HR, 26-11-2024, nr. 22/02764
ECLI:NL:HR:2024:1738
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-11-2024
- Zaaknummer
22/02764
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1738, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:971
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:3076
ECLI:NL:PHR:2024:971, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1738
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑11‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0296
Uitspraak 26‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. openlijke geweldpleging, art. 141.1 Sr. Betekening dagvaarding in hoger beroep en inhoud akte van uitreiking, art. 36h.1 Sv. Kon hof oordelen dat dagvaarding in h.b. rechtsgeldig is betekend, nu akte van uitreiking niet persoon vermeldt aan wie dagvaarding is uitgereikt? Aan dagvaarding van verdachte om te verschijnen op tz. in h.b. is akte van uitreiking gehecht. Die akte houdt in dat dagvaarding is uitgereikt op adres A aan ander dan verdachte die zich op dat adres bevond en die heeft beloofd dagvaarding onmiddellijk aan verdachte te geven. Akte vermeldt niet aan wie dagvaarding is uitgereikt en ook niet gegevens (soort en nummer) van identiteitsbewijs van ontvanger maar enkel handtekening van ontvanger en naam, functie en handtekening van bezorger. Als dagvaarding ex art. 36e.1.b.1 en 36e.2.a Sv wordt uitgereikt aan degene die zich op het in die bepaling bedoelde adres bevindt en die zich bereid verklaart stuk onverwijld aan geadresseerde te doen toekomen, moet o.g.v. art. 36h.1 Sv in akte van uitreiking de persoon worden vermeld aan wie gerechtelijke mededeling is uitgereikt. Gelet op wetsgeschiedenis bij art. 36e, 36h en 36n Sv en wetsgeschiedenis bij art. 588 (oud), 589 (oud) en 590 (oud) Sv is strekking van dat voorschrift dat achteraf kan worden nagegaan wie dagvaarding onder zich heeft genomen. Als in die akte niet persoon is vermeld aan wie dagvaarding is uitgereikt, heeft dat verzuim (in het geval dat verdachte niet op tz. is verschenen) in beginsel nietigheid van betekening van dagvaarding tot gevolg. Rechter kan echter van die nietigverklaring afzien, als anderszins uit stukken kan worden afgeleid aan wie dagvaarding is uitgereikt. Hof heeft geoordeeld dat dagvaarding in h.b. ex art. 36e.1.b.1 en 36e.2.a Sv geldig is betekend. Dit oordeel is (in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en gelet op hiervoor weergegeven inhoud van akte van uitreiking bij dagvaarding in h.b.) niet zonder meer begrijpelijk, nu die akte niet naam vermeldt van persoon aan wie dagvaarding is uitgereikt en hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of anderszins uit stukken kan worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding is uitgereikt. HR verklaart betekening van dagvaarding in h.b. nietig.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02764
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 juli 2022, nummer 20-001717-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte ] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt). Daartoe wordt aangevoerd dat de akte van uitreiking in strijd met artikel 36h van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet de persoon vermeldt aan wie de dagvaarding is uitgereikt.
2.2.1
Aan de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep is een akte van uitreiking gehecht. Die akte houdt in dat de dagvaarding op 26 april 2022 is uitgereikt op het adres [a-straat 1] in [plaats] aan een ander dan de verdachte die zich op dat adres bevond en die heeft beloofd de dagvaarding onmiddellijk aan de verdachte te geven. De akte vermeldt niet aan wie de dagvaarding is uitgereikt en ook niet de gegevens (het soort en het nummer) van het identiteitsbewijs van de ontvanger, maar enkel de handtekening van de ontvanger en de naam, de functie en de handtekening van de bezorger.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:
(...)wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is verschenen mr. S. van Minderhout (kantoorgenoot van mr. M. Dunsbergen), advocaat te Breda.
(...)De raadsvrouw:
Wij hebben geen contact kunnen krijgen met cliënt.
Op de akte van uitreiking staat wel een handtekening en datum, maar ik kan niet zien aan wie de dagvaarding is uitgereikt. Bijvoorbeeld of er een identiteitscontrole heeft plaatsgevonden. Mijns inziens is er geen sprake van een rechtsgeldige betekening overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering. Ik verzoek het hof derhalve om de dagvaarding nietig te verklaren. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat cliënt op de hoogte is van de zitting. Ik ben niet gemachtigd.
De advocaat-generaal reageert:
De dagvaarding is betekend aan de [a-straat 1] in [plaats] en ik zie op de ID-staat conform SKDB dat de verdachte ook op dat adres staat ingeschreven. Op de akte is vermeld dat de dagvaarding aan iemand anders dan de verdachte is uitgereikt. Volgens mij vereist de wet niet dat de naam van die persoon wordt vermeld. De akte is ondertekend door degene die de uitreiking heeft gedaan. Ik vraag het hof om verstek te verlenen.
Na korte onderbreking van het onderzoek voor beraad deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede.
Op de akte is inderdaad geen naam vermeld van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt, maar de akte is wel ondertekend. Daarmee voldoet de uitreiking aan de wettelijke voorwaarden. Doorslaggevend is dat volgens de gegevens uit de basisregistratie de verdachte op dit adres staat ingeschreven op de dag van de uitreiking en minstens 5 dagen daarna.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.2.3
Het hof heeft verstek verleend en heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.”
“1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
e. de plaats van uitreiking;
f. de dag en het uur van uitreiking.
3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.”
- artikel 36n lid 1 Sv:
“De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.”
2.3.2
De artikelen 588 (oud), 589 (oud) en 590 (oud) Sv zijn bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; ook wel Wet USB genoemd), vervangen door de artikelen 36e, 36h en 36n Sv. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wet USB heeft geleid, houdt over artikel 36h Sv onder meer in:
“Artikel 36h (589 Sv) - akte van uitreiking
Dit artikel betreft het huidige artikel 589 Sv, over de akte die wordt opgemaakt van de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. In de voorgestelde nieuwe bepaling blijven de gegevens die op grond van het eerste lid in de akte worden vermeld, ongewijzigd.
Aan het derde lid wordt gewijzigd dat voortaan de identiteit van de persoon waaraan de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt, zo mogelijk wordt vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De soort en het nummer van dit identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. Deze akte wordt ondertekend door degene die de uitreiking verzorgt. Dit kan ook een elektronische ondertekening zijn (zie het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering).
(Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 59.)
2.3.3
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van de artikelen 588 (oud), 589 (oud) en 590 (oud) Sv bij Wet van 11 december 1980, Stb. 1980, 666, houdende nieuwe voorschriften omtrent de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, houdt ten aanzien van de inhoud van de akte van uitreiking onder meer in:
“Artikel 588.
(...)
De persoon aan wie het stuk is uitgereikt, moet in de akte van uitreiking (artikel 589) worden vermeld. Achteraf zal dus desgewenst steeds kunnen worden nagegaan wie het stuk onder zich genomen heeft met de bereidverklaring het aan de geadresseerde te doen toekomen.
(...)
Artikel 589. Dit artikel bepaalt wat de akte van uitreiking, die bij een betekening wordt opgemaakt, moet bevatten.”
(Kamerstukken 1979/80, 15842, nrs. 1-4, p. 17-18.)
2.4
Als de dagvaarding overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1°, en lid 2, aanhef en onder a, Sv wordt uitgereikt aan degene die zich op het in die bepaling bedoelde adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, moet op grond van artikel 36h lid 1 Sv in de akte van uitreiking de persoon worden vermeld aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt. Gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is de strekking van dat voorschrift dat achteraf kan worden nagegaan wie de dagvaarding onder zich heeft genomen. Als in die akte niet de persoon is vermeld aan wie de dagvaarding is uitgereikt, heeft dat verzuim – in het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen – in beginsel nietigheid van de betekening van de dagvaarding tot gevolg. De rechter kan echter van die nietigverklaring afzien, als anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan wie de dagvaarding is uitgereikt.
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1°, en lid 2, aanhef en onder a, Sv geldig is betekend. Dit oordeel is – in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en gelet op de onder 2.2.1 weergegeven inhoud van de akte van uitreiking bij de dagvaarding in hoger beroep – niet zonder meer begrijpelijk, nu die akte niet de naam vermeldt van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt en het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding is uitgereikt.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.
Conclusie 24‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Rechtsgeldigheid betekening dagvaarding in hoger beroep. Het middel roept de vraag op of het ontbreken in de akte van uitreiking van de (voorletters en) naam van de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt gevolgen heeft voor de geldigheid van de betekening. ’s Hofs oordeel dat de uitreiking aan de wettelijke vereisten voldoet is volgens de AG onjuist. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02764
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 22 juli 2022 op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op 19 juni 1994,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] .
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is verschenen mr. S. van Minderhout (kantoorgenoot van mr. M. Dunsbergen), advocaat te Breda.
(…)
De raadsvrouw:
Wij hebben geen contact kunnen krijgen met cliënt.
Op de akte van uitreiking staat wel een handtekening en datum, maar ik kan niet zien aan wie de dagvaarding is uitgereikt. Bijvoorbeeld of er een identiteitscontrole heeft plaatsgevonden. Mijns inziens is er geen sprake van een rechtsgeldige betekening overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering. Ik verzoek het hof derhalve om de dagvaarding nietig te verklaren. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat cliënt op de hoogte is van de zitting. Ik ben niet gemachtigd.
De advocaat-generaal reageert:
De dagvaarding is betekend aan de [a-straat 1] in [plaats] en ik zie op de ID-staat conform SKDB dat de verdachte ook op dat adres staat ingeschreven. Op de akte is vermeld dat de dagvaarding aan iemand anders dan de verdachte is uitgereikt. Volgens mij vereist de wet niet dat de naam van die persoon wordt vermeld. De akte is ondertekend door degene die de uitreiking heeft gedaan. Ik vraag het hof om verstek te verlenen.
Na korte onderbreking van het onderzoek voor beraad deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede.
Op de akte is inderdaad geen naam vermeld van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt, maar de akte is wel ondertekend. Daarmee voldoet de uitreiking aan de wettelijke voorwaarden. Doorslaggevend is dat volgens de gegevens uit de basisregistratie de verdachte op dit adres staat ingeschreven op de dag van de uitreiking en minstens 5 dagen daarna.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
3.3
De akte van uitreiking met de verdachte als geadresseerde en met vermelding van het adres [a-straat 1] , [plaats] houdt, voor zover van belang, het volgende in:

3.4
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan het bepaalde in art. 589, eerste lid onder 4, (oud) Sv1., te weten dat de akte van uitreiking de persoon aan wie het schrijven is uitgereikt vermeldt, hetgeen bij niet-naleving op grond van het bepaalde in art. 590, eerste lid, (oud) Sv2.tot nietigheid van de betekening kan leiden. Het hof zou gelet hierop ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, hebben geoordeeld dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.
3.5
Het middel stelt de vraag aan de orde of het ontbreken in de akte van uitreiking van de (voorletters en) naam van de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt gevolgen heeft voor de geldigheid van de betekening.
3.6
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van belang:
- Artikel 36e
“1 De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2 Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a.de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;(…)”
- Artikel 36h
“1 Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
e. de plaats van uitreiking;
f. de dag en het uur van uitreiking.
(…)
3 De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
(…)“
- Artikel 36n
“1 De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.(…)”
3.7
Naar mijn weten is de in het middel opgeworpen rechtsvraag nog niet eerder in cassatie beantwoord. Wel heeft zich eerder het geval voorgedaan waarin de akte van uitreiking een onleesbare naam inhield. Volgens Advocaat-Generaal Meijers had de huisgenoot in dat geval kennelijk zelf zijn naam geschreven inclusief de strepen waarvan hij zijn (of haar) handtekening had voorzien. De rechtbank en het hof hadden de betekening van de oproeping voor de nadere zitting in eerste aanleg in orde bevonden. Dat oordeel leek Meijers juist, omdat de persoon aan wie het gerechtelijk stuk was uitgereikt en die zich tot het doorgeven ervan bereid heeft verklaard door de, weliswaar onleesbare opgave, voldoende was geïndividualiseerd, terwijl de postbesteller met zijn handtekening het een en ander heeft vastgelegd. Het stuk was op het juiste adres aangeboden en daar daadwerkelijk in ontvangst genomen door iemand die zich bereid verklaarde het stuk in ontvangst te nemen en door te geven. Volgens Meijers deed de onduidelijke opgave van de naam van de “huisgenoot” niet af aan de geldigheid van de betekening.3.De Hoge Raad kwam echter aan de beantwoording van deze vraag niet toe, omdat de betekeningsklacht eerst in cassatie werd voorgelegd.
3.8
Een andere opvatting dan die van Meijers is te lezen in de dissertatie van Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg4., waarin wordt betoogd dat in de situatie waarin de naam van degene aan wie is uitgereikt onleesbaar is, moet worden gehandeld als ware de akte onvolledig ingevuld.5.Volgens Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg dient de dagvaarding in principe nietig te worden verklaard indien de akte van uitreiking niet vermeldt aan wie het schrijven is uitgereikt – zij het dan met name als daardoor niet kan worden uitgemaakt of de dagvaarding in persoon is uitgereikt. Dat is anders als “uit andere gegevens valt af te leiden wie het betreft: te denken valt aan een duidelijke ondertekening van een uit het dossier te kennen persoon”.6.
3.9
Het vereiste dat in het geval de geadresseerde niet wordt aangetroffen de uitreiking geschiedt aan degene die zich op het BRP-adres dan wel de woon-of verblijfplaats van de geadresseerde bevindt, zoals weergegeven in art. 36e, tweede lid onder a Sv, heeft niet altijd zo in de wet gestaan. In eerste instantie sprak de wet over “huisgenooten”7.en nadien over “degene die zich in het huis bevindt”8.. Over deze laatste wijziging houdt de wetsgeschiedenis het volgende in:
“Artikel 588. (…)
In het eerste lid, onder b, is bepaald dat de uitreiking in andere gevallen dan bedoeld onder a, kan geschieden hetzij in persoon, hetzij, indien betekening niet in persoon is toegelaten, - bij aanbieding aan de woon - of verblijfplaats in Nederland, en indien degene voor wie het stuk bestemd is daar niet wordt aangetroffen - aan een ieder die zich in het huis bevindt en bereid is om het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. Dit laatste betekent een verruiming ten opzichte van de bestaande wet, die verlangt dat de persoon die het stuk in ontvangst neemt tenminste de «huisgenoot» is van degene voor wie het bestemd is. Deze beperking lijkt in de huidige maatschappelijke omstandigheden en bij de steeds belangrijker wordende rol die de (gehuwde) vrouw in het arbeidsproces speelt niet erg praktisch. De oppas van de kinderen bij voorbeeld kan immers niet als huisgenoot worden aangemerkt. Ook ten aanzien van de hospita bestaat er enige aarzeling of die onder alle omstandigheden als huisgenoot kan worden aangemerkt (vgl. Hoge Raad 22 oktober 1974, NJ 1975, nr. 40). In zo'n geval zou het stuk dus niet
aan de woning kunnen worden uitgereikt, maar aan het hoofd van het plaatselijk bestuur moeten worden aangeboden (vgl. artikel 588, derde lid) waardoor het de geadresseerde soms niet of met aanzienlijke vertraging bereikt.
De voorgestelde wetswijziging geeft voor deze moeilijkheden een praktische oplossing.
De persoon aan wie het stuk is uitgereikt, moet in de akte van uitreiking (artikel 589) worden vermeld. Achteraf zal dus desgewenst steeds kunnen worden nagegaan wie het stuk onder zich genomen heeft met de bereidverklaring het aan de geadresseerde te doen toekomen. Uiteraard behoort de beambte die het stuk uitreikt, zich er tevens van te vergewissen of degene die het stuk in ontvangst neemt ook in staat moet worden geacht het aan de geadresseerde te doen toekomen (hij zal dus aan jonge kinderen het stuk niet behoren uit te reiken). Dit voorbehoud ligt echter ook al in de bestaande regeling die de uitreiking beperkt tot «huisgenoten» besloten; een aparte wettelijke voorziening ter zake lijkt niet nodig.
(…)
Artikel 589. Dit artikel bepaalt wat de akte van uitreiking, die bij een betekening wordt opgemaakt, moet bevatten. De inhoud van artikel 589 (nieuw) komt overeen met artikel 587, vierde en vijfde lid (oud). Het voorschrift ziet uiteraard alleen op in Nederland gedane betekeningen (vgl. de toelichting op artikel 588).”9.
3.10
Uit genoemde passage blijkt dat het vereiste dat de persoon aan wie het stuk wordt uitgereikt in de akte van uitreiking dient te worden vermeld (art. 589 (oud) Sv) tot doel heeft om - óók na het vervallen van het vereiste van het zijn van “huisgenoot” - achteraf desgewenst na te kunnen gaan wie het stuk onder zich genomen heeft met de bereidverklaring het aan de geadresseerde te doen toekomen. Volgens de wetgever behoort de beambte die het stuk uitreikt zich er “uiteraard” tevens van te vergewissen of degene die het stuk in ontvangst neemt ook in staat moet worden geacht het aan de geadresseerde te doen toekomen. Het uitreiken van een stuk aan jonge kinderen moet worden voorkomen. In dat verband merk ik op dat in het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 1988, NJ 1989/377 de vraag speelde of een 13 of 14-jarig meisje in staat moet worden geacht de dagvaarding aan de verdachte te doen toekomen.10.Het hof had die vraag bevestigend beantwoord door te overwegen dat van een meisje van die leeftijd kan en mag worden verwacht dat zij het belang van zo’n gerechtelijk schrijven begrijpt. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend was gemotiveerd. Wat betreft het vereiste dat degene die het stuk heeft uitgereikt gekregen zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, merk ik op dat in rechte niet hoeft te blijken dat deze het stuk ook inderdaad aan de geadresseerde heeft doen toekomen.11.Verder is nog van belang dat de voorletters niet hoeven te worden aangeduid, ook niet in het geval van meerdere huisgenoten met dezelfde achternaam.12.
3.11
In het onderhavige geval doet zich de situatie voor dat de akte van uitreiking wel een handtekening van de ontvanger bevat, maar de voorletters en naam van de ontvanger ontbreken.13.Het hof heeft geoordeeld dat de uitreiking aan de wettelijke voorwaarden voldoet, omdat de akte van uitreiking wel is ondertekend. Dat oordeel is naar ik meen onjuist, nu ondertekening door de ontvanger geen wettelijke voorwaarde is, terwijl vermelding van de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt dit wel is (art. 36h, eerste lid onder d, Sv). Dat het door de ontvanger ondertekend zijn van de akte van uitreiking hier het verzuim van het niet vermelden van de naam dekt is hier evenmin aan de orde, in aanmerking genomen dat in de handtekening geen kenbare naam is te herkennen en ook in het dossier geen aanwijzing kan worden gevonden om welke persoon het gaat. Ten overvloede merk ik op dat indien en voor zover het hof bij het ondertekend zijn van de akte het oog heeft op de ondertekening door de uitreiker - in die zin dat de verklaring van degene die de uitreiking verzorgt bepalend is14.- meen ik dat deze redenering gelet op de eerdergenoemde controlefunctie evenmin opgaat.
3.12
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑09‑2024
Het huidige art. 36n, eerste lid, Sv.
Conclusie voor HR 1 oktober 1996, NJ 1997/91.
H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, Dagvaarding en berechting in aanwezigheid. De Nederlandse betekeningsregeling in rechtshistorisch en Europees perspectief (diss. Groningen), Amsterdam: Thesis publishers 1998, p. 121.
Vgl. HR 30 januari 1990, NJ 1990/456 waarin de mogelijkheid een omissie in de akte van uitreiking te laten aanvullen door middel van een aanvullend proces-verbaal aan de orde kwam. Ook zou degene die met de uitreiking was belast onder omstandigheden kunnen worden geraadpleegd.
Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, p. 120.
Stb. 1921/14.
Stb. 1980/666. Inwerkingtreding op 15 juni 1981 (Stb. 1981/190).
Kamerstukken II, 1979-1980, 15 842, nrs. 1-4, p. 17 en 18 (MvT).
Het ging hier om een uitreiking die plaatsvond op 11 mei 1985.
HR 31 mei 1977, NJ 1977/559 en HR 11 november 1986, NJ 1987/464. Ik merk nog op dat de raadsman van verdachte – mr. H.M. Dunsbergen – zich op 13 april 2022 heeft gesteld en aan hem een kopie van de dagvaarding is verstrekt.
Handboek strafzaken, aant. 28.2.4 Uitreiking aan iemand anders op het adres, waarin verwezen wordt naar HR 23 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9240, DD 93.318. Zie ook Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 10.2 op art. 588 Sv.
Vgl. voor het spiegelbeeldige geval de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen voor HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1470 (PHR 5 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:670), waarin hij - buiten het middel om - het standpunt inneemt dat het ontbreken van een handtekening voor ontvangst geen gevolgen heeft voor de geldigheid van de betekening. Vgl. ook PHR 30 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:769, waarin hij bij dit standpunt blijft (HR: 81 RO).
Zie in dit verband o.m. de in voetnoot 13 genoemde conclusie PHR 5 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:670.
Beroepschrift 02‑11‑2022
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
Hoge Raad der Nederlanden
Afdeling strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
In de zaak van de heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats], requirant van cassatie, te dezer zake domicilie kiezende aan de Parkstraat 10 te (4818 SJ) Breda, ten kantore van TDNL Strafrechtadvocaten, van wie mr. J.J.J. van Rijsbergen bepaaldelijk is gevolmachtigd deze cassatieschriftuur op te maken, te ondertekenen en in te dienen, tegen het hem betreffende arrest met het parketnummer 20/001717-18 van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 22 juli 2022.
Middel I
Schending en/of verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder van art. 585 lid 2 Sv jo. art. 586 lid 1 Sv jo. art. 258 lid 1 Sv jo. art. 589 lid 1 Sv jo. art. 590 lid 1 Sv, doordat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de dagvaarding geldig is betekend.
Toelichting
Op pagina 1 van het proces-verbaal terechtzitting d.d. 8 juli 2022 heeft de raadsvrouw het navolgende verweer gevoerd:
‘De raadsvrouw:
‘Wij hebben geen contact kunnen krijgen met cliënt.
Op de akte van uitreiking staat wel een handtekening en datum, maar ik kan niet zien aan wie de dagvaarding is uitgereikt. Bijvoorbeeld of er een identiteitscontrole heeft plaatsgevonden. Mijns inziens is er geen sprake van een rechtsgeldige betekening overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering. Ik verzoek het hof derhalve om de dagvaarding nietig te verklaren. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat cliënt op de hoogte is van de zitting. Ik ben niet gemachtigd.’’
Het hof heeft daarop op pagina 2 van het proces-verbaal terechtzitting d.d. 8 juli 2022 de navolgende beslissing genomen:
‘Na korte onderbreking van het onderzoek voor beraad deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede.
Op de akte is inderdaad geen naam vermeld van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt, maar de akte is wel ondertekend. Daarmee voldoet de uitreiking aan de wettelijke voorwaarden. Doorslaggevend is dat volgens de gegevens uit de basisregistratie de verdachte op dit adres staat ingeschreven op de dag van de uitreiking en minstens 5 dagen daarna.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.’
Bij de beoordeling van het onderhavige cassatiemiddel moet het navolgende voorop worden gesteld. Betekening geschiedt op grond van art. 585 lid 2 Sv door uitreiking van een gerechtelijk schrijven op de bij de wet voorziene wijze. Het belangrijkste voorbeeld van een gerechtelijke mededeling die moet worden betekend is de dagvaarding (art. 586 lid 1 Sv en art. 258 lid 1 Sv). Van iedere uitreiking als bedoeld in art. 585 lid 2 Sv wordt een akte opgemaakt met de in art. 589 lid 1 Sv vermelde gegevens. Betekening geschiedt volgens art. 585 lid 2 Sv door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. Het gerechtelijk schrijven waarmee een dagvaarding wordt betekend, maakt deel uit van die dagvaarding. Art. 589 lid 1 Sv bepaalt dat van iedere uitreiking als bedoeld in art. 585 lid 2 Sv een akte wordt opgemaakt met daarin — voor zover voor de beoordeling van het onderhavige cassatiemiddel relevant — onder meer de persoon aan wie het schrijven is uitgereikt (art. 589 lid 1 sub 4). Op grond van art. 590 lid 1 Sv kan de rechter, indien uitreiking niet heeft plaatsgehad overeenkomstig het bepaalde in art. 588 lid 1 en 3 Sv en art. 589 Sv, de betekening nietig verklaren. Voorgenoemde bepalingen zijn op grond van art. 415 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing op het strafgeding in hoger beroep. De betekeningsvoorschriften strekken tot bescherming van het belang dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat een verdachte buiten zijn schuld onbekend blijft met het feit dat een tegen hem lopende strafzaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, dientengevolge niet verschijnt en daardoor in zijn verdediging kan worden benadeeld, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd, doordat het gerechtshof het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Niet-naleving van de betekeningsvoorschriften leidt dan ook in de regel tot nietigverklaring van de dagvaarding, ook al volgt dit niet met zoveel woorden dwingend uit art. 590 lid 1 Sv.1. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat de dagvaarding geldig is betekend.
Met conclusie
Op voormelde grond concludeer ik namens requirant tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof.
Breda, 2 november 2022
J.J.J. van Rijsbergen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑11‑2022
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317.