Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/4.5:4.5 De Sociaal-Economische Raad
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/4.5
4.5 De Sociaal-Economische Raad
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS452856:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Scholten 1968, p. 83. Zie voor de voorlopers van de SER: Scholten 1968, p. 52-61.
Andere bevoegdheden van de SER zijn in dit kader minder relevant en worden daarom hier onbesproken gelaten.
Tot 1 januari 2015 was dit artikel 41 Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wet BO).
Dit was vastgelegd in artikel 41 tweede lid Wet BO.
SER 2015, p. 19.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Sociaal-Economische Raad (hierna: SER) is in 1950 ingesteld.1 Evenals het CPB, dat enkele jaren eerder werd opgericht, was de SER onder meer bedoeld als institutie om economische ontwikkeling te bevorderen. Om aan deze taak te voldoen werd aan de SER onder andere de bevoegdheid toegekend om regering en parlement te adviseren over de hoofdlijnen van het te voeren sociaaleconomische beleid.2 Deze bevoegdheid is in artikel 41 van de Wet op de Sociaal-Economische Raad vastgelegd.3 De SER nam deze adviestaak over van de Stichting van de Arbeid, die in 1945 was opgericht door organisaties van ondernemers en werknemers. Tot 1995 ging het hierbij om een adviesplicht: ministers waren verplicht om de SER advies te vragen over het sociaaleconomische beleid.4 Na afschaffing van de adviesplicht in dat jaar adviseert de SER ofwel op eigen initiatief ofwel op verzoek van ministers of een van de Kamers.
Een ander doel van instelling van de SER, naast het stimuleren van economische ontwikkeling, was het creëren van een instituut waar consensus kon ontstaan over de vraag hoe economisch beleid eruit diende te zien. De SER werd daarom ingestoken als een tripartiete organisatie, bestaande uit leden van werkgeversorganisaties, leden van werknemersorganisaties en zogeheten kroonleden (door de regering benoemde deskundigen). Twee kroonleden zijn lid van de SER uit hoofde van hun functie, namelijk een vertegenwoordiger van De Nederlandsche Bank en de directeur van het CPB.
Evenals de Raad van State heeft de SER dus een adviesbevoegdheid. In vergelijking met de Raad van State valt op dat de SER niet rechtstreeks adviseert over begrotingen, maar over sociaaleconomisch beleid in het algemeen. In die zin is de betrokkenheid van de Raad van State bij het begrotingsproces directer dan die van de SER. Verder zal de rol van de SER bij het algemene sociaaleconomische beleid het grootst zijn als een advies unaniem is uitgebracht. Indien een vertegenwoordiging van zowel werknemers als werkgevers en een groep deskundigen het erover eens zijn dat bepaalde maatregelen wenselijk zijn, dan zal de regering immers weinig reden hebben om hier nog vanaf te wijken. Ruim tachtig procent van de uitgebrachte adviezen is volgens de SER unaniem.5 De SER blijkt in die gevallen een geschikte gelegenheid om overeenstemming te bereiken tussen de sociale partners.