Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/1.1:1.1 Aanleiding
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/1.1
1.1 Aanleiding
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633599:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Trouw 26 april 2018 en Trouw 20 juli 2018.
Trouw 26 april 2018.
Boxem 2009.
Ruiter 2009; Doornebal e.a. 2009.
Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 28, 29.
Kamerbrief over anbi’s, d.d. 29 juni 2021, paragraaf 10, p. 10.
Zie de bijlage bij Mei 2019 en Augustus 2019. Van de overige 898 instellingen in deze categorie kan het anbi-team niet aangeven hoeveel daarvan levensbeschouwelijke en spirituele instellingen zijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Religie, spiritualiteit en levensbeschouwing (rsl) nemen traditioneel een belangrijke plaats in de samenleving in, maar die positie is minder vanzelfsprekend dan voorheen. In Nederland ontstond in de jaren negentig van de vorige eeuw een hernieuwde belangstelling voor dit onderwerp in de politiek, samenleving en wetenschap. Ondanks de decennialange secularisatie kopte het dagblad Trouw in 2018 zelfs ‘Religie is here to stay’ en ‘Religie transformeert, maar verdwijnt niet uit de samenleving’.1 Die ontwikkeling komt deels door immigratie van moslims en niet-westerse christenen. Maar ook bij de andere bevolkingsgroepen is een toenemende behoefte aan zingeving te bespeuren. Zelfs niet-gelovige publicisten constateren volgens het eerstgenoemde Trouw-artikel ‘een gat van spirituele leegte’,2 waar rsl een belangrijke rol kunnen vervullen.
De opstellers van de Europese en internationale mensenrechtelijke instrumenten, evenals de Nederlandse grondwetgever, achten het hebben en uitdragen van een al dan niet religieuze levensbeschouwing zo belangrijk dat ze het als een fundamenteel recht hebben aangemerkt. Dit grondrecht is verankerd in de mensenrechtelijke instrumenten en de Grondwet. In de mensenrechtensfeer was er in de jaren negentig van de vorige eeuw een significante toename in zaken bij het EHRM over het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Volgens de fiscale wetsgeschiedenis wordt bij kerkelijke en levensbeschouwelijke organisaties van oudsher impliciet aangenomen dat zij zich volledig richten op het algemeen belang.3 In 2012 introduceerde de fiscale wetgever de rubriek ‘religie, levensbeschouwing en spiritualiteit’ als een van de dertien wettelijke categorieën van algemeen nut (art. 5b, lid 3, onderdeel i AWR). Ook voordien kwamen ‘kerkelijke’ en ‘levensbeschouwelijke’ instellingen in de wet in aanmerking voor de status van een algemeen nut beogende instelling (anbi) met de bijbehorende fiscale faciliteiten. De wetsgeschiedenis bevat echter geen toelichting waarom rsl in de huidige opsomming van algemeen nut horen. Er wordt alleen opgemerkt dat kerkgenootschappen een lange traditie van filantropie kennen en daarom in beginsel bij uitstek binnen het anbi-concept passen.4 Ook de fiscale wetenschap geeft hier geen eenduidig antwoord op. Zo heeft in de literatuur Van Boxem zijn twijfels geuit over het algemeen nut karakter van kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen. Volgens hem kan – in tegenstelling tot wat uit de fiscale wetsgeschiedenis blijkt – niet in zijn algemeenheid worden gesteld dat deze instellingen het algemeen nut beogen, zodat ze in zijn optiek niet in aanmerking komen voor fiscale privileges.5 Andere fiscalisten wijzen erop dat een dergelijke instelling niet automatisch als algemeen nuttig kwalificeert, maar net als andere instellingen eerst moet voldoen aan diverse vereisten, waaronder de toetsing of de instelling met haar feitelijke werkzaamheden het algemeen nut dient.6
In de fiscale rechtspraak is in de afgelopen twee decennia een toename te zien in zaken over uiteenlopende religieuze en levensbeschouwelijke instellingen. Het gaat dan veelal om het verkrijgen of behouden van de anbi-status. In tegenstelling tot traditionele religieuze, spirituele en levensbeschouwelijke instellingen (rsli’s) lijkt het voor niet-traditionele rsli’s lastiger om de anbi-status te verkrijgen. Niet-traditionele rsli’s moeten daarom de gang naar de rechter maken om de anbi-status te verkrijgen of te behouden. Niet alleen de fiscus maar ook de rechter worstelt met de vraag of een instelling tot de categorie rsl behoort en of haar doelstelling en activiteiten het algemeen nut dienen, dan wel een particulier belang.
Daarnaast speelt de gekozen rechtsvorm een rol. Zo biedt de anbi-regeling specifieke faciliteiten voor de rechtsvorm kerkgenootschap. Deze rechtsvorm staat echter alleen open voor religieuze instellingen en niet voor levensbeschouwelijke instellingen. Onduidelijk is of spirituele instellingen hiervan gebruik kunnen maken. De rechtsvorm kerkgenootschap komt veelal voor bij traditionele religieuze instellingen. Vanwege de associatie met traditionele joodse en christelijke stromingen maken niet-traditionele religieuze instellingen zelden gebruik van deze rechtsvorm.
Voor anbi’s bestaan faciliteiten in fiscale heffingswetten. Sommige heffingswetten bevatten specifieke faciliteiten voor rsli’s. De specifieke faciliteiten die de anbi-regeling voor kerkgenootschappen kent, gelden niet voor overige anbi’s, behalve voor zuivere vermogensfondsen.
Vanaf de grondwetsherziening van 1983 worden in Nederland religieuze en niet-religieuze levensbeschouwingen op grond van artikel 6 GW op gelijke voet behandeld. Die nevenschikking beoogt volgens de grondwetgever dat in de verhouding tot de overheid, tussen godsdienst en levensovertuiging geen verschil mag worden gemaakt en dus beide vormen van geestelijk leven en hun genootschappen staatsrechtelijk dezelfde bescherming toekomt.7 Dat betekent dat de overheid een gelijke behandeling van rsli’s moet waarborgen. In de praktijk blijkt dit niet altijd het geval te zijn. Dit leidt tot rechtsongelijkheid tussen rsli’s onderling, die weer indruist tegen het rechtsbeginsel dat rsli’s gelijke rechten hebben voor de wet. Dit rechtsbeginsel is een van de pijlers van de rechtsstaat in een westerse democratie. De praktijk laat zien dat niet alleen justitiabelen, maar ook de fiscus, de rechter en de belastingwetgever zoekende zijn als het gaat om de fiscale behandeling van rsli’s.
Rsli’s vormen een aanzienlijke groep anbi’s. Ze maken ruim twintig procent uit van alle in totaal ongeveer 45.000 anbi’s,8 die de fiscale wetgever in dertien categorieën heeft verdeeld. Per 15 mei 2019 gaat het in de anbi-categorie rsl om 10.844 instellingen, waarvan 9946 religieuze instellingen.9 Verschil in fiscale behandeling tussen anbi’s en rsli’s en tussen rsli’s onderling raakt niet alleen de instellingen, maar ook hun oprichters, aanhangers en donateurs.
Deze ontwikkelingen vormen de aanleiding voor dit grondrechtelijke, civielrechtelijke en fiscale onderzoek naar de anbi-categorie rsl.