Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.3.7
9.3.7 Deskundigen
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192689:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover ABI-rapport 2014, p. 180-183.
Rule 706 Federal Rules of Evidence en §105 Bankruptcy Code bieden daarvoor de basis.
Vgl. ABI-rapport 2014, p. 181.
Op grond van de Richtlijn mogen waarderingen slechts plaatsvinden op verzoek van een tegenstemmer, wanneer het gaat om een vermeende schending van de best interests-test of de toepasselijke rangorderegel voor de cross class cram down.
Uit Considerans 63 volgt dat het ook mag gaan om een waardering van een partijdeskundige: “Die beslissing zou evenwel tevens een goedkeuring kunnen inhouden van een waardering door een deskundige of een waardering die door de schuldenaar of een andere partij in een eerder stadium van de procedure is ingediend.”
Considerans 63.
Art. 380 en 381 Voorontwerp WHOA voorzagen niet in de mogelijkheid dat de rechter tijdens de homologatiefase nog een deskundige kon benoemen.
Zie over het belang om geschillen over waarderingen in een vroegtijdig stadium te kunnen beslechten: Tollenaar 2016, §8.6; Tollenaar 2017b, §2.10.
494. De benoeming van partijdeskundigen is staande praktijk in Chapter 11-zaken. Waardering is een essentieel onderdeel van het proces. Waarderingsdiscussies worden door de rechter beslecht op basis van het bewijs dat partijen aanleveren. Partijen maken daarbij in de regel gebruik van experts. Deze methode wordt ‘judicial valuation’ genoemd.1 De rechter mag ook zelf een deskundige aanwijzen die zich kan uitlaten over waarderingsdiscussies.2 Deze deskundige moet dan een verklaring afleggen tijdens een zitting en kan ondervraagd worden door de partijen. Ook biedt het Amerikaanse recht de zogenaamde “expert with teeth”, een door de rechter benoemde deskundige die tevens fungeert als mediator in waarderingsgeschillen.3 In het Verenigd Koninkrijk bestaat – vergeleken met de situatie in de Verenigde Staten – relatief weinig ervaring met waarderingen in het kader van herstructureringen. Zoals in §9.6.2.2 besproken zal worden, staat deze praktijk in Engeland nog in de kinderschoenen, hetgeen beter te begrijpen is wanneer men zich realiseert dat in de Engelse scheme geen cross class cram down mogelijk is. De Europese wetgever realiseert zich terdege dat bij toepassing van de preventieve herstructureringsstelsels die hij voor ogen heeft regelmatig waarderingsdiscussies zullen ontstaan. Art. 14 lid 2 Herstructureringsrichtlijn bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat de nationale rechter met het oog daarop “voldoende gekwalificeerde deskundigen” mag aanstellen of horen.4 Het is ook mogelijk dat de waarderingsbeslissing van de rechter simpelweg bestaat uit de goedkeuring van een waardering door een deskundige.5 Ook mogen lidstaten bepalen dat voor waarderingen speciale, van het reguliere procesrecht losstaande regels gelden zodat de waardering voortvarend kan geschieden.6
Art. 378 lid 6 Fw opent de mogelijkheid dat de rechter in het kader van de geschillenregeling deskundigen benoemt. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing verklaard in de homologatiefase.7 Gelet op de complexe (waarderings)beslissingen die een rechter in het kader van de homologatie moet nemen, is dat een wenselijke voorziening.8 Overigens is het mogelijk dat reeds in het kader van een geschillenprocedure een deskundige is benoemd, die onderzoek heeft gedaan en een verslag heeft uitgebracht over waarderingsvraagstukken. Een dergelijke gang van zaken kan het verloop van het pre-insolventieakkoordtraject stroomlijnen.9