HR, 12-07-2013, nr. 12/04210
ECLI:NL:HR:2013:18, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-07-2013
- Zaaknummer
12/04210
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:18, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑07‑2013; (Cassatie)
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2015:2631
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6959, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑10‑2012
- Vindplaatsen
FutD 2013-1777
Viditax (FutD) 2013071223
Uitspraak 12‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 6.31 Wet IB 2001. Uitgaven voor monumentenpanden. Onderhoudskosten of onderdeel koopsom?
Partij(en)
12 juli 2013
nr. 12/04210
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 24 juli 2012, nr. BK-11/00720 en 11/00722, betreffende aan [X2] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2006 en 2007 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
De Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 10/804 en 10/805) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende en haar partner hebben op 7 februari 2006 drie overeenkomsten gesloten:
- een koopovereenkomst met [J] B.V. ten behoeve van de verkrijging van het economische belang bij het appartementsrecht in het pakhuis “[A]” met bouwnummer 96 (hierna: het appartementsrecht);
- een aanneemovereenkomst met [J] B.V. ten behoeve van het appartementsrecht;
- een restauratieovereenkomst met [I] B.V. en [K] ten behoeve van de restauratie van hun aandeel in het pakhuis “[A]” voor een restauratiesom van € 54.238,04 (hierna: de restauratiekosten).
3.1.2.
Belanghebbende en haar partner rekenen het appartementsrecht tot hun vermogen in box 3.
3.1.3.
Met betrekking tot de restauratieovereenkomst hebben belanghebbende en haar partner in 2006 twee facturen betaald, te weten op 4 mei € 27.221,61 ten behoeve van onder meer de aanvang van de restauratie en op 17 november € 7.104,94, in totaal € 35.326,55. In 2007 hebben zij in totaal € 18.911,53 aan restauratiekosten betaald.
3.1.4.
Van de in 2006 betaalde restauratiekosten is bij belanghebbende een bedrag van € 21.377 in de aangifte in aftrek gebracht als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand in de zin van artikel 6.31, lid 1, letter b, van de Wet IB 2001 (tekst 2006 en 2007; hierna: de Wet IB 2001). De overige restauratiekosten van 2006 zijn bij haar partner in aftrek gebracht. De in 2007 betaalde restauratiekosten heeft belanghebbende in de aangifte, na aftrek van een drempelbedrag van € 7.912, in aftrek gebracht.
3.2.
Voor het Hof was in geschil of in de jaren 2006 en 2007 sprake was van uitgaven met betrekking tot een monumentenpand in de zin van artikel 6.31, lid 1, letter b, van de Wet IB 2001. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft vervolgens de hiervoor vermelde bedragen aan restauratiekosten (voor het jaar 2007 na aftrek van een drempelbedrag van € 7.912) volledig in aftrek toegelaten. Hiertegen is het middel gericht.
3.3.1.
Het middel betoogt dat het Hof niet is ingegaan op de stelling van de Inspecteur dat een deel van de in aftrek gebrachte restauratiekosten, groot € 10.806,57, ziet op werkzaamheden die zijn uitgevoerd vóór de ondertekening van de koopovereenkomst op 7 februari 2006; die kosten vormen daarmee een onderdeel van de koopsom en zijn niet aftrekbaar als onderhoudskosten in de zin van artikel 6.31, lid 1, letter b, van de Wet IB 2001.
3.3.2.
Vooropgesteld dient te worden dat ingeval ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak in opdracht van de verkoper (restauratie)werkzaamheden aan die zaak zijn verricht, ter zake van welke werkzaamheden in samenhang met de verkoop een vergoeding wordt bedongen van de koper, die vergoeding niet kan worden gerekend tot de op de koper drukkende onderhoudskosten in de zin van artikel 6.31, lid 1, letter b, van de Wet IB 2001.
3.3.3.
Het oordeel van het Hof dat de betaalde restauratiekosten alle tot de aftrekbare uitgaven met betrekking tot een monumentenpand behoren geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, indien daaraan ten grondslag ligt dat voor de aftrekbaarheid bij de koper van dat pand enkel van belang is dat de kosten in rekening zijn gebracht dan wel zijn betaald na het tijdstip waarop het economische belang bij het pand bij die koper is komen te liggen. Indien het Hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting en zijn oordeel aldus moet worden opgevat dat de restauratiekosten zien op werkzaamheden die zijn verricht na de verkrijging van het economische belang bij het appartementsrecht (7 februari 2006), is dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk in het licht van de stelling van de Inspecteur dat de bouw is aangevangen op 17 oktober 2005 en een deel van de eerste betaling ziet op werkzaamheden die toen een aanvang hebben genomen.
3.4.
Voorts wordt in het middel terecht gesteld dat het Hof niet voorbij had mogen gaan aan de stelling van de Inspecteur dat in de restauratiekosten een bedrag voor verstrekt fiscaal advies is begrepen. Aangezien dergelijke advieskosten niet kunnen worden aangemerkt als onderhoudskosten in de zin van artikel 6.31, lid 1, letter b, van de Wet IB 2001, had het Hof deze stelling niet onbesproken mogen laten.
3.5.
Gelet op het hiervoor in 3.3.3 en 3.4 overwogene slaagt het middel op beide onderdelen en kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2013.
Beroepschrift 22‑10‑2012
Den Haag, [22 OKT 2012]
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 12/04210) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage van 24 juli 2012, nr. 11/00720 en 11/00722, inzake [X2] te [Z] betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 en 2007.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 11 september 2012 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), artikel 6.31 van de Wet IB 2001 en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende en haar partner recht hebben op aftrek van het gehele bedrag aan in 2006 uit hoofde van de restauratieovereenkomst betaalde bedragen ten behoeve van het appartementsrecht in het rijksmonumentenpand pakhuis ‘[A]’, zulks evenwel in verband met het hierna volgende ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
Feiten
Belanghebbende en haar partner [X1] hebben op 7 februari 2006 een drietal overeenkomsten gesloten:
- 1.
een koopovereenkomst met [J] B.V. ten behoeve van de aankoop van een appartementsrecht in het pakhuis met bouwnummer 96 voor een bedrag van € 24.671,55 (inclusief belastingen), recht gevende op 7/1315de aandeel in het pakhuis ‘[A]’;
- 2.
een aanneemovereenkomst met [J] B.V. ten behoeve van het in bovengenoemde koopovereenkomst genoemde appartementsrecht ten bedrage van € 80.402,90 (inclusief omzetbelasting);
- 3.
een restauratieovereenkomst voor een restauratiesom van € 54.238,04 (inclusief omzetbelasting) met [I] B.V., [K] ten behoeve van de restauratie van hun aandeel in het pakhuis ‘[A]’.
Ingevolge de restauratieovereenkomst is de eerste termijn van € 10.806,57 verschuldigd zodra met de bouw een aanvang is gemaakt (zie pagina 3 van de restauratieovereenkomst, bijlage 24 bij het verweerschrift in beroep). Uit de gedingstukken blijkt dat de bouw- en restauratiewerkzaamheden aan het pakhuis ‘[A]’ zijn gestart op 17 oktober 2005.
In het jaar 2006 is met betrekking tot de restauratieovereenkomst een bedrag van € 35.326,55 betaald door belanghebbende en haar partner. Van dit bedrag is door het Hof € 21.377 als onderhoudskosten in aanmerking genomen bij het vaststellen van belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning over 2006.
Uit het door [O] BV in opdracht van [I] B.V., [K] opgestelde rapport van de analyse van de aannemersbegroting blijkt dat een bedrag van € 70.912, 80 voor fiscaal monumentenadvles is opgenomen in de begroting (zie pagina 15 van bijlage B bij bijlage 8b bij het verweerschrift in beroep).
Beschouwing
In de motivering van het hoger beroepschrift heeft de Inspecteur onder punt 3.4.4. de stelling ingenomen dat de eerste termijn van € 10.806,57, die ingevolge de restauratieovereenkomst is betaald, behoort tot de verwervingskosten van het appartementsrecht. Nu naar de mening van de Inspecteur die eerste termijn ziet op restauratiewerkzaamheden die zijn uitgevoerd in de periode voorafgaand aan de verkrijging van het appartementsrecht door belanghebbende en haar partner, kan het bedrag niet als aftrekbare kosten worden aangemerkt. Het Hof had deze essentiële stelling moeten bespreken. Nu het Hof dat niet heeft gedaan, is zijn uitspraak niet voldoende gemotiveerd.
Het Hof gaat er ten onrechte van uit dat de restauratie- en renovatiekosten zijn gemaakt nadat belanghebbende en haar partner het economische belang bij de bron hebben verkregen. Uit de gedingstukken blijkt dat de bouw- en restauratiewerkzaamheden zijn aangevangen op 17 oktober 2005, terwijl de eigendom van het appartementsrecht en de verplichting tot het (laten) restaureren van het pakhuis ‘[A]’, pas op 7 februari 2006 op belanghebbende en haar partner zijn overgegaan. De Inspecteur stelt terecht dat het bedrag dat is betaald voor restauratiewerkzaamheden die zijn uitgevoerd in een periode waarin (het appartementsrecht in) het pakhuis ‘[A]’ nog niet in eigendom en in onderhoud is overgaan op belanghebbende en haar partner, niet als uitgaven voor monumentenpanden in aftrek kan worden gebracht. Voor de periode vanaf het begin van de werkzaamheden op 17 oktober 2005 tot aan 7 februari 2006, geldt immers dat [J] B.V. als eigenaar van het appartement, de verplichting heeft tot restauratie van het pakhuis ‘[A]’. Gedurende die periode komen de kosten in verband met de restauratiewerkzaamheden ten laste van [J] B.V. In dit kader verwijs ik naar de uitspraak van Hof Amsterdam van 7 juli 2011, nr. 09/00786, V-N 2011/50.26,30 inzake de aftrek van bouwrente ingevolge artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Hof Amsterdam oordeelde dat de kosten voor bouwrente voor zover die kosten zien op de periode die voorafgaat aan het afsluiten van de aanneem — of koopovereenkomst, behoren tot de koopsom van de eigen woning. In het onderhavige geval maken de onderhoudskosten voor zover die betrekking hebben op de restauratiewerkzaamheden van vóór de ondertekening van de koop- en de restauratieovereenkomst door belanghebbende en haar partner, deel uit van de koopsom van het appartementsrecht.
Met de ondertekening van de koopovereenkomst op 7 februari 2006 gaat de verplichting tot restauratie van het pakhuis over op belanghebbende en haar partner, die ingevolge de restauratieovereenkomst van 7 februari 2006, de restauratie laat uitvoeren door [I] B.V., [K]. Vanaf het moment waarop de verplichting tot restauratie op belanghebbende en haar partner rust, bestaat voor hen het recht op aftrek van de daarvoor in rekening gebrachte kosten. In dat kader verwijs ik naar de uitspraak van Hof 's‑ Gravenhage van 4 april 2012, nr. 10/00609, V-N Vandaag 2012/1532, waarin is beslist dat de in rekening gebrachte rentevergoeding niet aftrekbaar is, nu niet aannemelijk is dat vóór de koop van een perceel bouwgrond een verplichting is aangegaan met betrekking tot de koop van de woning. Voor zover de onderhoudskosten zijn toe te rekenen aan de restauratiewerkzaamheden die na 7 februari 2006 zijn uitgevoerd, behoren de kosten als uitgaven voor monumentenpanden tot de persoonsgebonden aftrek van belanghebbende en haar partner.
Ingevolge het vorenstaande dient het bedrag aan betaalde onderhoudskosten van € 35.326,55 te worden verminderd met de eerste termijn ter grootte van € 10.806,57, welke termijn verschuldigd was bij de aanvang van de werkzaamheden op 17 oktober 2005, Hierna resteert een bedrag van € 24.519,98 als aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden.
Ten slotte merk ik op dat het Hof niet is ingegaan op het onder punt 6.18 in het verweerschrift in beroep door de Inspecteur ingenomen standpunt dat het bedrag aan fiscaal monumentenadvies (begroot op een bedrag van € 70.912) niet kwalificeert als aftrekbare onderhoudskosten. In zoverre is de uitspraak van het Hof eveneens onvoldoende gemotiveerd. Aangezien advieskosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten ter zake van de feitelijke restauratie, dient het bedrag dat door belanghebbende en haar partner in 2006 is betaald voor fiscaal monumentenadvies in mindering te worden gebracht op het bedrag aan aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden van € 24.519,98.
Nu het Hof de stelling van de Inspecteur dat en in hoeverre het aftrekbedrag lager dient te worden vastgesteld, onbesproken heeft gelaten, hebben belanghebbende en haar partner niet kunnen aangeven welk deel van een lager aftrekbedrag bij ieder van hen in aanmerking dient te worden genomen ingevolge artikel 2.17, eerste lid en vijfde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco