Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.5.1.0:3.5.1.0 Inleiding
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.5.1.0
3.5.1.0 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630547:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2000/2001, 27 784, nr. 3, pagina 2.
Kamerstukken II 2000/2001, 27 784, nr. 2, pagina 1.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 12 mei 1999, nr. AFP 99/190; VN 1999/25.14.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel veelal wordt gesproken over een waarderingsvoorschrift voor goodwill, geldt het waarderingsvoorschrift van artikel 33 Wet Vpb 1969 voor alle immateriële activa. Het waarderingsvoorschrift breidt zich uit tot alle immateriële activa, omdat het in de praktijk moeilijk bleek om goodwill te onderscheiden van andere immateriële activa.1 De achtergrond van deze wettelijke bepaling is dat de wetgever wil vermijden dat directe en indirecte overheidsbedrijven/overheidsondernemingen en woningcorporaties een concurrentievoordeel krijgen doordat zij deze immateriële activa op de fiscale openingsbalans waarderen op de werkelijke waarde en er vervolgens ten laste van het fiscale resultaat op afschrijven. In artikel 33 Wet Vpb 1969 is daarom bepaald dat de immateriële activa moeten worden gewaardeerd op de historische kostprijs, verminderd met de afschrijvingen die zouden hebben plaatsgevonden indien het lichaam steeds belastingplichtig was geweest. Tijdens de parlementaire behandeling is dit als volgt gemotiveerd:2
‘Het fiscale beleid ten aanzien van (indirecte) overheidsbedrijven die in de heffing van de vennootschapsbelasting worden betrokken, is erop gericht die bedrijven, of de lichamen waarin die bedrijven zijn ondergebracht, marktconform te behandelen. Daarbij wordt beoogd zoveel mogelijk incidenteel fiscaal voor- en nadeel ten gevolge van de overgang voorkomen. In dat kader is het gebruikelijk in het desbetreffende privatiseringswetsvoorstel regels op te nemen met betrekking tot de activering van goodwill. Door het activeren van goodwill zou immers een incidenteel voordeel kunnen ontstaan, doordat een eventuele afschrijving op deze goodwill de belastbare winst zou verminderen.’
Vóór de invoering van artikel 33 Wet Vpb 1969 werd bij privatisering van overheidsbedrijven in de privatiseringswetsvoorstellen steeds een verbod tot activering van goodwill opgenomen. Om te voorkomen dat steeds opnieuw een dergelijk goodwillverbod moest worden opgenomen is dus overgegaan tot invoering van artikel 33 Wet Vpb 1969:
‘Zoals gebruikelijk is in situaties waarin overheidsbedrijven in de vennootschapsbelasting worden betrokken, zijn in dit wetsvoorstel maatregelen opgenomen ter voorkoming van incidentele voor- en nadelen als gevolg van de overgang van de onbelaste naar de belaste sfeer. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is echter gekozen voor een algemene maatregel in de vennootschapsbelasting die geldt voor alle overheidsbedrijven, en niet alleen voor gemeentelijke vervoerbedrijven. Dit voorkomt dat bij de aanvang van de belastingplicht van een bepaald overheidsbedrijf of een bepaalde groep overheidsbedrijven iedere keer opnieuw maatregelen moeten worden opgenomen.’3
In de Contourenschets is nader ingegaan op de afschrijving op goodwill. Door de afschrijving kan volgens de staatssecretaris een concurrentievoordeel ontstaan, omdat de concurrenten niet kunnen afschrijven:4
‘Indien wel goodwill zou mogen worden opgevoerd, zou hierop kunnen worden afgeschreven. Door deze afschrijving zouden overheidsbedrijven de eerste jaren na de invoering van de belastingplicht verhoudingsgewijs minder vennootschapsbelasting verschuldigd zijn dan concurrerende, reeds belastingplichtige ondernemingen. Bij het bepalen van de fiscale winst kunnen belastingplichtige ondernemingen immers geen afschrijving ter zake van zelf gevormde goodwill ten laste van het resultaat brengen. Daardoor zou nog een aantal jaren concurrentieverstoring blijven bestaan.’
Om tot een consistente toepassing te komen en te voorkomen dat in de omgekeerde situatie sprake is van een concurrentienadeel, zouden de verliezen die zijn ontstaan in de onbelaste periode maar betrekking hebben op werkzaamheden in de belaste periode, verrekenbaar moeten zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval als in de onbelaste periode aanloopverliezen zijn gemaakt. Een normale belastingplichtige zou deze verliezen kunnen verrekenen, waardoor een concurrentienadeel kan ontstaan.