HR, 16-12-2025, nr. 23/03865
ECLI:NL:HR:2025:1933
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-12-2025
- Zaaknummer
23/03865
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1933, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1256
ECLI:NL:PHR:2025:1256, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1933
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0398
Uitspraak 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Rijden zonder rijbewijs, art. 107.1 WVW 1994. Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke hechtenis, waarbij hof i.p.v. tul van hechtenis van 2 weken een taakstraf van 28 uren heeft gelast, en motiveringsplicht i.h.k.v. tul vordering, art. 361a jo. 6:6:5.1 en 6:6:21.1 Sv. Heeft hof beslissing op tul vordering toereikend gemotiveerd gelet op verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM in tul vordering? O.g.v. ook in hoger beroep toepasselijk art. 361a jo. 6:6:5.1 en 6:6:21.1 Sv moet rechter de beslissing op tul vordering van voorwaardelijk opgelegde straf of maatregel met redenen omkleden. Namens verdachte is naar voren gebracht dat OM in tul vordering n-o moet worden verklaard, omdat verdachte niet bekend was of kon zijn met voorwaardelijke veroordeling. Hof was daarom gehouden tot nadere motivering van beslissing op die vordering. In ’s hofs uitspraak ontbreekt die motivering. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissing op tul vordering en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03865
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 oktober 2023, nummer 21-004455-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Hoekzema bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2020 (parketnummer 96-087723-19) voorwaardelijk opgelegde straf, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte voor overtreding van artikel 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een taakstraf van 64 uren. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van 11 maart 2020 voorwaardelijk opgelegde hechtenis van 2 weken, waarbij het hof in plaats van de tenuitvoerlegging van die straf de tenuitvoerlegging heeft gelast van een taakstraf van 28 uren.
2.2.2
De raadsvrouw van de verdachte heeft volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2023 over de vordering tot tenuitvoerlegging naar voren gebracht:
“Voor wat betreft de vordering tenuitvoerlegging verzoek ik u primair deze niet-ontvankelijk te verklaren. Onduidelijk is namelijk of cliënt op de hoogte was van de voorwaardelijk opgelegde straf. Mocht u hier niet in meegaan, dan verzoek ik subsidiair om de tenuitvoerlegging niet te gelasten omdat dit niet opportuun zou zijn. Meer subsidiair verzoek ik om de opgelegde proeftijd te verlengen.”
2.2.3
De advocaat-generaal heeft volgens dat proces-verbaal in reactie daarop opgemerkt:
“Kijkend naar de stukken in eerste aanleg kan ik niet bevestigen of weerleggen wat de raadsvrouw stelt over de vordering tenuitvoerlegging. Ik zie geen akte van uitreiking tussen de stukken. Ik zie ook geen adres staan boven de mededeling voorwaardelijke veroordeling.”
2.2.4
Het hof heeft hierover overwogen en beslist:
“De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf voor de duur van 24 uren subsidiair 12 dagen hechtenis.
De raadsvrouw van verdachte heeft primair verzocht de vordering tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij verzocht om de tenuitvoerlegging niet te gelasten omdat dit niet opportuun zou zijn. Meer subsidiair heeft zij verzocht om de opgelegde proeftijd te verlengen.
Het hof beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter Dordrecht van 11 maart 2020 met parketnummer 96-087723-19, te weten een hechtenis voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis. Het is immers gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Heeft de officier van justitie tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht opgelegde straf, dan beraadslaagt de rechtbank mede over haar bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van de rechtbank om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt uitgesproken, ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in.”
- Artikel 6:6:5 lid 1 Sv:
“De rechterlijke beslissingen op grond van dit hoofdstuk zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken.”
- Artikel 6:6:21 lid 1 Sv:
“De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.”
2.4
Op grond van het ook in hoger beroep toepasselijke artikel 361a Sv in samenhang met artikel 6:6:5 lid 1 en 6:6:21 lid 1 Sv moet de rechter de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf of maatregel met redenen omkleden.
2.5
Namens de verdachte is naar voren gebracht dat het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat, kort gezegd, de verdachte niet bekend was of kon zijn met de voorwaardelijke veroordeling. Het hof was daarom gehouden tot een nadere motivering van de beslissing op die vordering. In de bestreden uitspraak ontbreekt die motivering.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 64 uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2020 (parketnummer 96-087723-19) voorwaardelijk opgelegde straf;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Conclusie 18‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Toewijzing vordering TUL. AG gaat in op motiveringsplicht o.g.v. art. 6:6:5 lid 1 Sv bij ontvankelijkheidsbeslissing. Mede gelet op stukken, waaruit niet blijkt dat voorwaardelijke veroordeling onherroepelijk is geworden, kon hof volgens AG niet ongemotiveerd voorbij gaan aan verweer dat OvJ niet-ontvankelijk is in de vordering TUL.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03865
Zitting 18 november 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 3 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004455-22) wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een taakstraf van 64 uren subsidiair 32 vervangende hechtenis. Het hof heeft verder de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (locatie Dordrecht) van 11 maart 2020 (parketnr. 96-087723-19) voorwaardelijk opgelegde straf toegewezen, met dien verstande dat het hof de opgelegde hechtenis van twee weken heeft omgezet in een taakstraf van 28 uren subsidiair veertien dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat M. Hoekzema heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf ten onrechte heeft toegewezen nu niet blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de voorwaardelijke veroordeling, en dat het hof het verweer dat het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk is in de vordering ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. In de toelichting op het middel wordt nog aangevoerd dat ook niet blijkt dat de dagvaarding in eerste aanleg (ik begrijp: voor de terechtzitting van de kantonrechter die de voorwaardelijke straf heeft opgelegd) in persoon is betekend.
2.2
Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden kan het volgende worden opgemaakt:
- De verdachte is bij vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2020 veroordeeld tot onder meer voorwaardelijke hechtenis van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. De aantekening van het mondeling vonnis van de kantonrechter vermeldt dat dit vonnis bij verstek is gewezen. Uit de stukken blijkt niet op welke wijze de dagvaarding/oproeping voor de zitting van de kantonrechter is uitgereikt.
- Evenmin blijkt uit de stukken dat de verdachte in kennis is gesteld van het verstekvonnis. Bij de stukken bevinden zich wel een ‘mededeling uitspraak’ (art. 366 Sv) en een ‘mededeling voorwaardelijke veroordeling’ (art. 366a Sv) maar die stukken zijn niet van een adres voorzien. Een bij de ‘mededeling uitspraak’ behorende uitreikingsakte is niet ingevuld. Een uittreksel justitiële documentatie van 5 september 2023 vermeldt wel dat het vonnis van de kantonrechter onherroepelijk is geworden op 19 januari 2021, maar waarop dit is gebaseerd blijkt nergens uit.
- Op 19 april 2022 heeft de officier van justitie de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf ex art. 6:6:21 lid 1 Sv ingediend bij de rechtbank.
2.3
Het hof (enkelvoudige kamer) heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard, kort gezegd, dat hij op 16 december 2021 een personenauto heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven. Het hof heeft verder de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen, maar zich daarbij niet uitgelaten over het in het cassatiemiddel bedoelde niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsvrouw. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:
“De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt:
(…)
Voor wat betreft de vordering tenuitvoerlegging verzoek ik u primair deze niet-ontvankelijk te verklaren. Onduidelijk is namelijk of cliënt op de hoogte was van de voorwaardelijk opgelegde straf.
(…)
De advocaat-generaal merkt op:
Kijkend naar de stukken in eerste aanleg kan ik niet bevestigen of weerleggen wat de raadsvrouw stelt over de vordering tenuitvoerlegging. Ik zie geen akte van uitreiking tussen de stukken. Ik zie ook geen adres staan boven de mededeling voorwaardelijke veroordeling.
(…)
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
(…)
Vordering tenuitvoerlegging
De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf voor de duur van 24 uren subsidiair 12 dagen hechtenis.
De raadsvrouw van verdachte heeft primair verzocht de vordering tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij verzocht om de tenuitvoerlegging niet te gelasten omdat dit niet opportuun zou zijn. Meer subsidiair heeft zij verzocht om de opgelegde proeftijd te verlengen.
Het hof beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis, van de kantonrechter Dordrecht van 11 maart 2020 met parketnummer 96-087723-19, te weten een hechtenis voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis. Het is immers gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.”
2.4
Als door het openbaar ministerie een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf aanhangig is gemaakt, moet de rechter op grond van art. 361a Sv onder meer beraadslagen over de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De bepaling is ook van toepassing op de behandeling in hoger beroep (art. 415 lid 1 Sv). De beslissing van de rechter op de vordering dient op grond van art. 6:6:5 lid 1 Sv in verbinding met art. 6:6:21 Sv met redenen te zijn omkleed en wel vanwege het volgende.
2.5
Art. 6:6:5 lid 1 Sv gaat uit van een motiveringsplicht voor rechterlijke beslissingen die worden genomen “op grond van” hoofdstuk 6 van Boek 6. Hoewel art. 6:6:21 lid 1 Sv naar de letter de bevoegdheid tot het nemen van een toewijzende beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf regelt, brengt deze bevoegdheid mee dat de rechter ook voor de vraag wordt gesteld of de officier van justitie in de vordering kan worden ontvangen. Daarmee is ook deze ontvankelijkheidsbeslissing (impliciet) een beslissing die “op grond van” hoofdstuk 6 van Boek 6 wordt genomen, zodat de motiveringsverplichting in art. 6:6:5 lid 1 Sv zich ook over deze beslissing uitstrekt.1.Voor die lezing pleit ook dat art. 6:6:3 lid 1 Sv de rechter de mogelijkheid biedt de vordering na summiere kennisneming zonder behandeling niet-ontvankelijk te verklaren, welke beslissing op grond van art. 6:6:5 lid 1 Sv eveneens zal moeten worden gemotiveerd. De omvang van die motiveringsplicht zal – zeker waar het de formele voorvragen betreft – afhangen van wat door of namens de betrokkene is aangevoerd.
2.6
In dit geval blijkt uit de stukken waar het hof kennis van heeft genomen (hiervoor weergegeven onder 2.2) niet dat zich een in art. 408 Sv bedoelde omstandigheid heeft voorgedaan waaruit volgt dat (kort gezegd) de verdachte bekend was met de dag van de terechtzitting of de einduitspraak van de kantonrechter waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd. In het dossier zitten geen uitreikingsaktes waaruit kan blijken dat de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting van de kantonrechter aan de verdachte in persoon is uitgereikt, of dat hij in kennis is gesteld van het verstekvonnis. Daarmee staat niet zonder meer vast dat de voorwaardelijke veroordeling van de kantonrechter onherroepelijk is geworden. De enkele vermelding op het uittreksel justitiële documentatie dat het vonnis van de kantonrechter op 19 januari 2021 (meer dan 10 maanden na het vonnis) onherroepelijk is geworden, acht ik zonder stukken die steun geven aan deze vermelding daarvoor niet toereikend. Gelet hierop, heeft het hof niet ongemotiveerd voorbij kunnen gaan aan het verweer van de raadsvrouw om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de onbekendheid van de verdachte met de voorwaardelijke veroordeling. Daarbij merk ik op dat de advocaat-generaal bij het hof op de zitting te kennen heeft gegeven dat hij het door de raadsvrouw aangevoerde niet kan weerleggen. Het oordeel van het hof dat de vordering kan worden toegewezen is daarom ontoereikend gemotiveerd.2.Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
3. Slotsom
3.1
Het cassatiemiddel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 4 oktober 2023, wat meebrengt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden. Gelet op de door het hof opgelegde taakstraf van 64 uren, zal dit geen aanleiding geven tot strafkorting, maar kan met de constatering van de overschrijding worden volstaan.3.Overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2020 (parketnummer 96-087723-19) voorwaardelijk opgelegde straf, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑11‑2025
Ik zie er overigens niet aan voorbij dat overtreding van de algemene voorwaarde aanleiding kan geven tot tenuitvoerlegging ook als het nieuwe strafbare feit plaatsvond na de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd maar voor het ingaan van de proeftijd (Vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1256). Maar om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf te kunnen bevelen is wel vereist dat deze onherroepelijk is, zie HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3186, NJ 2018/321, m.nt. F. Vellinga-Schootstra.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2. onder C, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.