Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.2.1
8.2.1 Een hybride vorm van tuchtrecht
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268467:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Rapport “Naar herstel van vertrouwen”, p. 7 en 8 en Kamerstukken II, 2008/09, 31 371, nr. 163 (rapport van de Commissie Maas). De Commissie-Maas overwoog dat gegeven de maatschappelijke functies van een bank de maatschappelijke verantwoordelijkheden en morele verplichtingen van bankiers meer op de voorgrond moeten komen te staan, zie Aanbevelingen 1.13, 1.14 en 1.15. Latere incidenten waren bijvoorbeeld de val van de DSB Bank, het Icesave-debacle, de verkoop van beleggingsverzekeringen (“woekerpolissen”) en MKB-derivaten en de manipulatie van de Libor en Euribor-tarieven. Zie over deze rapporten en ontwikkelingen hoofdstuk 1, par. 1.2.
Zie het pakket “Toekomstgericht bankieren”, bestaande uit een Maatschappelijk Statuut, een geactualiseerde Code Banken en gedragsregels met daaraan gekoppeld het bancair tuchtrecht (zie https://www.nvb.nl/publicaties/gedragscodes/toekomstgericht-bankieren/).
Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 10, p. 4 en 5.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 10, p. 5 en 6.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 10, p. 4 en 5 en Kamerstukken II, 2012/13, 32 013, nr. 35, p.19. Zie voor een bespreking van de relatie tussen accountantstuchtrecht en het door de AFM uitgeoefende toezicht op accountantsorganisaties, D. van Beek e.a. (red.), Accountantstoezicht, rechtsbescherming en de ontwikkeling van beroepsnormen (ICFG reeks 4), Den Haag: Boom Juridisch 2016.
Volgens de toelichting op het wetsvoorstel is sprake van privaatrechtelijk tuchtrecht en niet van publiekrechtelijk tuchtrecht als bedoeld in art. 113, tweede lid, Gw, zie Kamerstukken II, 2013/14, 33918 nr. 10, p. 6. Crul spreekt van een mengvorm van privaatrechtelijk of verenigingstuchtrecht en wettelijk verplicht tuchtrecht, zie Crul, ‘Bankentuchtrecht-op weg naar vertrouwen?, FR 2015, afl. 7/8, p. 285. Zie over de aard van het bancair tuchtrecht ook V. Caria,’Het tuchtrecht voor bankiers. Een zoektocht naar de maatschappelijke positie van het bankwezen’, AA 2016, afl. 7/8, p. 535.
Art. 3:17c, eerste en tweede lid, Wft.
Zie ook P. Laaper en J.W.P.M. van der Velden, ‘Bankentuchtrecht’, in: M. Jurgens en R. Stijnen (red.), Compliance in het financieel toezichtrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 178/179.
De Gedragsregels zijn te vinden op https://www.tuchtrechtbanken.nl/de-gedragscode.
Het Nederlandse bancair tuchtrecht is ingevoerd op initiatief van de banken zelf. Het vertrouwen van de consument in financiële ondernemingen, en in banken in het bijzonder, was als gevolg van de financiële crisis en een aantal omvangrijke incidenten ernstig geschaad.1 Invoering van het tuchtrecht is één van de voorstellen uit een pakket van maatregelen dat de banken hebben aangedragen om dit vertrouwen te herwinnen en te behouden.2 Daarbij beoogt het tuchtrecht de kwaliteit en integriteit van de uitoefening van de werkzaamheden te bewaken en de interne orde en discipline (tucht) binnen een groep te handhaven.3
Het bancair tuchtrecht is ingevoerd vanuit de gedachte dat het primair aan de Nederlandse banken zelf is om het vertrouwen in de bancaire sector te herstellen. Dit is een van de redenen dat is gekozen voor een privaatrechtelijk vorm te geven tuchtrecht in plaats van een wettelijk tuchtrecht, zoals bijvoorbeeld het geval is bij advocaten, artsen en accountants.4 De wetgever acht het van belang dat de bancaire sector het tuchtrecht zelf organiseert. De invulling (organisatie en inrichting) van het tuchtrechtelijk stelsel is daarom overgelaten aan de sector zelf.5
Het bancair tuchtrecht is dus privaatrechtelijk georganiseerd, maar de verplichting voor banken om zorg te dragen voor een tuchtrechtelijke regeling en daar hun medewerkers aan te onderwerpen, is publiekrechtelijk verankerd. Deze verplichting is neergelegd in de financiële toezichtwetgeving (art. 3:17c Wft). De banken zijn wettelijk verplicht tot het invoeren van tuchtrecht, terwijl zij in beginsel zelf beslissen hoe zij hieraan invulling geven. Het Nederlandse bancaire tuchtrecht is daarmee een bijzondere, “hybride” vorm van tuchtrecht.6
Daarbij stelt de wet wel een aantal randvoorwaarden. Zo dient de toepassing en de uitvoering van het tuchtrecht te zijn opgedragen aan een onafhankelijke en deskundige instantie, en dient de tuchtrechtelijke regeling in adequate waarborgen voor een behoorlijke procesgang te voorzien.7
Het tuchtrecht wordt uitgevoerd door de Stichting Tuchtrecht Banken (“STB”), opgericht door de Nederlandse Vereniging van Banken (“NVB”). De Wft verplicht banken om hun medewerkers aan “een” tuchtrechtelijke regeling te onderwerpen. In de praktijk bestaat er slechts één systeem van tuchtrecht, namelijk het tuchtrecht van de NVB. Dit tuchtrecht functioneert dus in de praktijk als “het” tuchtrecht.8 In de tuchtprocedure worden de gedragingen van de bankmedewerker getoetst aan de door de NVB opgestelde Gedragsregels bancaire sector (“Gedragsregels”).9