Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.3.7.d
6.3.7.d Analoge toepassing van de bepalingen inzake borgtocht
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250213:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
E.C.A. Nass 2019, p. 219.
HR 11 maart 2005, NJ 2006/362, m.nt. Snijders (Rabobank/Stormpolder), r.o. 3.6. Ook gepubliceerd in JOR 2005/131, m.nt. Kortmann.
Snijders in zijn annotatie onder HR 11 maart 2005, NJ 2006/362 (Rabobank/Stormpolder), Kortmann 2005, p. 69, Biemans 2011, p. 245 en Bergervoet 2014, p. 93.
Biemans 2011, p. 245-246, Bergervoet 2014, p. 90 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/826.
HR 18 december 2015, JOR 2016/105, m.nt. Faber en Vermunt (ABN Amro/Marell), r.o. 3.5.2.
Faber en Vermunt in hun annotatie onder HR 18 december 2015, JOR 2016/105 (ABN Amro/Marell).
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, m.nt. Bartman (Akzo/ING), r.o. 3.4.3, 3.4.5 en 3.4.6.
Zie § 6.2.4.
Faber in zijn annotatie onder Hof Den Haag 6 februari 2007, JOR 2007/103(Citibank International/KPN) en Verdaas 2008, p. 308.
Faber in zijn annotatie onder Hof Den Haag 6 februari 2007, JOR 2007/103(Citibank International/KPN) en Verdaas 2008, p. 305. Zie ook Bergervoet 2014, p. 90, die in algemene zin over borgtocht opmerkt rechten uit borgtocht niet vatbaar zijn voor verpanding.
Nass betoogt dat als de bepalingen inzake borgtocht analoog van toepassing zijn op de 403-aansprakelijkheid, dit meebrengt dat als er een pandrecht wordt gevestigd op de vordering van een crediteur op de 403-maatschappij, de pandhouder tevens een pandrecht krijgt op de 403-vordering.1 Dit is mijns inziens echter strikt genomen niet juist. Ik licht dit hieronder toe.
In het arrest Rabobank/Stormpolder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beslaglegger bevoegd is om een aan de beslagen vordering verbonden hypotheekrecht uit te oefenen als de schuldenaar van de desbetreffende vordering weigert deze te voldoen.2 In de literatuur wordt aangenomen dat dit oordeel van de Hoge Raad ook van toepassing is op vergelijkbare situaties.3 Niet enkel een beslaglegger, maar iedere inningsbevoegde derde is bevoegd om alle aan een vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen. Verschillende auteurs merken op dat dit onder meer betekent dat de houder van een pandrecht op een vordering tevens de beschikking heeft over de aan die vordering verbonden accessoire rechten, waaronder die uit borgtocht.4 De Hoge Raad heeft de lijn uit het Rabobank/Stormpolder-arrest nadien bevestigd in zijn arrest ABN Amro/Marell.5 In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat een inningsbevoegde pandhouder de bevoegdheid heeft om de aan de verpande vordering verbonden zekerheidsrechten – in casu een pandrecht op een andere vordering – te innen. Faber en Vermunt merken in hun annotatie onder het arrest op – in lijn met de reacties in de literatuur op het arrest Rabobank/Stormpolder – dat een inningsbevoegde pandhouder ook andere aan de verpande vordering verbonden zekerheidsrechten kan innen, waaronder rechten uit borgtocht.6
Hoewel ik eerder – in navolging van de Hoge Raad in zijn Akzo/ING-beschikking7 – de vergelijking tussen de 403-aansprakelijkheid en borgtocht heb afgewezen,8 laten de reacties in de literatuur naar aanleiding van de arresten Rabobank/Stormpolder en ABN Amro/Marell wel zien wat het gevolg is van het analoog toepassen van de bepalingen inzake borgtocht ten aanzien van de 403-aansprakelijkheid. Hoewel de grondslag van de aansprakelijkheid anders is, zijn de uitkomsten hetzelfde. Een (inningsbevoegde) houder van een pandrecht op een vordering op een 403-maatschappij is in dat geval dus bevoegd om de 403-vordering te gelde te maken.9
In tegenstelling tot bovengenoemd standpunt van Nass, leidt de vestiging van een pandrecht op de vordering van een crediteur op de 403-maatschappij er naar mijn mening dus niet toe dat de pandhouder ook een pandrecht krijgt op de 403-vordering. De (inningsbevoegde) pandhouder kan echter wel de 403-vordering te gelde te maken. Strikt genomen betekent dit dus ook dat een vordering op de 403-maatschappij ‘zelfstandig’ is te verpanden, zonder dat de pandhouder een pandrecht krijgt op de 403-vordering. Ik laat dit onderscheid echter verder rusten.
Als de bepalingen inzake borgtocht analoog van toepassing zijn op de 403-aansprakelijkheid van de moedermaatschappij is deze aansprakelijkheid afhankelijk van de verbintenis tussen de crediteur en de 403-maatschappij. Hierdoor kan een 403-vordering niet zelfstandig worden overgedragen en kan deze daarom op grond van art. 3:228 BW ook niet worden verpand.10
In afbeelding 6.6 heb ik de gevolgen van de verschillende duidingen van de 403-vordering uiteengezet: