Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/0:Inleiding
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/0
Inleiding
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351678:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In die zin onder meer HR 7 december 1994, nr. 29 334, met conclusie A-G Van Soest, BNB 1995/88 met noot G. Slot, FED 1995/68 met noot Th.S. IJsselmuiden.
Dan de bedrijfswaarde.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het fiscale begrip `bedrijfswaarde' wordt verstaan de waarde welke een verkrijger bij overneming van de gehele onderneming zou toekennen aan het afzonderlijke activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en voornemens zou zijn de uitoefening van de onderneming voort te zetten1. Kort samengevat komt het erop neer dat bij de bedrijfswaardebepaling van een individueel activum de overnemingswaarde van de onderneming als geheel tot uitgangspunt wordt genomen. Alhoewel het waarderen van ondernemingen (zeker met betrekking tot overnames) bij uitstek tot het vakgebied van de bedrijfseconomie behoort, heeft het fiscale begrip bedrijfswaarde tevens raakvlakken met het civiele recht (te denken valt aan Titel 9, boek 2 Burgerlijk Wetboek alsmede art. 40 van de Onteigeningswet). Belangrijk is dan ook te constateren dat het begrip bedrijfswaarde geen geïsoleerd fiscaal fenomeen is, doch ingebed is in andere rechtsgebieden en terreinen van wetenschapsbeoefening.
De doelstelling van deze studie is de inhoud en de betekenis van het fiscale begrip `bedrijfswaarde' op een diepgaande wijze te onderzoeken. Gepoogd is om alle aspecten aangaande het begrip bedrijfswaarde, zowel juridische als niet-juridische, tot een systematisch geheel bij elkaar te brengen om op deze wijze een meerwaarde boven de bestaande kenbronnen te scheppen.
De opzet van dit onderzoek is interdisciplinair en rechtsvergelijkend: inter-disciplinair omdat niet alleen aandacht wordt geschonken aan de juridische aspecten van het begrip bedrijfswaarde maar eveneens stilgestaan wordt bij waarderingsregels die hun neerslag vinden in het jaarrekeningenrecht (in de ruime zin des woords) alsmede bij bedrijfseconomische kenmerken van waarderingen van ondernemingen en hun onderlinge samenhang; rechtsvergelijkend omdat dit onderzoek zich niet beperkt tot beschouwingen aangaande inkomsten- en vennootschapsbelasting maar ook vergelijkingen trekt met andere belastingen zoals de vermogensbelasting en de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting. Tevens vindt rechtsvergelijking in internationaal verband plaats door bestudering van het begrip bedrijfswaarde in buitenlandse rechtssystemen. De nadruk ligt daarbij op de Bondsrepubliek Duitsland allereerst omdat Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog het begrip bedrijfswaarde naar het voorbeeld van het Duitse Einkommensteuergesetz (EStG) in haar inkomsten- en vennootschapsbelastingwetgeving heeft overgenomen en zich aldaar bovendien een omvangrijke hoeveelheid literatuur en jurisprudentie over dit onderwerp heeft ontwikkeld.
Het onderzoek begint in hoofdstuk 1 met een schets van de historische ontwikkeling van het begrip bedrijfswaarde in Nederland. Van oorsprong is dit begrip in zijn huidige betekenis ons fiscale rechtsstelsel namelijk vreemd. Zoals hierboven reeds aangegeven heeft de Duitse bezetter het begrip tijdens de Tweede Wereldoorlog geïntroduceerd in het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942. In eerste instantie werd het begrip met weinig enthousiasme in Nederland ontvangen maar na de invoering van de Wet Belastingherziening 1950 is het volledig ingeburgerd in het Nederlandse fiscale recht.
In hoofdstuk 2 wordt aandacht besteed aan andere waardebegrippen2 die in het fiscale recht gehanteerd worden. De belangrijkste conclusie daarbij is dat het begrip bedrijfswaarde onder bepaalde omstandigheden vereenzelvigd kan worden met de waarde in het economische verkeer of met de directe opbrengstwaarde.
Aangezien de afwaardering van een activum op lagere bedrijfswaarde niet los te zien is van de 'spelregels' van goed koopmansgebruik (en erdoor beheerst wordt), is hieraan een apart hoofdstuk gewijd, te weten hoofdstuk 3. Daarin komt met name naar voren dat de bedrijfswaarde bezien moet worden in het licht van het realiteitsbeginsel.
In hoofdstuk 4 komen de hoofdlijnen in de jurisprudentie over het begrip bedrijfswaarde aan de orde. Belangrijke onderwerpen passeren daarbij de revue zoals de bedrijfswaardebepaling van specifieke activa, waaronder deelnemingen en onroerende zaken. Maar ook andere aspecten komen aan bod, bijvoorbeeld de relatie van bedrijfswaarde met afschrijvingen en de bewijslastverdeling in het kader van een waardering op lagere bedrijfswaarde.
Hoofdstuk 5 is gereserveerd voor het begrip bedrijfswaarde in andere fiscale wetten dan de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In het bijzonder gaat het daarbij om de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Gemeentewet, de Wet waardering onroerende zaken en de Successiewet 1956.
Hoofdstuk 6 is meer van beschouwende aard waarbij de bedrijfswaarde en de waarderingsregels in het civiele recht centraal staan. Uiteenzettingen over de commerciële jaarrekening worden gevolgd door verhandelingen over civielrechtelijke waarderingsregels, in het bijzonder art. 2:387, vierde lid Burgerlijk Wetboek. Tevens wordt aandacht besteed aan de jurisprudentie inzake art. 40 Onteigeningswet.
Nu bij de bedrijfswaardebepaling van een activum de overnemingswaarde van de gehele onderneming tot uitgangspunt is genomen, kunnen bespiegelingen betreffende bedrijfseconomische aspecten van waardebepaling van ondernemingen niet ontbreken. Hoofdstuk 7 is daarvoor gereserveerd, waarbij in het bijzonder aandacht wordt geschonken aan de discounted cashflow-methode (DCF-methode).
In de volgende twee hoofdstukken staat het rechtsvergelijkende karakter van dit onderzoek in internationaal verband centraal. Zo is in hoofdstuk 8 een uitgebreide beschrijving aan te treffen van het Duitse equivalent van het begrip bedrijfswaarde: `Teilwere. In hoofdstuk 9 wordt bezien of en in hoeverre het begrip bedrijfswaarde in fiscale zin betekenis heeft in een aantal Westerse geïndustrialiseerde landen, te weten Frankrijk, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika.
Het afsluitende hoofdstuk 10 bevat een samenvatting en enkele conclusies.
Het manuscript is afgesloten op 1 mei 1997. Literatuur en jurisprudentie zijn derhalve — op een enkele uitzondering na — verwerkt tot deze datum.