelt het neutraliteitsbeginsel een belangrijke rol. De totstandkoming van de interne markt in de Europese Unie eist dat ondernemers uit verschillende lidstaten op gelijke voet met elkaar kunnen concurreren. Daartoe is het noodzakelijk dat binnen elk land op soortgelijke goederen en soortgelijke diensten een zelfde btw-bedrag rust, zodat een product niet door de belastingheffing op zich aantrekkelijker of minder aantrekkelijk wordt voor de consument. De regels voor de plaats van dienst en bijgevolg de invulling van de vier daarin genoemde vestigingsplaatsvormen moeten zoveel mogelijk bijdragen tot verwezenlijking van een dergelijke gelijke belastingheffing.
De eerste en belangrijkste probleemstelling van dit onderzoek luidt dan ook:
Hoe dienen de vier vestigingsplaatsvormen te worden ingevuld en hoe dient hun onderlinge relatie te zijn bij toepassing van de regels voor de plaats van dienst, zodat deze in overeenstemming zijn met het rechtskarakter van de omzetbelasting en het neutraliteitsbeginsel rekening houdend met de heffingssystematiek van de omzetbelasting?
Doel van de wetenschapper is niet alleen om te onderzoeken hoe iets in elkaar zit, maar ook hoe dit in elkaar zou moeten zitten. Niet alleen wat het positieve recht is, maar ook wat wenselijk recht is. Onder positief recht dient hierbij mijns inziens te worden verstaan het geldende recht zoals dit in wet- en regelgeving is opgenomen en door de rechters is uitgelegd, zodanig dat het vast staat. Het positieve recht begint in zijn oorsprong met de wet, maar wordt later door rechters nader vormgegeven. Het positieve recht is een gegeven. Er kan niet van worden afgeweken tenzij de wetgever de wet wijzigt of de hoogste Nederlandse rechter, de Hoge Raad of het Hof van Justitie ‘om’ gaat en zijn oordeel over de uitleg van de wet wijzigt. Het positieve recht kan op punten nog niet duidelijk zijn en nader moeten worden ingevuld door de rechters. Standpunten die men in de literatuur hierover inneemt, moeten mijns inziens niet worden beschouwd als een pleidooi voor wenselijk recht, maar een pleidooi voor een wenselijke invulling van het positieve recht. Van wenselijk recht kan pas worden gesproken als het positieve recht geen nadere uitleg in de jurisprudentie behoeft. Wenselijk recht wijkt af van het geldende recht zoals dit in wet- en regelgeving en jurisprudentie is neergelegd. In dit onderzoek zal naast de wijze waarop momenteel de vier vestigingsplaatsvormen worden ingevuld en hoe hun onderlinge relatie is (het positieve recht), ook de nodige aandacht zijn voor de vraag hoe het zou moeten zijn (het wenselijke recht). Daarbij zullen het rechtskarakter, de heffingssystematiek van de omzetbelasting en het neutraliteitsbeginsel een belangrijke rol spelen. Op het gebied van de vestigingsplaats in de omzetbelasting en de onderlinge relatie tussen de vier vestigingsplaatsvormen zijn er nog veel niet betreden paden, zodat ook het positieve recht op sommige punten nog niet duidelijk is ingevuld. Op die punten zal worden gezocht naar een wenselijke invulling van het positieve recht.
Een onderzoek naar de vier vestigingsplaatsvormen in de omzetbelasting is niet compleet zonder een onderzoek naar de bijzondere positie die een onderneming met verscheidene vestigingen binnen de omzetbelasting heeft. Doordat sprake is van één ondernemer met vestigingen die zich in verschillende landen bevinden doet zich een aantal praktische problemen voor. De autoriteiten van elk land hebben over het algemeen slechts zicht op wat er in hun eigen land gebeurt. Wanneer een vestiging een prestatie afneemt die eigenlijk is bestemd voor een andere vestiging komen vragen op als:
Wie moet als afnemer van deze prestatie worden beschouwd?
Moeten tussen beide vestigingen belastbare prestaties worden aangenomen om de heffing van btw in goede banen te leiden?
Hoe moet het recht op aftrek van voorbelasting voor deze afgenomen prestatie worden bepaald?
Voor de beantwoording van dergelijke vragen spelen opnieuw het rechtskarakter, de heffingssystematiek en het neutraliteitsbeginsel een belangrijke rol. Zo brengt het rechtskarakter van de omzetbelasting als algemene verbruiksbelasting (zie paragraaf 2.2.2) met zich dat heffing zou moeten plaatsvinden in het land van de vestiging voor wie de dienst is bestemd. Door de heffingssystematiek van de omzetbelasting is dit echter vaak niet haalbaar. Het is immers de dienstverrichter die bij toepassing van art. 44 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) moet vaststellen voor wie de dienst is bestemd. Hij zal niet altijd zicht hebben op de interne verhoudingen tussen de vestigingen en zal dus niet altijd kunnen bepalen voor welke vestiging zijn dienst is bestemd. Het neutraliteitsbeginsel laat zich onder meer gelden bij het bepalen van het recht op aftrek van voorbelasting. Het recht op aftrek moet worden bepaald uitgaande van het gebruik dat van een goed of dienst wordt gemaakt. Dat principe kan niet worden losgelaten wanneer een andere vestiging dan de vestiging die de dienst gebruikt de dienst inkoopt. Er zou dan een ongelijke situatie kunnen ontstaan2 tussen een vestiging die zijn eigen diensten inkoopt en een vestiging die diensten door een andere vestiging laat inkopen. De tweede probleemstelling van dit onderzoek luidt dan ook:
Hoe dient te worden omgegaan met kostendoorbelastingen, door vestigingen onderling tegen vergoeding verrichte werkzaamheden en het recht op aftrek van voorbelasting van een ondernemer met verscheidene vestigingen in verschillende landen?